Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-09-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:25027
Onrechtmatige overheidsdaad; Begaclaim; gebleken onschuld; onrechtmatige publicatie RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/691519 / HA ZA 25-799 Vonnis van 2 september 2026 in de zaak van 1 [eiseres 1] , te [woonplaats] , 2. [eiseres 2] B.V., te [vestigingsplaats] , 3. [eiseres 3] N.V., te [vestigingsplaats] , eiseressen, hierna te noemen [eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] en gezamenlijk aan te duiden als [eiseressen] , advocaten: mr. [eiseres 1] , mr. P.F. Keuchenius en mr. E.A. Schouwvlieger, tegen STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) , te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. J. Perenboom. 1 Waar gaat deze zaak over? [eiseres 1] is werkzaam als advocaat en is strafrechtelijk vervolgd. Zij werd er onder meer van verdacht dat zij cliënten hielp die illegaal online kansspelen aanboden in Nederland. Ook werd haar verweten dat zij deze cliënten zou hebben geholpen met het opzetten van een ondernemingsstructuur die werd gebruikt om haar cliënten buiten beeld te houden. Na haar aanhouding op 10 april 2014 heeft [eiseres 1] veertien dagen in voorarrest gezeten. [eiseres 1] is eerst door de rechtbank Oost-Brabant vrijgesproken en vervolgens ook door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Die vrijspraak is inmiddels onherroepelijk. [eiseressen] vorderen in deze procedure schadevergoeding van de Staat, vanwege een onrechtmatige strafrechtelijke vervolging van [eiseres 1] . Omdat de strafzaak meer dan tien jaar heeft geduurd, wordt ook een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn gevorderd. Tot slot vorderen [eiseressen] schadevergoeding omdat het OM de verdenking tegen [eiseres 1] heeft genoemd in een aantal publicaties, waardoor ze immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch volgt dat sprake is van gebleken onschuld, zodat het strafvorderlijk optreden jegens [eiseres 1] onrechtmatig is. De Staat dient onder andere de kosten die [eiseres 1] voor rechtsbijstand in de strafzaak gemaakt heeft en de door haar geleden immateriële schade te vergoeden. Voor de inkomensschade wordt de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen. Er is sprake van een schending van de redelijke termijn, maar daarvoor wordt een standaardvergoeding toegekend. Omdat het strafvorderlijk optreden onrechtmatig is, zijn de publicaties van het OM over [eiseres 1] ook onrechtmatig. Vanwege de tendentieuze toon van een tweetal berichten heeft de rechtbank een hogere schadevergoeding toegekend voor de onrechtmatige publicaties. De vorderingen van [eiseres 2] en [eiseres 3] worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bevat de volgende stukken: - de dagvaarding van [eiseressen] van 9 september 2025 met producties 1-38; - de conclusie van antwoord van de Staat van 10 december 2025 met producties 1-18; - de akte overlegging producties van [eiseressen] van 22 april 2026 met producties 39-65; - de akte overlegging producties van [eiseressen] van 20 mei 2026 met producties 66-103; - de akte houdende overlegging producties van de Staat van 19 mei 2026 met producties 19 en 20; - de akte wijziging eis van [eiseressen] van 27 mei 2026; - de akte overlegging producties van [eiseressen] van 25 juni 2026 met producties 104-114; en - de akte houdende uitlating vermeerdering eis, reactie op producties en overlegging producties van de Staat van 26 juni 2026 met producties 21-26. 2.2. Op 7 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 3 De feiten Rol en positie [eiseressen] 3.1. [eiseres 1] is advocaat. Zij oefent haar praktijk uit via haar praktijkvennootschap [eiseres 2] . Via deze vennootschap is zij sinds 2010 vennoot en aandeelhouder van [eiseres 3] . 3.2. [eiseres 1] heeft als advocaat werkzaamheden verricht voor cliënten die betrokken waren bij het online aanbieden van kansspelen. Dit betrof onder andere [vennootschap 1] S.A. (hierna: [vennootschap 1] ) gevestigd te [land] , en daaraan verbonden vennootschappen (waaronder de Nederlandse vennootschap [vennootschap 2] B.V.). Deze groep van vennootschappen behoorde in eigendom toe aan de heer [naam 1] en twee anderen. 3.3. Onder de oude Wet op de kansspelen (Wok) was het aanbieden van online kansspelen illegaal. In 2012 werd de Kansspelautoriteit (Ksa) opgericht, die actief toezicht moest houden op aanbieders van online kansspelen. In 2012 stelde de Ksa zogenaamde prioriteringscriteria vast, op grond waarvan zij zou handhaven. Bedrijven die aan een aantal voorwaarden voldeden zouden niet met prioriteit worden gehandhaafd. Aanbieders van kansspelen lieten de Ksa controleren of hun websites aan de voorwaarden voldeden. Als dat het geval was, dan ontvingen zij een brief van de Ksa waarin werd meegedeeld dat de website niet (meer) onder de prioriteringscriteria viel en de daarop uitgevoerde activiteiten niet meer onder de focus van de Ksa vielen. 3.4. [eiseres 1] heeft als advocaat voor verschillende cliënten dergelijke brieven aangevraagd bij de Ksa. Zij is in dit verband door de Ksa uitgenodigd voor ‘meet-and-greet-bijeenkomsten’ met de Ksa. Strafrechtelijke vervolging 3.5. In mei 2013 heeft de politie een zoeking gedaan bij [naam 1] . Hij is toen ook aangehouden en in verzekering gesteld. 3.6. Ook jegens [eiseres 1] is een verdenking ontstaan. Ze werd ervan verdacht dat zij cliënten adviseerde met betrekking tot de Wok en het aanbieden van kansspelen, terwijl deze cliënten illegaal, zonder vergunning, kansspelen aanboden op de Nederlandse markt. [eiseres 1] zou deze cliënten behulpzaam zijn bij het opzetten van ondernemingsstructuren die werden gebruikt om de verdachten buiten beeld te houden en het deden voorkomen alsof de kansspelen werden aangeboden door een buitenlandse rechtspersoon. 3.7. [eiseres 1] is op donderdag 10 april 2014 aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld. In haar woning en op het kantoor van [eiseres 3] vonden doorzoekingen plaats, waarbij ook geheimhouderstukken in beslag zijn genomen. 3.8. Op 11 april 2014 heeft de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant [eiseres 1] in bewaring gesteld. 3.9. Op 11 april 2014 heeft het Openbaar Ministerie (OM) het volgende persbericht gepubliceerd: Advocate aangehouden wegens hulp aan criminele organisatie De politie heeft donderdag een 49-jarige advocate uit [gemeente] aangehouden, die vermoedelijk een criminele organisatie behulpzaam is geweest. Zij wordt verdacht van betrokkenheid bij het illegaal aanbieden van kansspelen op internet, witwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Aan het hoofd van de online gokbedrijven staan twee broers en een medeverdachte uit [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . De berekening van het crimineel verkregen vermogen uit de goksites loopt op tot een omzet van meer dan 100 miljoen euro sinds 2006. De verdachten zijn bijgestaan door fiscalisten en juristen, die vermoedelijk hebben geadviseerd en meegewerkt aan het voeren van een schijnadministratie, het opzetten van constructies om het werkelijk eigendom van vermogen te verhullen en het afwentelen van mogelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid. In het onderzoek zijn verdenkingen gerezen tegen de advocate uit [provincie] . Zij adviseerde vermoedelijk de verdachten en was hen behulpzaam bij het aanbieden van kansspelen op de Nederlandse markt, Kansspelen via Internet, die gericht zijn op Nederland, zijn verboden. Om zichzelf buiten beeld te houden en het te doen voorkomen alsof de online kansspelen werden aangeboden door een buitenlandse onderneming zouden de verdachten gebruik hebben gemaakt van een internationale bedrijvenstructuur. De woning en het kantooradres van de advocate zijn onder leiding van de rechter- commissaris doorzocht. Er is beslag gelegd op administratie. Het kantoor waar de vrouw werkt speelt verder geen rol in het strafrechtelijk onderzoek. 3.10. In artikelen in De Telegraaf en op de website Wij [provincie] zijn op 12 april 2014 artikelen verschenen waarin de aanhouding van [eiseres 1] en de verdenking tegen haar worden beschreven. Daarbij zijn haar voornaam en haar woonplaats vermeld. In het artikel op de website Wij [provincie] is daarbij bovendien de term ‘consigliere’ weergegeven. In een artikel op de website van Quote is op 14 april 2014 een bericht gepubliceerd waarin onder meer staat: ‘Vermoedelijk gaat het om [naam 1] advocaat [eiseres 1] .’ 3.11. Op 23 april 2024 heeft de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant de vordering gevangenhouding afgewezen vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren en de voorlopige hechtenis opgeheven. 3.12. Het rapport ‘ Verantwoording aanpak georganiseerde criminaliteit 2013 ’ van 30 juni 2014 is opgesteld door het College van procureurs-generaal en de Korpsleiding van de Nationale Politie. Dit rapport is aan het ministerie van Veiligheid en Justitie en later aan de Tweede Kamer toegestuurd en is via internet openbaar toegankelijk. In het rapport is een artikel opgenomen waarin onder meer is vermeld: Online gokimperium: één grote schijnconstructie Honderdtienmiljoen euro, in zes jaar. Dat is de totale omzet van het illegale online gokimperium van drie hoofdverdachten uit het LP-FP onderzoek Rykiel. Ze worden er ook van verdacht de hoge gokopbrengsten via een schijnconstructie wit te wassen. Maar dit alles bereikte het trio niet alleen: facilitators uit de bovenwereld deinsden er niet voor terug om hen een handje te helpen. (…) Consigliere De verdachten wisten dat kansspelen aanbieden op de Nederlandse markt illegaal is. Een advocate uit [plaats 4] wordt ervan verdacht dat ze als een soort consigliere behulpzaam was. Zij is naar eigen zeggen gespecialiseerd in de WoK en adviseerde de broers [naam 3] , [naam 12] en [naam 1] “Zij ondersteunde de verdachten met het opzetten van een internationale bedrijvenstructuur om net te doen alsof de gokspelen door buitenlandse bedrijven werden aangeboden. Erg vreemd natuurlijk dat zij, specialist op dit rechtsgebied, haar cliënten op die manier bijstond. De verdachten bouwden op basis van dat advies een fictieve, internationale bedrijvenstructuur om de Nederlandse wet en toezichthouder te omzeilen”, aldus de FP-officier. (…) In totaal telt het onderzoek Rykiel ongeveer 25 verdachten. De drie hoofdverdachten worden in ieder geval vervolgd. De officieren zullen hen een criminele organisatie, witwassen, de WoK-overtreding en valsheid in geschrifte ten laste te leggen. De verdachte advocate en de belastingadviseur zijn ook aangehouden. “Het lastige aan facilitators is dat we moeten bewijzen dat ze de criminele diensten willens en wetens aanboden. De lijn tussen cliënten bijstaan en faciliteren is dun. Bovendien is er tot op heden maar weinig jurisprudentie. Mogelijk zien sommige verdachten niet eens in dat ze fout zitten”. Het OM loopt bij de opsporing en vervolging in dit soort zaken aan tegen de reikwijdte van het verschoningsrecht waar het gaat om de fiscale en juridische adviespraktijk. “De adviezen van de advocate vallen onder het verschoningsrecht, net als grote delen van de onroerend goed transacties en handel in aandelen die de verdachten aan notarissen hadden opgedragen”, aldus de LP-officier. 3.13. Het hiervoor weergegeven artikel is in oktober 2014 ook opgenomen in Opportuun , het relatiemagazine van het OM. Dit magazine wordt verspreid in een fysieke oplage en is ook digitaal te raadplegen. 3.14. Tegen de inbeslagname van geheimhouderstukken door het OM heeft [eiseres 1] een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit beklag is door de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant op 24 april 2015 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat een redelijk vermoeden van schuld bestond tegen [eiseres 1] en dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden, waardoor het belang dat de waarheid aan het licht komt diende te prevaleren boven het verschoningsrecht. 3.15. [eiseres 1] is op 3 januari 2018 gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant, als één van de verdachten in een megastrafzaak naar aanleiding van onderzoek Rykiel. In de tenlastelegging werd haar – samengevat – verweten dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, dat zij de Wok heeft overtreden en dat zij (als feitelijk leidinggevende) een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van grote geldbedragen. Verder werd haar verweten het meermalen plegen van valsheid in geschrift. [eiseres 1] is op 20 december 2018 vrijgesproken door de rechtbank. 3.16. Tegen het vonnis van de rechtbank heeft het OM hoger beroep ingesteld. De tenlastelegging is in hoger beroep aangevuld met de verdenking van medeplichtigheid aan het overtreden van de Wok en medeplichtigheid aan deelname aan een criminele organisatie. Bij arrest van 11 maart 2024 (hierna: het arrest) is [eiseres 1] door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Bij de beoordeling (vanaf randnummer 5.6) zal de motivering van deze vrijspraak nader aan de orde komen. Aan de hoofdverdachten is onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf opgelegd (gecombineerd met een ontnemingsmaatregel). Alle veroordeelde (rechts)personen tezamen zijn in de ontnemingsprocedure veroordeeld tot betaling van ruim 24 miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.17. In de strafzaak van [eiseres 1] heeft het OM cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. Dit beroep is op 13 december 2024 ingetrokken, waardoor het arrest op die datum onherroepelijk is geworden. Overige procedures 3.18. [eiseres 1] is in 2019 met betrekking tot de hiervoor besproken strafzaak tuchtrechtelijk veroordeeld voor het factureren aan een tussenpersoon (de belastingadviseur) terwijl de facturen waren bestemd voor een buitenlandse vennootschap, en voor het uitlenen van haar geheimhoudertelefoon. Aan [eiseres 1] is een deels voorwaardelijke schorsing van de uitoefening van haar praktijk opgelegd. 3.19. Op 25 januari 2021 heeft de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Op 25 oktober 2021 zijn de drie getuigen gehoord, waaronder twee officieren van justitie die bij onderzoek het Rykiel betrokken waren. 3.20. [eiseres 1] heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op grond van de artikelen 530 en 533 Sv verzocht om een tegemoetkoming voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht en voor de kosten die zij heeft gemaakt in de strafzaak. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [eiseres 1] bij beschikkingen van 9 april 2026 een tegemoetkoming toegekend voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht, maar heeft het verzoek om vergoeding van de kosten van reizen, tijdverzuim en rechtsbijstand afgewezen. 4 Het geschil 4.1. [eiseressen] vorderen na eisvermeerdering – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I) voor recht verklaart dat het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voldoet aan de voorwaarden als gesteld in het Begaclaim-arrest en dat er dus op deze grond en ook anderszins sprake is van een onrechtmatige vervolging van [eiseres 1] ; II) voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan (zie (I)) geleden inkomensschade van [eiseres 1] en [eiseres 2] , althans [eiseres 1] nader op te maken bij staat; III) de Staat veroordeelt aan [eiseres 1] als smartengeld te betalen het bedrag van € 50 per dag en dus in totaal € 195.116 of een in goede justitie te bepalen bedrag dat de onrechtmatige vervolging heeft plaatsgevonden te rekenen vanaf de opheffing van het voorarrest per 24 april 2014 tot 13 december 2024 en daarover per dag, de wettelijke rente te betalen tot de betaling van het totaalbedrag; IV) voor recht verklaart dat de Staat jegens [eiseres 1] aansprakelijk is voor de kosten in de 530/533 Sv procedure, zijnde € 701.126,88 minus het reeds betaalde te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat deze kosten zijn gemaakt totdat zij zijn voldaan; V) de Staat gebiedt aan [eiseres 2] en [eiseres 1] althans [eiseres 1] te betalen het bedrag van € 21.486,67 ter zake van de kosten voor de door [eiseres 1] en [eiseres 2] gestelde bankgarantie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt tot het moment van betaling; ( VI) de Staat veroordeelt aan [eiseres 2] en [eiseres 1] althans [eiseres 1] te betalen het bedrag van € 51.447,97 ter zake van de wettelijke rente over de contragaranties bij de Rabobank – die de bankgarantie heeft gesteld – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2023 tot het moment van betaling; VII) de Staat veroordeelt aan [eiseres 1] als smartengeld te betalen voor de overschrijding van de redelijke termijn het bedrag van € 115.733 of een in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag totdat het totaalbedrag is voldaan; VIII) voor recht verklaart dat het persbericht van het OM als uitgegaan op 11 april 2014 over [eiseres 1] (toerekenbaar) onrechtmatig is geweest jegens [eiseres 1] ; IX) voor recht verklaart dat het artikel in Opportuun en het OM Rapport 2014 (als gepubliceerd in Opportuun en gezonden aan Tweede Kamer) (toerekenbaar) onrechtmatig is geweest jegens [eiseres 1] ; X) de Staat veroordeelt aan [eiseres 1] aan smartengeld te betalen voor de in de punt (VIII) en (IX) beschreven overtredingen het bedrag van € 450.000 (€ 150.000 per overtreding) (ernstige aantasting in eer en goede naam plus overige smart) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data van publicatie/toezending te weten 11 april 2014, 30 juni 2014 en 1 oktober 2014; XI) voor recht verklaart dat de vervolging van [eiseres 1] en/of de publicaties over [eiseres 1] ook (toerekenbaar) onrechtmatig zijn geweest vis á vis [eiseres 3] ; XII) voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die [eiseres 3] door de vervolging van [eiseres 1] en/of de publicaties heeft geleden nader op te maken bij staat; en XIII) de Staat veroordeelt in de kosten van het geding waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente hierover indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het betekenen in deze te wijzen vonnis zijn betaald. 4.2. De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseressen] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseressen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseressen] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. In deze zaak moet de rechtbank de volgende geschilpunten beoordelen: (1) Was de strafrechtelijke vervolging van [eiseres 1] onrechtmatig? (2) Welke vergoeding moet worden toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak tegen [eiseres 1] ? (3) Waren de publicaties over [eiseres 1] onrechtmatig? De rechtbank zal de geschilpunten in deze volgorde bespreken en daarbij telkens de relevante vorderingen van [eiseressen] betrekken. Ook gaat de rechtbank in op de positie van eiseres [eiseres 3] . Tot slot zal de rechtbank een oordeel geven over de proceskosten. 5.2. Vooraf merkt de rechtbank op dat [eiseressen] verschillende producties in het geding hebben gebracht die zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI). De rechtbank zal deze stukken in hun geheel buiten beschouwing laten, omdat de oorsprong van de informatie onduidelijk is en de redeneringen en conclusies in de betreffende producties niet te controleren zijn. (1) De strafrechtelijke vervolging van [eiseres 1] Algemeen juridisch kader 5.3. Volgens vaste rechtspraak heeft een voormalig verdachte in een civielrechtelijke procedure op grond van onrechtmatige daad twee mogelijkheden om van de Staat vergoeding te vorderen van de schade die hij als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden. 5.3.1. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van aanvang af een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv heeft ontbroken (de a-grond ). De vraag of ter zake van het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop dat optreden plaats had en niet aan de hand van de kennis van na het strafvorderlijk optreden. 5.3.2. In de tweede plaats kan zich het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte (de b-grond ). 5.3.3. Het gaat in beide gevallen om een restrictief criterium, waarbij enerzijds uitgangspunt is dat de Staat niet risicoaansprakelijk is voor strafrechtelijk optreden en anderzijds dat het onwenselijk is als de civiele rechter gedwongen is achteraf te oordelen over vragen die bij uitstek ter beoordeling zijn van de strafrechter. Het beroep op de a-grond 5.4. [eiseressen] hebben ter onderbouwing van het beroep op de a-grond aangevoerd dat [eiseres 1] geheel is vrijgesproken, dat zij altijd te goeder trouw heeft gehandeld en dat het OM haar rol als advocaat niet goed heeft begrepen. Volgens [eiseressen] had een redelijk handelend officier van justitie [eiseres 1] niet als verdachte mogen aanmerken. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank gaan [eiseressen] hiermee echter voorbij aan het feit dat de verdenking jegens [eiseres 1] eerder is getoetst door de rechter-commissaris en de bijzondere raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling rechtmatig geacht en de bewaring van [eiseres 1] bevolen en de raadkamer heeft geoordeeld dat een zodanige verdenking tegen [eiseres 1] bestond dat het beklag tegen in beslag genomen stukken ongegrond werd verklaard. De Staat heeft terecht aangevoerd dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken eraan in de weg staat dat de juistheid van beslissingen van de rechter-commissaris en de raadkamer wordt getoetst in een civiele procedure. Van de situatie dat van aanvang af een rechtvaardiging voor de vervolging van [eiseres 1] heeft ontbroken, is dus geen sprake. Daarom slaagt het beroep op de a-grond niet. Het beroep op de b-grond 5.6. [eiseressen] hebben daarnaast betoogd dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) [eiseres 1] van alle ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken en dat uit de motivering van die vrijspraak haar onschuld blijkt. Zo heeft het hof volgens [eiseressen] overwogen dat: - een advocaat die een cliënt (die formeel de wet overtreedt) advies verleent, gedoogbrieven aanvraagt en intra concern-contracten maakt, niet de Wok overtreedt; - een advocaat die advies geeft en contracten maakt voor een partij die formeel de wet overtreedt, zich niet schuldig maakt aan witwassen; - [eiseres 1] desgevraagd de juiste gegevens heeft verstrekt en geen valsheid in geschrifte heeft gepleegd; - [eiseres 1] niet wist dat sprake was van een schijnconstructie; en - het verrichten van advieswerkzaamheden aan een partij die formeel in strijd handelt met de wet, geen deelneming aan criminele organisatie oplevert. 5.7. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het arrest niet, althans niet ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten, de onschuld van [eiseres 1] blijkt, maar dat het een ‘gewone vrijspraak’ is. De vrijspraak van [eiseres 1] steunt volgens de Staat op de afwezigheid van voldoende bewijs voor schuld, en niet op de aanwezigheid van bewijs voor onschuld. Dat laatste is wel nodig wil een beroep op de b-grond slagen. 5.8. Bij de beoordeling van de stellingen van partijen moet de rechtbank uitleg geven aan het arrest waarbij [eiseres 1] is vrijgesproken. Deze uitleg zal, in verband met de aard van een rechterlijke uitspraak, naar objectieve maatstaven moeten plaatsvinden. De uitleg van een overweging of het dictum van een rechterlijke uitspraak geschiedt in het licht van de gehele tekst van de uitspraak. Daarbij mogen ook maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden gehanteerd. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling of uit het strafvorderlijk onderzoek van de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken, niet bevoegd zijn eigen oordeel omtrent de uitleg van in de betrokken delictsomschrijving voorkomende bestanddelen in de plaats te stellen van dat van de strafrechter. De burgerlijk rechter dient zich daarbij te beperken tot de uitspraak van de strafrechter. Bovendien mag de burgerlijke rechter daarbij niet treden in een (nader) onderzoek naar de gedragingen van de verdachte in verband met het strafbare feit waarop de verdenking betrekking had. Wel mag de burgerlijke rechter, ingeval het vrijsprekend vonnis dienaangaande geen duidelijkheid verschaft, mede aan de hand van de volgens hem juiste uitleg van de (bestanddelen van de) delictsomschrijving beoordelen of uit het vrijsprekend vonnis of het strafdossier blijkt van de onschuld. 5.9. Het oordeel van het hof moet worden uitgelegd in de context van de tenlastelegging. Aan [eiseres 1] zijn – samengevat – vijf strafbare feiten ten laste gelegd. De rechtbank zal het oordeel van het hof bespreken in de volgorde die het hof heeft aangehouden en per feit beoordelen of daaruit de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Feit 5: overtreding van de Wok 5.10. De verdenking hield – in de woorden van het hof – in dat [eiseres 1] in haar werkzaamheden als advocaat, waarbij zij zich presenteerde als expert op het gebied van kansspelen, de grenzen van wat een advocaat mag heeft overschreden door bewust zaken anders voor te spiegelen dan ze feitelijk waren. Door haar voorbereide en opgestelde contracten tussen vennootschappen zouden niet de werkelijke verhoudingen weerspiegelen en aan de Ksa zou zij niet de juiste informatie hebben doorgegeven over wie beleidsbepaler was binnen de vennootschappen van haar cliënten. 5.11. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van dit feit – onder meer – het volgende overwogen: - De vennootschappen (naar buitenlands recht) [vennootschap 3] Ltd, [vennootschap 1] Ltd en [vennootschap 1] SA hebben zonder vergunning online kansspelen aangeboden en daardoor artikel 1, eerste lid, onder a van de Wok overtreden (samengevat, p. 30-35). - ‘ Met betrekking tot het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning stelt het hof vast dat [eiseres 1] vanaf begin 2009 werkzaamheden is gaan verrichten met betrekking tot [vennootschap 2] B.V., het aanbieden van kansspelen en de organisatiestructuur waarbinnen het aanbieden van online kansspelen plaatsvond. Op dat moment bestonden reeds de vennootschappen binnen die structuur, en met name [vennootschap 3] Networks Ltd, [vennootschap 3] Ltd, [vennootschap 1] Ltd en [vennootschap 1] SA. Het aanbieden van online kansspelen in Nederland door die vennootschappen vond op dat moment al enkele jaren plaats en is na het begin van haar adviseurschap niet wezenlijk gewijzigd.’ (p. 36) - ‘ Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof echter niet dat [eiseres 1] een materiële en intellectuele bijdrage heeft geleverd aan het zonder vergunning online aanbieden van kansspelen zelf en daarin nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Uitvoeringshandelingen met betrekking tot het aanbieden van online kansspelen werden niet door haar verricht, maar door anderen (…). Zij oefende in de bedrijfsvoering geen feitelijke zeggenschap uit. Dat [eiseres 1] zich in 2011 en 2012, in haar hoedanigheid van advocaat, heeft beziggehouden met het opstellen van contracten tussen [vennootschap 2] B.V./ [vennootschap 4] en [vennootschap 4] / [vennootschap 1] SA, of het onderhouden van contacten met de Ksa ten behoeve van het verkrijgen van de zogenaamde 'comfort letter' doet daaraan niet af, nu deze werkzaamheden op zichzelf niet van invloed waren op het online aanbieden van kansspelen. De omstandigheid dat [eiseres 1] advies en juridische bijstand heeft verleend aan haar cliënt(en) betekent naar het oordeel van het hof niet dat zij daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de bedrijfsvoering van die cliënt(en). Dat zij wellicht een goede relatie onderhield met die cliënt(en) evenmin. Bovendien acht het hof niet bewezen dat het opzet van [eiseres 1] , in welke vorm dan ook, was gericht op het (mede)plegen van overtreding van de Wok.’ (p. 36) - ‘ Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat [eiseres 1] zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 5 primair tenlastegelegde tezamen en in vereniging met anderen zonder vergunning aanbieden van kansspelen via internet en spreekt haar daarvan vrij.’ (p. 36). - ‘ Evenmin acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [eiseres 1] medeplichtig is geweest bij / tot het zonder vergunning aanbieden van kansspelen via internet, zoals haar na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 5 subsidiair is tenlastegelegd. (…) Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, acht het niet bewezen dat het opzet van [eiseres 1] , in welke vorm dan ook, was gericht op het overtreden van de Wok.’ (p. 36-37) 5.12. De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven genoemde overwegingen de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Het hof heeft geoordeeld dat het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen behoorde tot bedrijfsvoering van de genoemde vennootschappen. Aan die bedrijfsvoering heeft [eiseres 1] echter geen bijdrage geleverd en ze had geen feitelijke zeggenschap in de onderneming. Het verlenen van advies en juridische bijstand in haar hoedanigheid van advocaat vormde naar het oordeel van het hof geen wezenlijke bijdrage aan de bedrijfsvoering. Bovendien is niet bewezen dat [eiseres 1] opzet had (in welke vorm dan ook) op het overtreden van de Wok, zodat ook geen sprake was van medeplichtigheid. De rechtbank concludeert dat het hof kennelijk van oordeel was dat [eiseres 1] op zodanige afstand stond van de bedrijfsvoering (het zonder vergunning online aanbieden van kansspelen) dat haar daarvan geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarmee is dus achteraf vastgesteld dat deze verdenking jegens [eiseres 1] ongefundeerd was en is haar onschuld op dit punt gebleken. Feit 2: witwassen van geldbedragen 5.13. De verdenking hield in dat [eiseres 1] zich schuldig had gemaakt aan gewoonte- dan wel (schuld)witwassen van het geld dat is verdiend met het opzettelijk in strijd met de Wok aanbieden van online kansspelen, en dus van misdrijf afkomstig is. 5.14. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van dit feit – onder meer – het volgende overwogen: - ‘ Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de WED. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus van misdrijf afkomstig. [eiseres 1] was bekend met de herkomst van die inkomsten.’ (p. 37) - ‘ Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat opzettelijke overtreding van de Wok als een strafbaar feit, een misdrijf, kan worden gekwalificeerd. Dit betekent dat het geld dat is verdiend met het opzettelijk in strijd van de Wok aanbieden van online kansspelen, uit misdrijf afkomstig is.’ (p. 42) - ‘ Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte weliswaar op de hoogte was van de herkomst van de gelden, maar niet dat zij enige handeling van betekenis heeft verricht met betrekking tot de concrete geldbedragen die via Buckaroo en [vennootschap 2] B.V. hun weg vonden naar crediteuren, spelers van kansspelen, rechtspersonen, de leidinggevenden van [vennootschap 2] en anderen. Daarnaast acht het hof niet bewezen dat het opzet van de verdachte, in welke vorm dan ook, was gericht op het (gronddelict) opzettelijk overtreden van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok. De verdachte heeft slechts in haar hoedanigheid van advocaat haar cliënt(en) voorzien van advies en juridische bijstand. Dat zij daarbij niet te goeder trouw zou hebben gehandeld is het hof niet gebleken. Gelet hierop, acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoonte- dan wel (schuld)witwassen in een van de tenlastegelegde varianten, zodat zij van het onder 2, primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.’ (p. 42) 5.15. De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven genoemde overwegingen de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Voor witwassen is immers vereist dat een verdachte feitelijke handelingen verricht met betrekking tot de witgewassen goederen. In dit geval is [eiseres 1] naar het oordeel van het hof niet feitelijk betrokken geweest bij de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, ook al was zij op de hoogte van de herkomst van de verdiende gelden. Opzet op overtreding van de Wok is niet bewezen. Ook in dit verband heeft het hof haar rol als advocaat in ogenschouw genomen: [eiseres 1] was slechts betrokken in haar hoedanigheid van advocaat en heeft haar cliënten voorzien van advies en juridische bijstand. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het handelen van [eiseres 1] werd gerechtvaardigd door haar beroepsmatige betrokkenheid. Het strafrechtelijke verwijt dat haar werd gemaakt was dus ongefundeerd. De rechtbank ziet hierin een positieve vaststelling van haar onschuld. Feit 3: valsheid in geschrift (e-mailcorrespondentie) 5.16. De verdenking hield – in de woorden van het hof – in dat [eiseres 1] in de e-mailcontacten met de Ksa heeft verhuld wie daadwerkelijk beleidsbepaler was van [vennootschap 1] SA, respectievelijk wie aanbieder was van de kansspelen op de website Amsterdamscasino.com. 5.17. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van dit feit – onder meer – het volgende overwogen: - ‘ Vaststaat dat ten tijde in geding mevrouw [naam 2] ingeschreven stond als statutair bestuurder van [vennootschap 1] SA. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat degene die in de betreffende registers als statutair bestuurder van een vennootschap staat ingeschreven primair heeft te gelden als beleidsbepaler binnen die vennootschap. Formeel is de statutair bestuurder bevoegd de vennootschap bindende en de bedrijfsvoering aangaande beslissingen te nemen. Dat de Ksa wilde weten wie de feitelijke leiding uitoefende binnen [vennootschap 1] SA, maakt de door [eiseres 1] verstrekte informatie niet onjuist of vals. De vermelding van 'heer' in plaats van ' mevrouw' [naam 2] acht het hof daarbij niet van zodanige betekenis dat enkel hierom sprake zou zijn van valsheid in geschrift.’ (p. 42) - ‘ Dat ook op dit punt de Ksa wellicht bedoelde te vragen naar degene die daadwerkelijk leiding gaf aan de uitvoeringshandelingen, nodig voor het aanbieden van de online kansspelen, blijkt niet. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van het in strijd met de waarheid of werkelijkheid opmaken van schriftelijke mededelingen.’ (p. 43) - ‘ Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift zoals tenlastegelegd, en spreekt haar daarvan vrij.’ (p. 43). 5.18. De Staat heeft erkend dat op dit punt van de tenlastelegging de onschuld van [eiseres 1] uit het arrest blijkt. Ook de rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven genoemde overwegingen de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Het tamelijk concrete verwijt dat [eiseres 1] werd gemaakt (vermelding van ‘de heer’ in plaats van ‘mevrouw’) is volgens het hof geen valsheid in geschrift. De verdenking was dus ongefundeerd. De rechtbank ziet hierin een positieve vaststelling van de onschuld van [eiseres 1] . Feit 4: valsheid in geschrift (contracten) 5.19. De verdenking hield in dat [eiseres 1] opzettelijk valse contracten heeft opgemaakt. Het gaat om contracten van 21 februari 2012, tussen enerzijds [vennootschap 4] en [vennootschap 1] SA en anderzijds tussen [vennootschap 4] en [vennootschap 2] B.V. De valsheid zou volgens de tenlastelegging erin zijn gelegen dat in de contracten in strijd met de werkelijkheid werd voorgedaan alsof [vennootschap 1] SA werkzaamheden uitbesteedt aan [vennootschap 4] , [vennootschap 4] werkzaamheden uitbesteedt aan [vennootschap 2] B.V., en dat [vennootschap 4] advieswerkzaamheden zal verrichten voor [vennootschap 1] SA. 5.20. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van dit feit – onder meer – het volgende overwogen: - ‘ In oktober 2011 heeft [naam 1] vervolgens bij hem thuis een bespreking georganiseerd, waar meerdere personen bij aanwezig waren. Naast [naam 1] zelf, waren dat onder meer [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [eiseres 1] en [naam 9] . De bedoeling van deze bijeenkomst was om de verhoudingen tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 4] en [vennootschap 1] SA te bespreken en in het bijzonder de rekening-courantschuld, zo blijkt uit de verklaringen van [naam 4] , [naam 5] en [eiseres 1] . Volgens [naam 4] bleek tijdens de bespreking dat het de bedoeling was om contracten op te maken tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] teneinde de geldstromen te rechtvaardigen. Ook had [naam 1] bedacht dat [vennootschap 4] een deel van de aandelen in [vennootschap 2] B.V. zou verkrijgen, dit om de schuld aan [vennootschap 4] (deels) in te lossen en dus de rekening-courantschuld te doen inlossen. Uit de inbeslaggenomen gespreksnotities blijkt verder dat is gesproken over een nieuwe manier van factureren om de zakelijkheid van de omzetten van [vennootschap 2] B.V. beter te kunnen rechtvaardigen en dat deze facturering zou moeten plaatsvinden op grond van op te stellen contracten tussen [vennootschap 2] B.V. en [vennootschap 4] enerzijds en [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] anderzijds. [naam 7] heeft verklaard dat [naam 4] en [naam 5] er op hamerden dat er daadwerkelijk betalingen gedaan moesten worden richting [vennootschap 4] in verband met de door [vennootschap 4] gedane investering. Anders zou het ongeloofwaardig overkomen, aldus [naam 7] . Bij de bespreking waren er geen vertegenwoordigers aanwezig van [vennootschap 1] SA ( [naam 10] ) en [vennootschap 4] ( [naam 11] ), zo blijkt uit de gespreksnotities en de genoemde verklaringen.’ (p. 44-45) - ‘ Na de bespreking van oktober 2011 heeft [eiseres 1] , die de contracten zou opstellen, intensief gecorrespondeerd met [naam 1] en de overige deelnemers aan de vergadering met betrekking tot de gegevens die moesten worden opgenomen in de contracten, welk percentage voor welke vennootschap zou gelden en hoe hoog dat percentage zou moeten zijn en wie welke taak op zich zou nemen. Ook bij deze correspondentie zijn [naam 10] en [naam 11] niet betrokken. Zij worden enkel genoemd als degenen die de contracten moeten ondertekenen. Nadat de contracten zijn ondertekend door [naam 11] en [naam 1] hebben op 4 juni 2012 en augustus 2012 twee besprekingen plaatsgevonden. Ook hierbij waren [naam 11] en [naam 10] niet aanwezig. Tijdens deze besprekingen is gesproken over de noodzaak om de klantrelatie tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] 'meer body' te geven en 'er echter uit te laten zien.’ (p. 45) - ‘ In het voorgaande ziet het hof, evenals de rechtbank, bevestiging dat [naam 10] en [naam 11] weliswaar op papier bestuurders waren van [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] (voorheen IPS), maar dat zij feitelijk geen zeggenschap hadden. Degenen die de volledige controle zeggenschap hadden binnen deze vennootschappen waren [naam 1] en [naam 3] . In feite waren [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] lege hulzen.’ (p. 45) - ‘ Gelet op al deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er onder meer met betrekking tot de verhouding tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 4] en [vennootschap 1] SA, sprake was van een schijnconstructie, waarbij de ogenschijnlijke zelfstandige posities van [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] en hun formele bestuurders [naam 10] en [naam 11] zijn gebruikt om te verhullen dat alle zeggenschap over deze vennootschappen en over de geldstromen bij [naam 1] en [naam 3] lag.’ (p. 45) - ‘ Naar het oordeel van het hof is het opstellen van de contracten tussen [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] en tussen [vennootschap 4] en [vennootschap 2] B.V. een opzet geweest teneinde te verhullen dat [naam 1] en [naam 3] , controle en zeggenschap hadden over al het geld dat vanuit online kansspelen bij [vennootschap 2] B.V. binnenstroomde. De schijnconstructie zorgde ervoor dat het geld verdiend leek te zijn met dienstverlening en niet met illegale online kansspelen. Omdat de genoemde contracten naar het oordeel van het hof onderdeel waren van en als doel hadden de schijnconstructie te verhullen, acht het hof bewezen dat de contracten in strafrechtelijke zin volledig vals zijn (vgl. Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1392).’ (p. 45) 5.21. Het hof heeft ten aanzien van de rol van [eiseres 1] – onder meer – het volgende overwogen. - ‘ Volgens [eiseres 1] werd aan haar een bestaande situatie gepresenteerd met betrekking tot de verhoudingen tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 4] en [vennootschap 1] SA en mocht zij er in haar rol als advocaat op vertrouwen dat dit klopte.’ (p. 46) - ‘ Het hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [eiseres 1] wist dan wel had moeten weten dat in strijd met de werkelijkheid in de contracten is opgenomen dat de werkzaamheden door [vennootschap 4] en [vennootschap 2] B.V. zouden worden uitgevoerd per 1 januari 2012 (de effectieve ingangsdatum van de contracten). Voor zover [eiseres 1] al op de hoogte was van de hiervoor geschetste schijnconstructie, kan aan haar niet worden verweten dat zij hieraan heeft meegewerkt door bijvoorbeeld de contracten te antedateren. In de contracten is opgenomen dat [vennootschap 4] en [vennootschap 2] B.V. per 1 januari 2012 de werkzaamheden zouden gaan uitvoeren en de ondertekendatum van de contracten lag op 21 februari 2012, beide in de toekomst. Dat de overeengekomen werkzaamheden nimmer zouden worden uitgevoerd dan wel nimmer zijn uitgevoerd, is niet een omstandigheid waarvan [eiseres 1] op de hoogte was of waarvoor zij verantwoordelijk kon worden gehouden.’ (p. 46) - ‘ De omstandigheid dat er op 4 juni 2012 en in augustus 2012 besprekingen zijn geweest waarbij de klantrelatie tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] is besproken en waarbij [eiseres 1] zou hebben gezegd dat er 'meer substantie en meer e-mailverkeer' nodig was tussen [vennootschap 2] B.V., [vennootschap 1] SA en [vennootschap 4] , doet aan het voorgaande niet aan af. [eiseres 1] heeft hierover verklaard dat zij niet zeker weet of zij dit heeft gezegd, maar dat het in het algemeen zo is dat binnen intra-concernverhoudingen de onderlinge overeenkomsten niet altijd goed worden nagekomen en dat het dus iets is wat zij vaker zegt tegen cliënten. Gelet op haar rol en functie van advocaat vindt het hof deze stelling van [eiseres 1] niet onaannemelijk.’ (p. 46) - ‘ Op grond van het dossier kan voorts niet worden vastgesteld dat [eiseres 1] enige feitelijke invloed had op wat er gebeurde binnen de vennootschappen van de organisatie en/of dat zij controle had over de geldstromen tussen en de vennootschappen.’ (p. 46) - ‘ Gelet op het voorgaande staat volgens het hof niet vast dat [eiseres 1] opzettelijk in strijd met de waarheid in de contracten heeft opgenomen dat er werkzaamheden door [vennootschap 4] en/of [vennootschap 2] zouden worden verricht en/of uitbesteed.’ (p. 46) 5.22. De overwegingen van het hof komen naar het oordeel van de rechtbank in de kern op het volgende neer. 5.22.1. Er was sprake van een schijnconstructie. Die schijnconstructie had tot doel te verhullen wie degenen waren die de controle en zeggenschap hadden over al het geld dat uit de online kansspelen bij [vennootschap 2] B.V. binnenstroomde. De schijnconstructie werd gecreëerd met behulp van de contracten die [eiseres 1] had opgesteld, door daarin bestuurders te vermelden die feitelijk geen zeggenschap hadden en ervoor te zorgen dat het geld verdiend leek te zijn met dienstverlening en niet met illegale online kansspelen. 5.22.2. De betrokkenheid van [eiseres 1] bestond uit het opstellen van de contracten en het bijwonen van besprekingen. De tenlastelegging heeft zich toegespitst op het verwijt dat in de contracten – in strijd met de werkelijkheid – staat dat werkzaamheden werden uitbesteed en advieswerkzaamheden werden overeengekomen. Daarover heeft het hof overwogen dat [eiseres 1] niet op de hoogte was van de omstandigheid dat de overeengekomen werkzaamheden nimmer zouden worden uitgevoerd of zijn uitgevoerd en dat ze daarvoor evenmin verantwoordelijk kon worden gehouden. Hoewel de ingangsdatum van de werkzaamheden vóór de datum van ondertekening lag, kan niet worden vastgesteld dat [eiseres 1] wist of had moeten weten dat dit in strijd met de werkelijkheid was. Ook kan haar niet worden verweten dat ze aan de genoemde schijnconstructie heeft meegewerkt door bijvoorbeeld de contracten te antedateren. Over de uitlatingen die [eiseres 1] zou hebben gedaan tijdens latere besprekingen (juni en augustus 2012) heeft [eiseres 1] verklaard dat zij dit soort dingen vaker zegt tegen cliënten, en die verklaring is, gezien haar rol en functie van advocaat, niet onaannemelijk. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat [eiseres 1] enige feitelijke invloed had op de bedrijfsvoering of controle had over de geldstromen. Gelet op dit alles, zo oordeelt het hof, staat niet vast dat [eiseres 1] opzettelijk valse contracten heeft opgesteld. 5.23. Het arrest bevat formuleringen die de mogelijkheid van strafbaar handelen door [eiseres 1] open laten en uitdrukking geven aan de conclusie dat daarvoor onvoldoende bewijs is geleverd (‘kan niet worden vastgesteld dat’, ‘staat niet vast dat’). De rechtbank acht deze formuleringen echter niet doorslaggevend, omdat het gaat om standaardformuleringen die de strafrechter hanteert bij zijn wettelijke taak om te beoordelen of het beschikbare bewijsmateriaal voldoende is voor een bewezenverklaring. 5.24. Tegelijk bevat het arrest meerdere overwegingen die concreet zijn toegesneden op de rol van [eiseres 1] en zonder voorbehoud zijn geformuleerd. Uit die overwegingen blijkt dat het hof expliciet van oordeel was dat [eiseres 1] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor een schijnconstructie die door haar cliënten is opgetuigd, ook niet als daarvoor gebruik is gemaakt van contracten die door [eiseres 1] zijn opgesteld. Ondanks haar rol en functie van advocaat en haar aanwezigheid bij de bespreking in 2011 was [eiseres 1] naar het oordeel van het hof er niet van op de hoogte dat de werkzaamheden die in de contracten werden overeengekomen nooit zouden worden uitgevoerd of nooit zijn uitgevoerd. In haar rol en functie van advocaat is [eiseres 1] door het OM verweten dat zij een ‘facilitator’ was, maar juist in die – invloedrijke – hoedanigheid spreekt het hof [eiseres 1] uitdrukkelijk vrij. Deze expliciete overweging, die bovendien ziet op de kern van het ten laste gelegde feit, draagt in dit geval bij aan het oordeel van de rechtbank dat het hof de onschuld van [eiseres 1] positief heeft willen vaststellen. 5.25. De rechtbank concludeert uit dit alles dat het hof [eiseres 1] niet verantwoordelijk heeft willen houden voor het feit dat de door haar opgestelde contracten zijn gebruikt voor het optuigen van een schijnconstructie. De verdenking was dus ongefundeerd. De rechtbank ziet hierin een positieve vaststelling van de onschuld van [eiseres 1] . 5.26. De Staat heeft nog aangevoerd dat uit verklaringen van getuige [naam 7] blijkt dat het bij de bespreking in oktober 2011 voor alle aanwezigen (dus ook voor [eiseres 1] ) duidelijk was dat sprake was van een schijnconstructie. Dat argument treft echter geen doel. Hoewel de rechtbank – naast het strafvonnis – ook acht mag slaan op het onderliggende procesdossier, mag zij als burgerlijk rechter niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten en opnieuw op basis van getuigenverklaringen beoordelen of bij [eiseres 1] wetenschap bestond van de schijnconstructie. Het hof heeft de verklaringen van [naam 7] meegewogen in zijn oordeel en geconcludeerd dat [eiseres 1] niet op de hoogte was van het feit dat de overeengekomen werkzaamheden nimmer zouden worden uitgevoerd en dat ze daarvoor evenmin verantwoordelijk kon worden gehouden. Het gaat de bevoegdheid van de rechtbank te buiten om op basis van diezelfde getuigenverklaring tot een ander oordeel te komen of de motivering of het oordeel van het hof op dit onderdeel aan te vullen. Feit 1: deelname aan criminele organisatie 5.27. De verdenking hield in dat [eiseres 1] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie of daaraan medeplichtig is geweest, door – kort gezegd – verkeerde informatie te verstrekken aan de Ksa over de beleidsbepaler van [vennootschap 1] , haar facturen niet aan haar cliënt maar aan de belastingadviseur te richten en betrokken is geweest bij overleg over het opzetten van de hiervoor genoemde schijnconstructie. 5.28. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van dit feit – onder meer – het volgende overwogen: - ‘ Het hof komt met de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een criminele organisatie (…).’ (p. 47) - ‘ Het hof is verder van oordeel dat de hiervóór omschreven organisatie vanaf het begin (vanaf 2004) het oogmerk (het doel) had het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee het opzettelijk overtreden van de Wok. Het hof stelt vast dat het oogmerk op het aanbieden van online kansspelen in Nederland in strijd met de wet een crimineel oogmerk was.’ (p. 48) - ‘ Zoals overwogen in het kader van de bespreking van zaaksdossier 1 inzake overtreding van de Wet op de kansspelen, acht het hof niet bewezen dat [eiseres 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het aanbieden van kansspelen in Nederland zonder vergunning. Niet kan worden vastgesteld dat de advieswerkzaamheden die zij heeft verricht als advocaat strafrechtelijk verwijtbare werkzaamheden zijn geweest in het licht van de tenlastegelegde feiten.’ (p. 49-50) - ‘ Het hof is van oordeel dat dit ook geldt voor wat betreft de tenlastegelegde deelneming aan de criminele organisatie. Hoewel kan worden vastgesteld dat zij op de hoogte was van het oogmerk van de organisatie, te weten: het aanbieden van online kansspelen in Nederland zonder vergunning, kunnen de advieswerkzaamheden die zij heeft verricht op juridisch gebied, niet worden gekwalificeerd als werkzaamheden die aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie hebben bijgedragen dan wel dit concreet hebben ondersteund.’ (p. 50) - ‘ Het hof verwerpt in dit kader ook de stelling van het Openbaar Ministerie dat [eiseres 1] een bijdrage aan de organisatie heeft geleverd door deze met raad en daad bij te staan op het moment dat in juli 2012 de vordering bij [bedrijfsnaam] binnenkwam, een stappenplan op te stellen dat bij het personeel van [naam 1] en [naam 3] werd gepresenteerd over wat te doen bij een inval van politie en justitie en door aan [naam 1] haar eigen advocatentelefoon uit te lenen op de dag van de doorzoekingen op 24 mei 2013. Het is niet ongebruikelijk dat een organisatie – indien geconfronteerd met een vordering bij een derde en een eventuele doorzoeking van het kantoor – advies zoekt bij haar advocaat. Indien een advocaat zoals [eiseres 1] op die punten advies verleent, maakt dit niet dat zij hiermee een daadwerkelijke bijdrage heeft geleverd aan het doel van de criminele organisatie. Voor zover het gedrag van [eiseres 1] op deze punten een advocaat onwaardig zouden zijn, zoals het Openbaar Ministerie betoogt, valt dit naar het oordeel van het hof nog niet zonder meer onder het strafrechtelijke verwijt van deelneming aan de criminele organisatie van [naam 1] , [naam 3] en anderen. [eiseres 1] wordt dan ook vrijgesproken van de onder l primair tenlastegelegde deelneming aan die criminele organisatie.’ (p. 50). - ‘ Ook medeplichtigheid aan deelneming aan die criminele organisatie acht het hof niet bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte, in welke vorm dan ook, was gericht op het gronddelict deelneming aan een criminele organisatie.’ (p. 50) 5.29. De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven genoemde overwegingen de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat [eiseres 1] advieswerkzaamheden heeft verricht als advocaat en dat haar daarvan geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zelfs als haar gedrag een advocaat onwaardig zou zijn, dan is daarmee naar het oordeel van het hof niet gezegd dat ze daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd aan het doel van de criminele organisatie. Het feit dat het hof ten aanzien van de medeplichtigheid heeft overwogen dat het opzet van [eiseres 1] ‘niet kan worden bewezen’ betekent niet dat het hof het opzet in het midden heeft gelaten bij gebrek aan voldoende bewijs. Zoals hiervoor is overwogen behoort ook die uitdrukking tot de standaardformuleringen die de strafrechter hanteert bij de beoordeling of het beschikbare bewijsmateriaal voldoende is voor een bewezenverklaring. De rechtbank is van oordeel dat deze overweging in de context van en in samenhang met de daaraan voorafgaande alinea’s moet worden gelezen en concludeert dat het hof [eiseres 1] , gelet op haar rol van advocaat en haar wetenschap, onschuldig heeft geacht aan deelname aan de criminele organisatie. Tussenconclusie 5.30. Het beroep van [eiseres 1] op de b-grond slaagt: uit het arrest is gebleken dat ze onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten. Dat betekent dat de Staat aansprakelijk is jegens [eiseres 1] en de schade moet vergoeden zij als gevolg van het strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden. Eigen schuld? 5.31. De Staat heeft betoogd dat de eventuele aansprakelijkheid de Staat moet worden verminderd met 100% omdat sprake is van eigen schuld van [eiseres 1] (artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW)). Door het opstellen van vals gebleken contracten, het doorgeven van de naam van een stroman/katvanger aan de Ksa, het factureren aan een niet-cliënt en het laten gebruiken van haar geheimhoudertelefoon heeft [eiseres 1] volgens de Staat bijgedragen aan het verhullen van de illegale praktijken en strafbare feiten van haar cliënten. 5.32. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. De strafrechtelijke verwijten (het opstellen van contracten en het doorgeven van een naam aan de Ksa) zijn door het hof beoordeeld en niet strafbaar geacht. De gedragsrechtelijke verwijten (het factureren aan een niet-cliënt en het laten gebruiken van een geheimhoudertelefoon) hebben geleid tot een tuchtrechtelijke maatregel van (deels voorwaardelijke) schorsing in de uitoefening van de praktijk. Het betoog van de Staat komt er feitelijk op neer dat de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vervolging (het redelijk vermoeden van schuld) ertoe moeten leiden dat [eiseres 1] een deel van de schade zelf dient te dragen. Die conclusie verdraagt zich niet met het hiervoor gegeven oordeel dat de onschuld van [eiseres 1] is gebleken. Dat oordeel houdt namelijk in dat het redelijk vermoeden van schuld destijds gerechtvaardigd was (zie de beslissingen van de rechter-commissaris) maar achteraf ongefundeerd is gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vergoedingsplicht van de Staat te verminderen. Wat betekent dit voor de vorderingen van [eiseressen] ? 5.33. De gevorderde verklaringen voor recht dat de vervolging van [eiseres 1] onrechtmatig was ( vordering I ) en dat de Staat aansprakelijk is voor de inkomensschade die [eiseres 1] daardoor heeft geleden ( vordering II ), zullen worden toegewezen in de bewoordingen die zijn vermeld in het dictum. Voor de inkomensschade zal de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen. 5.34. Voor zover de tweede verklaring voor recht ziet op [eiseres 2] zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vervolging onrechtmatig was jegens [eiseres 1] . [eiseres 2] is niet vervolgd als verdachte en jegens [eiseres 2] zijn ook geen andere strafvorderlijke dwangmiddelen ingezet. Dit betekent dat de Staat dus ook niet onrechtmatig strafvorderlijk gehandeld heeft jegens [eiseres 2] . [eiseressen] hebben aangevoerd dat [eiseres 2] de rekeningen betaalde voor de advocaatkosten die [eiseres 1] maakte. Dat leidt er echter niet toe dat de Staat voor die kosten aansprakelijk kan worden gehouden jegens [eiseres 2] . Als deze vennootschap schade heeft geleden als gevolg van de vervolging van [eiseres 1] , zal dit in hun onderlinge verhouding moeten worden afgewikkeld. Er is ook geen andere grondslag gesteld of gebleken op grond waarvan de Staat aansprakelijk kan worden gehouden jegens [eiseres 2] Daarom zullen ook de andere vorderingen worden afgewezen voor zover die zien op [eiseres 2] 5.35. [eiseressen] hebben daarnaast vergoeding gevorderd van immateriële schade die [eiseres 1] heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige vervolging ( vordering III ). Zij hebben aangevoerd dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW, waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor [eiseres 1] zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De Staat heeft dit laatste niet betwist. De rechtbank neemt – met [eiseressen] – aan dat de nadelige gevolgen bij onrechtmatige strafrechtelijke vervolging gedurende ruim tien jaren evident zijn. [eiseres 1] heeft een uitvoerige toelichting gegeven op de gevolgen die de vervolging voor haar heeft gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vervolging heeft geleid tot een aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. 5.36. [eiseressen] hebben de gevorderde vergoeding voor immateriële schade (€ 195.116) berekend naar analogie van de vergoeding voor onterechte vrijheidsbeneming op grond van de LOVS-afspraken. De rechtbank ziet echter, evenals de Staat, geen reden om die berekening te volgen. De vergoeding die op grond van artikel 533 Sv aan een verdachte kan worden toegekend ziet expliciet op vrijheidsbeneming. Die regeling kan niet dienen als uitgangspunt bij vergoeding van immateriële schade na onrechtmatige vervolging. Uit de jurisprudentie blijkt dat in min of meer vergelijkbare gevallen doorgaans een veel lagere vergoeding wordt toegekend (variërend tussen € 7.000 en € 20.000). De rechtbank stelt de schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 15.000, waarbij vooral de lange duur van de strafvervolging gewicht in de schaal legt. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2014 (de dag waarop [eiseres 1] werd aangehouden), omdat op die dag de aantasting in de persoon op ander wijze is begonnen en de aanwezigheid van – enige – immateriële schade kan worden verondersteld. 5.37. Met vordering IV hebben [eiseressen] vergoeding gevorderd van de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt als gevolg van de strafrechtelijke vervolging. De vordering van € 701.126,88 bestaat uit € 450.195,74 voor kosten rechtsbijstand, € 27.758 als inflatiecorrectie voor de kosten rechtsbijstand, € 40.253,17 voor de rentekosten voor de lening rechtsbijstand, € 140.666,79 voor vergoeding van het tijdverzuim van [eiseres 1] , € 7.531 als inflatiecorrectie voor het tijdverzuim, € 2.836,96 aan reiskosten, € 9.100 voor schade door het voorarrest en € 22.965,22 voor advocaatkosten die [eiseres 1] heeft gemaakt in de artikel 530/533 Sv-procedures. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] toegelicht dat deze vergoedingen worden gevorderd op grond van artikel 6:162 BW. 5.38. [eiseressen] hebben vergoeding van deze kosten ook gevorderd in de 530/533 Sv-procedures, maar ten aanzien van deze kosten is het verzoek afgewezen. De gevraagde vergoeding voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht is wel toegewezen, namelijk tot een forfaitair berekend bedrag van € 1.820. 5.39. Over de verhouding tussen artikel 533 Sv en de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW heeft de Hoge Raad recent een arrest gewezen. Daarin overweegt de Hoge Raad dat (de voorganger van) artikel 533 Sv niet eraan in de weg dat de gewezen verdachte (alsnog) een vordering instelt bij de burgerlijke rechter op de voet van artikel 6:162 BW. Daarbij kan de gewezen verdachte, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5 lid 5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover hij ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsbeneming schade heeft geleden, aanspraak maken op volledige vergoeding daarvan. Een op de voet van artikel 533 Sv toegekende tegemoetkoming strekt in mindering op het bedrag van de door de burgerlijke rechter toe te wijzen schadevergoeding. De burgerlijke rechter kan, indien daarvoor grond is, uit hoofde van onrechtmatige daad een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijzen dan de strafrechter in de artikel 533 Sv-procedure heeft gedaan. De burgerlijke rechter is daarbij niet gebonden aan de op de billijkheid gebaseerde overwegingen van de strafrechter. 5.40. Hoewel artikel 530 Sv, dat ziet op een vergoeding voor gemaakte kosten, in het genoemde arrest niet aan de orde was, acht de rechtbank de overwegingen van de Hoge Raad daarop van overeenkomstige toepassing. Dat artikel is immers onderdeel van dezelfde wettelijke regeling en is gebaseerd op dezelfde maatstaf, namelijk of gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de gevraagde vergoeding. 5.41. De rechtbank is dus bevoegd om inhoudelijk op vordering IV van [eiseressen] te beslissen en zij is daarbij niet gebonden aan de overwegingen van het hof in zijn beschikking van 9 april 2026 . 5.42. De Staat heeft verschillende onderdelen van de vordering gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de onderdelen hierna beoordelen en daarbij nader ingaan op de stellingen van partijen. Kosten rechtsbijstand (€ 450.195,74) 5.43. [eiseressen] hebben de vordering onderbouwd met de facturen van advocaten die werkzaamheden hebben verricht in het kader van de strafvervolging. De Staat heeft de omvang van deze facturen niet betwist. Hij heeft slechts aangevoerd dat de kosten van rechtsbijstand bij het voorlopig getuigenverhoor (€ 6.700) niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat die procedure voorziet in een kostenvergoeding en de rechtbank in de beschikking geen reden zag om een kostenveroordeling op te nemen. 5.44. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen door de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 25 november 2021. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden zag om een van de partijen in de proceskosten te veroordelen. De kosten die verbonden waren aan het indienen en behandelen van het verzoekschrift komen daarmee – gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – dus niet voor vergoeding in aanmerking. Maar ook de kosten die verbonden zijn aan de verhoren van de getuigen komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Dergelijke kosten kunnen weliswaar bij wijze van kostenveroordeling worden gevorderd in de hoofdzaak, maar dan moet het voorlopig getuigenverhoor wel hebben bijgedragen aan de beslissing in de hoofdzaak. Daarvan is in dit geval geen sprake: het voorlopig getuigenverhoor heeft geen bijdrage geleverd aan het hiervoor gegeven oordeel over het onrechtmatig handelen van de Staat en evenmin aan het hierna te geven oordeel over de onrechtmatige publicaties. Dit onderdeel van de vergoeding zal dus worden afgewezen. 5.45. Nu de vordering voor het overige niet is betwist, zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van (€ 450.195,74 - € 6.700 =) € 443.495,74. Inflatiecorrecties (€ 27.758 en € 7.531 ) 5.46. [eiseressen] hebben bedragen gevorderd als inflatiecorrectie op de gemaakte kosten van rechtsbijstand en kosten van tijdverzuim. De Staat heeft er echter terecht op gewezen dat de gevorderde wettelijke rente daar al een vergoeding voor biedt, zodat dit dubbelop is. [eiseressen] hebben dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering om die reden afwijzen. Rentekosten lening rechtsbijstand (€ 40.253,17) 5.47. [eiseressen] hebben gesteld dat [eiseres 1] kosten heeft moeten maken voor de geldlening die ze heeft afgesloten om de kosten voor rechtsbijstand te kunnen betalen. De Staat heeft deze schadepost niet betwist, zodat de rechtbank de gevraagde vergoeding zal toewijzen. Schade door tijdverzuim [eiseres 1] (€ 140.666,79) 5.48. [eiseressen] hebben vergoeding verzocht van de kosten voor tijdverzuim van [eiseres 1] . Het gaat om de uren die zij aan de strafvervolging heeft moeten besteden en ze dus niet aan haar werk kon besteden. De Staat heeft de hoogte van het gehanteerde uurtarief (€ 154,50) niet betwist, maar heeft alleen gewezen op een verschil in het aantal uren dat in de stukken is genoemd. [eiseressen] hebben ter zitting erkend dat sprake is van een schrijffout en dat niet moet worden uitgegaan van 752,43 uren, maar van 556,25 uren. Omdat de gevorderde vergoeding voor het overige niet is betwist, zal de rechtbank dit onderdeel van de vordering toewijzen tot een bedrag van (556,25 uren x € 154,50 =) € 85.940,65. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt en [eiseressen] hebben erkend, zal de eventuele inkomensschade die in de schadestaatprocedure wordt vastgesteld met dit bedrag moeten worden verminderd. Reiskosten (€ 2.836,96) 5.49. [eiseressen] hebben gesteld dat [eiseres 1] reiskosten heeft moeten maken in verband met de strafzaak. De Staat heeft deze schadepost niet betwist, zodat de rechtbank die zal toewijzen. Schade voorarrest (€ 9.100) 5.50. De vergoeding van (immateriële) schade als gevolg van het voorarrest is door de raadkamer van het hof 's-Hertogenbosch beoordeeld en deels toegewezen (€ 1.820). [eiseressen] hebben erkend dat met die vergoeding kan worden volstaan. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Advocaatkosten 530/533 Sv-procedures (€ 22.965,22) 5.51. Dit onderdeel van de vordering is door de Staat betwist. [eiseressen] hebben ter zitting meegedeeld dat op deze kosten geen aanspraak meer wordt gemaakt in deze procedure. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen. Conclusie vordering IV 5.52. De rechtbank wijst een bedrag van (€ 443.495,74 + € 40.253,17 + € 85.940,65 + € 2.836,96 =) € 572.526,52 toe en zal de vordering voor het overige afwijzen. 5.53. [eiseres 1] heeft wettelijke rente gevorderd over de door haar gemaakte kosten, vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van het onrechtmatige handelen van de Staat, is ingetreden. In deze zaak gaat het om kosten van verschillende aard, waaraan een zeer groot aantal facturen ten grondslag ligt. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd vanaf welke data wettelijke rente verschuldigd is. Het gaat de taak van de rechtbank te buiten om aan de hand van deze facturen de ingangsdatum van de wettelijke rente voor elke schadepost vast te stellen. Nu de kosten waarvoor de rechtbank een vergoeding toewijst telkens gedurende een langere tijd zijn gemaakt – grofweg tussen de datum van aanhouding van [eiseres 1] (10 april 2014) en de datum waarop het cassatieberoep werd ingetrokken en de vrijspraak onherroepelijk werd (13 december 2024) – zal de rechtbank met gebruikmaking van zijn bevoegdheid om de schade te schatten de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van de periode waarin de kosten zijn gemaakt, te weten 12 augustus 2019. 5.54. Met vordering V hebben [eiseressen] verzocht om vergoeding van de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt voor het stellen van een bankgarantie. Na haar aanhouding heeft het OM conservatoir beslag ten laste van haar gelegd onder [eiseres 3] . Voor opheffing van dit beslag moest [eiseres 1] een bankgarantie stellen. Dit heeft zij gedaan op 26 januari 2015. Zij heeft onweersproken gesteld dat de initiële kosten van de bankgarantie € 1.200 bedroegen en dat zij vervolgens een provisie heeft betaald van € 2.400 per jaar, tot juni 2023 toen de Staat afstand gedaan heeft van de bankgarantie. Nu de Staat deze vordering niet heeft betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 21.486,67 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2023. 5.55. Vordering VI ziet op de wettelijke rente over de contragarantie van € 150.000 die [eiseres 1] moest verstrekken aan de bank. Als de bank zou worden aangesproken op grond van de bankgarantie, dan kon zij zich verhalen op de door [eiseres 1] gestelde contragarantie. Daartoe heeft [eiseres 1] een bedrag van € 50.000 gestort en de zus en zwager van [eiseres 1] hebben € 100.000 gestort. [eiseres 1] zegt geen rente ontvangen te hebben ontvangen over dit bedrag, haar zus en zwager hebben slechts € 1.300 ontvangen. [eiseressen] vorderen die rente alsnog, berekend vanaf de datum van storting totdat de contragarantie werd vrijgegeven, wat neer zou komen op een bedrag van (€ 16.954,36 + € 34.493,61 =) € 51.447,97. 5.56. [eiseressen] baseren hun vordering op de regeling die gebruikelijk is bij in beslag genomen geldbedragen. Zij hebben verwezen naar onder meer artikel 11 lid 6 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en de ‘Instructie Afpakken’ van het OM. De Staat heeft echter terecht opgemerkt dat de gestelde contragarantie niet gelijk kan worden gesteld met in beslag genomen gelden. De regeling over rentevergoeding ziet uitdrukkelijk op gelden die worden bewaard door het OM, omdat dergelijke gelden rente ‘kweken’. Die rente moet door het OM aan de beslagene worden vergoed als de gelden worden teruggegeven. Een contragarantie jegens de bank is anders: het geld van [eiseres 1] en haar familieleden is gedeponeerd bij de bank, die daarop een pandrecht heeft gevestigd. Als dergelijke gelden rente opbrengen dan moet die rente door de bank aan [eiseres 1] worden vergoed indien zij daarover met de bank afspraken heeft gemaakt. De rechtbank volgt [eiseres 1] dan ook niet in haar stelling dat een bankgarantie gelijkgesteld kan worden met een depotstorting bij het OM. 5.57. In het geval de bij de bank gedeponeerde gelden al die jaren geen rente hebben opgebracht en [eiseres 1] op die manier schade heeft geleden, dan zou dat wellicht ten laste kunnen komen van de Staat. [eiseressen] hebben echter onvoldoende onderbouwd dat die situatie zich voordeed. De stelling dat de zus en zwager € 1.300 aan rente hebben ontvangen, wijst erop dat de bank kennelijk wel rente heeft vergoed. Tegen de achtergrond van deze stelling hebben [eiseressen] onvoldoende gesteld dat aan [eiseres 1] zelf in het geheel geen rente-uitkering gedaan is. Verder ziet de rechtbank niet in hoe [eiseressen] schade kunnen vorderen die door de zus en zwager van [eiseres 1] is geleden. Gelet op dit alles zal de rechtbank vordering VI afwijzen. (2) Overschrijding van de redelijke termijn 5.58. [eiseressen] vorderen een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak van € 115.733 ( vordering VII ). Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] de berekening van de overschrijding aangepast en de vordering verminderd tot € 103.680,80, te verminderen met het bedrag dat de Staat al heeft betaald. Zij hebben de vergoeding berekend op grond van 10% van de strafeis die gedurende de strafzaak boven haar hoofd hing. 5.59. De Staat heeft erkend dat de redelijke termijn is overschreden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om af te wijken van de standaardvergoeding, die inmiddels aan [eiseres 1] is betaald. 5.60. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. Met de Staat gaat de rechtbank uit van een overschrijding in eerste aanleg met twee jaar en 2,5 maanden en een overschrijding in hoger beroep met nog eens twee jaar. Voor overschrijding van de redelijke termijn wordt door de Hoge Raad een vaste vergoeding toegekend: € 500 per halfjaar overschrijding, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat geldt voor strafzaken waarin een overschrijding niet kan worden gecompenseerd in de strafmaat (zoals na een vrijspraak) en deze vergoeding wordt ook toegepast in civiele zaken. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat er in dit geval geen reden is om af te wijken van de standaardvergoeding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres 1] al een vergoeding heeft gekregen voor de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht en dat de rechtbank in deze zaak een vergoeding toekent voor immateriële schade als gevolg van de onrechtmatige vervolging. De standaardvergoeding kan worden vastgesteld op (9 x € 500 =) € 4.500. Omdat de Staat dit bedrag al aan [eiseres 1] heeft betaald, zal de vordering van [eiseressen] worden afgewezen. (3) De publicaties over [eiseres 1] 5.61. Op drie momenten heeft de Staat een publicatie naar buiten gebracht over [eiseres 1] : het persbericht na haar aanhouding (11 april 2014), een artikel in het rapport ‘ Verantwoording aanpak georganiseerde criminaliteit 2013 ’ (juni 2014) en een artikel in het OM-magazine Opportuun (oktober 2014). De laatste twee publicaties hebben grotendeels dezelfde inhoud en worden hierna ook samen ‘de artikelen’ genoemd. 5.62. [eiseressen] hebben betoogd dat deze publicaties onrechtmatig jegens hen waren en hebben daarvoor meerdere rechtsnormen aangevoerd. Zo zou er sprake zijn van smaad in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht, heeft het OM gehandeld in strijd met de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging 2012 van het OM, met de Wet Bescherming persoonsgegevens, met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM en met een maatschappelijke betamelijkheidsnorm, door onvoldoende rekening te houden met de belangen van [eiseres 1] . 5.63. De rechtbank zal de aangevoerde grondslagen echter in het midden laten, omdat zij van oordeel is dat uit het eerdere oordeel dat de vervolging onrechtmatig was, voortvloeit dat ook de publicaties onrechtmatig waren. De publicaties waren immers onderdeel van (althans lagen in het verlengde van) het strafvorderlijk optreden. De rechtbank is daarom van oordeel dat, nu gebleken is van de onschuld van eisers, ook de rechtvaardiging voor het doen uitgaan van de drie publicaties met terugwerkende kracht is komen te vervallen, zodat de Staat ook de (eventuele) schade die eisers daardoor hebben geleden, moet vergoeden. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat niet alleen de inzet van dwangmiddelen tot een schadevergoedingsplicht leidt. Ook in gevallen waarin het niet is gekomen tot de toepassing van enig strafvorderlijk dwangmiddel maar de onschuld van een gewezen verdachte is gebleken, heeft de gewezen verdachte in beginsel recht op volledige vergoeding van de geleden schade. Al naar gelang de maatschappelijke positie van de verdachte, de aard van de tegen hem gerezen verdenking, de wijze waarop deze eventueel in de publiciteit is gekomen en de verdere omstandigheden van het geval, bestaat namelijk de mogelijkheid dat reeds de enkele opsporing en vervolging tot grote schade voor de verdachte leidt wat betreft zijn of haar reputatie of anderszins. 5.64. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld wat de omvang is van de schade die [eiseres 1] heeft geleden als gevolg van de publicaties. Daarbij zal onderscheid worden gemaakt tussen het persbericht enerzijds en de artikelen anderzijds. 5.65. Anders dan [eiseressen] hebben betoogd, voldeed het persbericht aan de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging 2012. De gegevens die in het persbericht over [eiseres 1] als persoon zijn vermeld – geslacht, leeftijd, woonplaats (althans gemeente) en beroep – waren in lijn met de uitgangspunten in de Aanwijzing. Ook de vermelding van haar beroep was in lijn met het beleid. De verdenkingen jegens [eiseres 1] hielden namelijk verband met de bijstand die zij als advocaat verleende aan haar (toenmalige) medeverdachten. De vermelde informatie was bovendien als zodanig onvoldoende om [eiseres 1] herkenbaar te maken voor het grote publiek. De vermelding dat een 49-jarige vrouwelijke advocaat uit de gemeente [gemeente] was aangehouden, is daarvoor onvoldoende. Hoewel het persbericht achteraf bezien onrechtmatig was omdat de vervolging als geheel onrechtmatig was, heeft het OM ten aanzien van dit persbericht dus niet onzorgvuldig gehandeld. 5.66. Dat ligt anders ten aanzien van de beide artikelen. In de artikelen wordt onder meer de rol beschreven die [eiseres 1] zou hebben gespeeld bij het opzetten van een schijnconstructie via een internationale bedrijvenstructuur. Daarin werd [eiseres 1] , die op dat moment al met haar volledige naam was genoemd in een artikel van Quote , aangeduid als ‘consigliere’ (volgens Van Dale: raadsman van de maffia). Het past naar het oordeel van de rechtbank niet bij magistratelijke rol van het OM om dergelijke tendentieuze kwalificaties in eigen berichtgeving te gebruiken. Ook is een deel van de uitlatingen over [eiseres 1] in het artikel gedaan zonder het voorbehoud te vermelden dat slechts sprake was van een verdenking. Dat dat staat op gespannen voet met de onschuldpresumptie. In dit verband kent de rechtbank extra gewicht toe aan de omstandigheid dat de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant al op 23 april 2014 de voorlopige hechtenis had opgeheven omdat de ernstige bezwaren (sterke aanwijzingen voor een strafbaar feit) niet meer aanwezig waren. Het OM erkent bovendien zelf in het artikel dat het bij personen die verdacht worden van het ‘faciliteren’ van misdrijven lastig is om te bewijzen dat die diensten willens en wetens worden aangeboden, dat de lijn tussen cliënten bijstaan en faciliteren dun is en dat daarover maar weinig jurisprudentie bestaat. Dit alles had het OM terughoudend moeten maken als het gaat om publicaties over de verdenkingen tegen [eiseres 1] , maar in plaats daarvan heeft het OM in het artikel juist vergaande uitlatingen gedaan en een term gebruikt die misplaatst was. Dit artikel is bovendien opgenomen in een rapport dat later naar de Tweede Kamer is gestuurd en is ook opgenomen in Opportuun , het relatiemagazine van het OM. De rechtbank acht de publicatie van deze artikelen zonder meer (dus ook los van het geslaagde beroep op de b-grond) onrechtmatig. 5.67. Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding is de rechtbank, met de Staat, van oordeel dat de door [eiseressen] gevorderde bedragen ver afwijken van de bedragen die in de jurisprudentie zijn te vinden. [eiseressen] hebben in dit verband betoogd dat de immateriële schade met elke publicatie groter werd, maar daarin gaat de rechtbank niet mee. Al voor de aanhouding van [eiseres 1] als verdachte kon het strafrechtelijke onderzoek rekenen op veel publieke belangstelling en na de aanhouding van [eiseres 1] en het persbericht zijn in de media opnieuw vele berichten verschenen. Kort na het persbericht zijn op de websites van de Telegraaf en Quote artikelen verschenen waarin [eiseres 1] bij naam werd genoemd. Vanaf dat moment werd een breder publiek bekend met de vervolging van [eiseres 1] . Hoewel de publicaties daaraan ongetwijfeld hebben bijgedragen, is dit niet alleen aan de publicaties toe te schrijven. 5.68. De rechtbank is – gelet op het feit dat het OM ten aanzien van het persbericht niet onzorgvuldig heeft gehandeld en gelet op de rechterlijke uitspraken die de Staat in de conclusie van antwoord heeft vermeld – van oordeel dat voor het persbericht van 11 oktober 2014 een vergoeding van € 7.500 passend is. Ten aanzien van de beide artikelen is een hogere vergoeding op zijn plaats, omdat de publicatie van die artikelen (ook los van het geslaagde beroep op de b-grond) onrechtmatig zijn, zoals hierboven is overwogen. Voor elk artikel zal daarom een vergoeding van € 15.000 worden toegekend. Het verweer van de Staat dat één vergoeding voor beide artikelen voldoende is, wordt gepasseerd. Beide artikelen zijn inhoudelijk weliswaar gelijkluidend, maar zijn verspreid in twee verschillende kringen (namelijk enerzijds binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Tweede Kamer en anderzijds onder de relaties van het OM). 5.69. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de gevorderde verklaringen voor recht ( vorderingen VIII en IX ) zullen worden toegewezen zoals vermeld in het dictum en dat de Staat een bedrag van € 37.500 aan [eiseres 1] moet betalen als vergoeding voor de immateriële schade die zij als gevolg van het persbericht en de artikelen heeft geleden ( vordering X ). Dit zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van publicatie (in het geval van de artikelen: de laatste dag van de maand waarin de publicatie is verschenen). (4) De positie van [eiseres 3] 5.70. [eiseressen] hebben betoogd dat de Staat ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres 3] , omdat het kantoor deelt in het inkomen van [eiseres 1] en dus getroffen is door de strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de schadebeperking, die nodig was als gevolg van de vervolging en de publicaties, de compagnons tijd en geld gekost en heeft [eiseres 1] haar kansspelpraktijk niet kunnen uitbouwen, waardoor het kantoor winst is misgelopen en geen extra medewerkers heeft kunnen aannemen. 5.71. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat [eiseressen] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke norm de Staat precies zou hebben geschonden jegens [eiseres 3] . De b-grond van het Begaclaim-arrest strekt niet tot bescherming van [eiseres 3] , maar alleen tot bescherming van de gewezen verdachte zelf. Een andere grondslag is niet gesteld of gebleken. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de Staat een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres 3] . De vorderingen XI tot en met XIII die betrekking hebben op [eiseres 3] zullen daarom worden afgewezen. Proceskosten 5.72. De Staat is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseressen] worden begroot op: - kosten dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten × € 3.723,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.640,47 5.73. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verklaart voor recht dat de vervolging van [eiseres 1] onrechtmatig was en dat de Staat aansprakelijk is voor de inkomensschade die [eiseres 1] als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 6.2. veroordeelt de Staat tot betaling van € 15.000 aan [eiseres 1] als vergoeding voor de immateriële schade die [eiseres 1] heeft geleden als gevolg van de strafrechtelijke vervolging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2014 tot de dag van algehele voldoening; 6.3. veroordeelt de Staat tot betaling van € 572.526,52 aan [eiseres 1] als vergoeding voor de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt in verband met de strafrechtelijke vervolging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2019 tot de dag van algehele voldoening; 6.4. veroordeelt de Staat tot betaling van € 21.486,67 aan [eiseres 1] als vergoeding voor de kosten die [eiseres 1] heeft gemaakt in verband met de bankgarantie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2023 tot de dag van algehele voldoening; 6.5. verklaart voor recht dat het persbericht van het Openbaar Ministerie over [eiseres 1] van 11 april 2014 onrechtmatig was jegens [eiseres 1] ; 6.6. verklaart voor recht dat het artikel over [eiseres 1] , dat is opgenomen in het rapport ‘ Verantwoording aanpak georganiseerde criminaliteit 2013 ’ en in het magazine Opportuun , onrechtmatig was jegens [eiseres 1] ; 6.7. veroordeelt De Staat tot betaling van € 37.500 aan [eiseres 1] als vergoeding voor de immateriële schade die [eiseres 1] heeft gelden als gevolg van de in 6.5 en 6.6 genoemde publicaties, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.500 vanaf 11 april 2014, over € 15.000 vanaf 30 juni 2014 en over € 15.000 vanaf 31 oktober 2014, telkens tot de dag van algehele voldoening; 6.8. veroordeelt de Staat in de proceskosten van [eiseressen] van € 14.640,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.9. veroordeelt de Staat tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 6.10. verklaart de onderdelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.7, 6.8 en 6.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; en 6.11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mrs. R.C. Hartendorp, B.A. Sturm en M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. Thans het ministerie van Justitie en Veiligheid. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:814. Hof van Discipline 30 augustus 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:125. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat) Zie onder meer gerechtshof Den Haag 21 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:796, r.o. 5.9, en gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1918, r.o. 6.2. Zie onder meer HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532. HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367 (Het Financieel Dagblad), r.o. 4.4. HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526, r.o. 2.13. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat), r.o. 3.6.3. LOVS = Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hoewel deze vordering in het petitum van de akte eisvermeerdering is geformuleerd als een verklaring voor recht, hebben [eiseressen] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat wel degelijk een veroordeling tot betaling is beoogd. De Staat had de vordering ook op opgevat en daartegen verweer gevoerd. De rechtbank zal de vordering daarom uitleggen als een vordering tot betaling. Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679, r.o. 4.2.1 - 4.3. Hoewel in het arrest wordt verwezen naar de artikelen 89 en 90 (oud) Sv, past de rechtbank deze overwegingen toe op de gelijkluidende artikelen 533 en 534 Sv die per 1 januari 2020 daarvoor in de plaats zijn gekomen. E.F. de Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/222. Gerechtshof Leeuwarden 7 maart 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0468. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, r.o. 3.16.3. Zie HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/Staat), r.o. 3.4 en 6.1.3. De Staat heeft verwezen naar: Rb. Amsterdam 24 januari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ7825; Rb. Midden-Nederland 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNL:2015:2329; Rb. Noord-Nederland 22 februari 2017, RBNNE:2017:542; Rb. Gelderland 27 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6890; Gerechtshof Den Haag 16 juli 2019, ECLI:NL:2019:1807; Rb. Amsterdam 2 september 2020, ECLI:NL:2020: 4247; en Rb. Rotterdam 18 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9597.