Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:24549
Eisers vorderen vernietiging van een bindend advies waarin het verzoek werd afgewezen om de zorgverzekeraar het formele tarief te laten vergoeden voor een zorgverlener (in plaats van het lagere informele tarief) ten laste van het persoonsgebonden budget. Volgens eisers is het bindend advies vernietigbaar zowel vanwege inhoudelijke gebreken als vanwege de wijze van totstandkoming. De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af. De hoge drempel voor vernietiging van een bindend advies wordt niet gehaald: gebondenheid aan het bindend advies is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/699329 / HA ZA 26-154 Vonnis van 26 augustus 2026 in de zaak van 1. [eiser] , te [woonplaats] , 2. [eiseres] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] c.s., advocaat: mr. S. Toekoen, tegen ONDERLINGE WAARBORGMIJ. ZORG EN ZEKERHEID UA , te Leiden, gedaagde partij, hierna te noemen: Zorg en Zekerheid, advocaat: mr. M.M. Sajjad. De zaak in het kort [eisers] c.s. vordert vernietiging van een bindend advies waarin zijn verzoek werd afgewezen om verzekeraar Zorg en Zekerheid het formele tarief te laten vergoeden voor een van zijn zorgverleners (in plaats van het lagere informele tarief) ten laste van het persoonsgebonden budget. Volgens [eisers] c.s. is het bindend advies vernietigbaar zowel vanwege inhoudelijke gebreken als vanwege de wijze van totstandkoming. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af. De hoge drempel voor vernietiging van een bindend advies wordt niet gehaald: gebondenheid aan het bindend advies is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 januari 2026, met producties 1 tot en met 3; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10; - het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte oproepen getuigen en vermeerdering van eis van de zijde van eisers. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen hebben gezegd. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is verzekerd bij Zorg en Zekerheid op basis van een Zorg Vrij Polis. Op de verzekeringsovereenkomst is het Pgb-reglement van Zorg en Zekerheid van toepassing (hierna: het Pgb-reglement). 2.2. [eiser] heeft in 1999 een eenzijdig ongeval gehad, waarbij hij een incomplete hoge dwarslaesie heeft opgelopen. Hij ontvangt sinds 2001 een persoonsgebonden budget (Pgb) om zorg, bestaande uit verpleging en verzorging, in te kopen. Verschillende zorgverleners verlenen zorg aan [eiser] , waaronder [naam] . [naam] heeft opleidingsniveau MBO 2+ en verricht als zelfstandige werkzaamheden voor [eiser] . Zij verzorgt [eiser] sinds vele jaren. 2.3. [eiser] moet periodiek een aanvraag doen om via het Pgb vergoeding van Zorg en Zekerheid te ontvangen. Naar aanleiding van de aanvraag die [eiser] deed in 2022 liet Zorg en Zekerheid weten niet langer het formele tarief voor [naam] te vergoeden, maar het (lagere) informele tarief, omdat [naam] niet voldeed aan de opleidingsvereisten voor het formele tarief. 2.4. [eiser] heeft een heroverweging van deze beslissing gevraagd en verschillende klachten ingediend bij Zorg en Zekerheid. Zorg en Zekerheid is bij haar beslissing gebleven om [naam] aan te merken als informele zorgverlener. Wel heeft Zorg en Zekerheid over de jaren 2022 en 2023 de declaraties ten aanzien van [naam] vergoed alsof zij een formele zorgverlener was. Met ingang van 2024 heeft Zorg en Zekerheid voor de werkzaamheden van [naam] het informele tarief vergoed. [eisers] c.s. bleef hetzelfde uurtarief aan [naam] betalen als vóór 2024, waardoor hij het verschil tussen het formele en informele tarief op eigen kosten aan [naam] heeft betaald. In 2024 was de hoogte van het informele tarief € 23,52 en van het formele tarief € 41,96 (voor persoonlijke verzorging) en € 58,44 (voor verpleging), alle bedragen per uur. 2.5. [eiser] heeft de geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (hierna: de commissie) verzocht te bepalen dat: “de ziektekostenverzekeraar gehouden is hem toe te staan zijn zorgverlener op MBO-2+ niveau het formele tarief te vergoeden ten laste van het PGB vv.” Partijen hebben ingestemd met een bindend advies. De commissie bracht op 28 januari 2025 het bindend advies uit en wees daarin het verzoek van [eiser] af. 3 Het geschil 3.1. [eisers] c.s. vordert na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – vernietiging van het bindend advies en veroordeling van Zorg en Zekerheid tot vergoeding van het formele tarief vanaf 1 januari 2024, nietigverklaring of vernietiging van artikel 7.2 van het Pgb-reglement en verklaringen voor recht ten aanzien van de uitleg van artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering (Bzv) en de toepassing van artikel 13a lid 1 van de Zorgverzekeringswet (Zvw), met veroordeling van Zorg en Zekerheid in de kosten van deze procedure. 3.2. [eisers] c.s. legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gronden voor afwijzing van het verzoek niet kenbaar zijn uit het bindend advies, dat de commissie essentiële argumenten van [eisers] c.s. heeft genegeerd, dat de commissie verschillende wettelijke bepalingen onjuist heeft toegepast, dat de commissie heeft nagelaten advies te vragen aan het Zorginstituut en dat de commissie stukken in het advies heeft opgenomen zonder hoor en wederhoor toe te passen. 3.3. Zorg en Zekerheid voert verweer. Zorg en Zekerheid concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure. 3.4. Zorg en Zekerheid voert aan dat mevrouw [eiseres] geen partij is bij het bindend advies. Verder stelt Zorg en Zekerheid zich op het standpunt dat het bindend advies begrijpelijk, juist en volledig is en op correcte wijze tot stand is gekomen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Positie mevrouw [eiseres] 4.1. De rechtbank wijst de vordering van mevrouw [eiseres] tot vernietiging van het bindend advies al op formele grond af. Mevrouw [eiseres] heeft, als echtgenote van [eiser] , in de procedure bij de commissie weliswaar opgetreden als vertegenwoordiger van [eiser] , maar zij is geen partij bij de verzekeringsovereenkomst tussen [eiser] en Zorg en Zekerheid, zij is niet de aanvrager van een Pgb-vergoeding bij Zorg en Zekerheid en zij is (dientengevolge) zelf (ook) geen partij bij het bindend advies. Zij is daarom niet gebonden aan de vaststelling die de commissie heeft gedaan en aan haar komt ook geen beroep toe op vernietiging van het bindend advies. Dit is tijdens de mondelinge behandeling ook door haar erkend. 4.2. Voor de overige vorderingen (ten aanzien van artikel 7.2 van het Pgb-reglement, artikel 2.10 Bzv en artikel 13a lid 1 Zvw) verwijst de rechtbank naar overweging 4.32 van dit vonnis. Beoordelingskader vernietiging bindend advies 4.3. [eiser] en Zorg en Zekerheid hebben zich verbonden aan een vaststelling door de commissie over het door Zorg en Zekerheid te vergoeden tarief voor de zorgverlener van [eiser] met opleidingsniveau MBO 2+. Als uitgangspunt geldt dat partijen tegenover elkaar zijn gebonden aan het bindend advies. 4.4. [eiser] vordert vernietiging van het bindend advies. De maatstaf voor vernietiging is strikt: het bindend advies is vernietigbaar als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een partij daaraan te houden, in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming van het bindend advies. Vanwege deze strikte maatstaf kan een partij niet elke onjuistheid inroepen, maar moet sprake zijn van ernstige gebreken. De rechtbank moet de beslissing van de commissie terughoudend toetsen. 4.5. Wat [eiser] heeft aangevoerd is onvoldoende om de hoge lat te halen die geldt voor vernietiging van het bindend advies. De rechtbank gaat hierna in op de bezwaren die [eiser] tegen het bindend advies heeft aangevoerd en licht de beslissingen die daaruit volgen toe. Geen sprake van onjuiste rechtstoepassing 4.6. [eiser] voert aan dat de commissie het recht onjuist heeft toegepast door artikel 2.10 Bzv limitatief toe te passen, niet in te gaan op de (on)geldigheid van artikel 7.2 van het Pgb-reglement en de toegekende vergoeding niet te toetsen aan het maatwerk-vereiste van artikel 13a Zvw. 4.7. De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiser] ten aanzien van artikel 2.10 Bzv en artikel 7.2 van het Pgb-reglement als volgt. Volgens [eiser] is artikel 2.10 Bzv niet bedoeld om categorisch bepaalde zorgverleners uit te sluiten van het verlenen van verpleging en verzorging. Artikel 7.2 van het Pgb-reglement is in strijd met artikel 2.10 Bzv en moet buiten toepassing blijven, omdat artikel 7.2 van het Pgb-reglement wél bepaalde zorgverleners uitsluit, namelijk door zorgverleners met opleidingsniveau MBO 2+ geen vergoeding van het formele tarief toe te kennen, aldus nog steeds [eiser] . 4.8. De rechtbank overweegt over de verhouding tussen artikel 7.2 van het Pgb-reglement en artikel 2.10 Bzv het volgende. Artikel 2.10 Bzv bepaalt, voor zover relevant: “Verpleging en verzorging omvat zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden, (…)” . Het artikel strekt ertoe de inhoud en omvang van de zorg in te kaderen. Het artikel bepaalt niet wie die zorg wel of niet mag leveren. In zoverre klopt de uitleg van [eiser] : artikel 2.10 Bzv sluit inderdaad niet bepaalde zorgverleners uit van vergoeding. Maar het artikel staat er ook niet aan in de weg dat de verzekeraar, in dit geval Zorg en Zekerheid, in de polis bepaalt wie de zorg voor rekening van de zorgverzekering mag leveren , zoals zij heeft gedaan in artikel 7.2 van het Pgb-reglement. 4.9. De commissie heeft in het bindend advies benoemd dat de aanspraak van [eiser] op verpleging en verzorging is geregeld in artikel 27 van de polisvoorwaarden en uitgewerkt in artikel 7.2 van het Pgb-reglement. Vervolgens heeft zij overwogen dat [eiser] zich met het afsluiten van de verzekering heeft verbonden aan de geldende voorwaarden en dat die voorwaarden zijn gebaseerd op de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder het Bzv. Dit strookt met de verhouding tussen artikel 7.2 van het Pgb-reglement en artikel 2.10 Bzv zoals hiervoor beschreven. De commissie heeft de verhouding tussen artikel 2.10 Bzv en 7.2 van het Pgb-reglement dan ook niet miskend. 4.10. [eiser] meent verder dat de commissie het recht onjuist heeft toegepast door artikel 7.2 van het Pgb-reglement toe te passen zonder te toetsen aan artikel 13a Zvw, waarin is bepaald dat een verzekerde die behoefte heeft aan verpleging en verzorging in aanmerking komt voor een passende vergoeding in de vorm van een Pgb. 4.11. Wat geldt als een passende vergoeding, wordt mede bepaald door de bestuurlijke afspraken die Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN), Per Saldo en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) daarover hebben gemaakt (hierna: de bestuurlijke afspraken). Bij die bestuurlijke afspraken zijn de budgethouders vertegenwoordigd door Per Saldo en de zorgverzekeraars door ZN. De verschillende partijen hebben met elkaar nagedacht over de uitvoering van het Pgb en afgesproken dat zowel formele als informele zorgverleners mogen worden ingeschakeld om verpleging en verzorging te verlenen die via het Pgb wordt vergoed. Zij zijn het erover eens dat een “zorghulp of helpende tot opleidingsniveau 3” een informele zorgverlener is, waardoor deze zorgverlener niet in aanmerking komt voor het formele tarief. In artikel 7.2 van het Pgb-reglement heeft Zorg en Zekerheid hetzelfde onderscheid tussen formeel en informeel opgenomen als volgt uit de bestuurlijke afspraken – en vervolgens aan beide categorieën een tarief gekoppeld. 4.12. De commissie heeft weliswaar geen uitdrukkelijke overweging gewijd aan artikel 13a Zvw, maar concludeert in algemene zin dat het verschil dat Zorg en Zekerheid hanteert tussen het tarief voor een formele en informele zorgverlener “is gebaseerd op wet- en regelgeving met betrekking tot de zorgverzekering en bestuurlijke afspraken die in dat kader zijn gemaakt door de betrokken partijen” . Daarmee heeft zij aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtstoepassing. 4.13. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de commissie het recht onjuist heeft toegepast, zodanig dat daarmee sprake is van een ernstig (inhoudelijk) gebrek dat het onaanvaardbaar maakt om [eiser] aan het bindend advies te houden. Geen gebrekkige motivering 4.14. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat de commissie haar beslissing tot afwijzing van het verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. In de dagvaarding heeft [eiser] in dat kader aangevoerd dat de motivering in paragraaf 6 van het bindend advies niet kenbaar is gemaakt, niet leesbaar is of ontbreekt. Ter zitting heeft (mevrouw [eiseres] namens) [eiser] toegelicht dat hij daarmee niet heeft bedoeld dat paragraaf 6 ontbreekt, maar dat de motivering onduidelijk is en geen heldere conclusie bevat. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. 4.15. Het bindend advies moet voorzien zijn van een passende motivering. De eisen die aan de motivering van een bindend advies gesteld kunnen worden, hangen af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het bindend advies. De rechtbank stelt aan het bindend advies van de commissie de eis dat de beslissing dusdanig is gemotiveerd dat kan worden nagegaan of bepaalde geschilpunten zijn onderkend en daarop daadwerkelijk is beslist en dat een reële mogelijkheid wordt geboden om de inhoud van het advies (marginaal) door de rechter te laten beoordelen. 4.16. Uit paragraaf 2 van het bindend advies volgt van welke feiten de commissie is uitgegaan, uit paragrafen 3 en 4 welke geschilpunten aan de orde zijn en uit paragraaf 6 en 7 wat de commissie over die geschilpunten heeft beslist. De rechtbank is in staat om de inhoud van het advies (marginaal) te beoordelen. De motivering van het bindend advies voldoet daarmee aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De commissie heeft geen essentiële argumenten van [eiser] genegeerd 4.17. [eiser] meent verder nog dat de commissie is voorbijgegaan aan verschillende essentiële argumenten die hij heeft aangevoerd. Ten eerste heeft de commissie volgens [eiser] artikel 2.15b Bzv genegeerd dat, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), relevant zou zijn voor de beoordeling. 4.18. Uit randnummer 6.5 van het bindend advies en de bijlage bij het bindend advies, waarin de commissie de relevante wetsartikelen heeft opgenomen, volgt dat de commissie artikel 2.15b Bzv wel degelijk in haar beoordeling heeft betrokken. De commissie overweegt in het bindend advies dat in artikel 2.15b Bzv is bepaald dat – tenzij het zorg betreft waarop de artikelen 50 tot en met 56 Wmg van toepassing zijn – bij ministeriële regeling bedragen kunnen worden vastgesteld die ten hoogste met het Pgb kunnen worden vergoed. De commissie verwijst in dat kader naar artikel 2.29a lid 1 van de Regeling zorgverzekering (de bedoelde ministeriële regeling), waarin is opgenomen dat in het geval de zorgverlener niet valt onder de Wmg maximaal het in die bepaling genoemde – lagere – tarief wordt vergoed voor Verpleging en Verzorging, met een uitzondering voor BIG-geregistreerde zorgverleners. Vervolgens behandelt de commissie de bestuurlijke afspraken die ter verdere uitwerking van die regelgeving zijn gemaakt. De commissie concludeert dat het onderscheid tussen een informeel en formeel tarief is gebaseerd op die regelgeving en afspraken en daarmee (dus) niet in strijd is. De commissie overweegt verder dat waar [eiser] betoogt dat de Wmg op zijn zorgverlener van toepassing is, de toepasselijkheid van de Wmg er niet aan in de weg staat dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars gedifferentieerde tarieven (in dit geval: verschillende tarieven voor formele en informele zorgverleners) afspreken, zo lang deze onder de maximumtarieven blijven die door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met toepassing van de Wmg zijn vastgesteld. 4.19. De commissie heeft artikel 1 Wmg, waar [eiser] naar verwijst, niet (expliciet) in het bindend advies benoemd. Dat artikel bevat definities van de begrippen die in de Wmg worden gehanteerd. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt wat de betekenis is van artikel 1 Wmg voor de toepassing van artikel 2.15b Bzv en waarom het niet (expliciet) benoemen van dit artikel het onaanvaardbaar zou maken om [eiser] aan het bindend advies te houden. 4.20. Voor zover [eiser] met de verwijzing naar de Wmg bedoelt dat de artikelen 50 tot en met 56 Wmg van toepassing zijn, geldt allereerst dat de commissie in het bindend advies ook op dat argument is ingegaan (zie hiervoor onder 4.18). Daarbij komt dat die artikelen van de Wmg – kort gezegd – zien op de situatie dat de NZa voor de betreffende zorg, in lijn met de geest van de Wmg om kostenuitgaven in de zorg te kunnen begrenzen of kostenontwikkelingen in de zorg te kunnen beheersen (en daarmee te kunnen waarborgen dat de uitgaven binnen de jaarlijks vastgestelde budgettaire kaders blijven), een beschikking heeft afgegeven waarmee de tarieven worden begrensd die een zorgverlener daarvoor in rekening mag brengen. In een dergelijk geval geldt niet de regeling van artikel 2.15b Bzv, maar gelden de grenzen die de NZa heeft opgelegd. Binnen de door de NZa getrokken grenzen wordt de tariefstelling verder aan de markt overgelaten. 4.21. [eiser] heeft niet gesteld dat de tarieven die Zorg en Zekerheid hanteert in strijd zijn met een door de NZa afgegeven beschikking en een dergelijke door de Nza afgegeven beschikking is ook niet in deze procedure ingebracht. Daarmee is niet uit te sluiten dat over de relevante periode wel een zodanige beschikking door de Nza is afgegeven. Mocht dat zo zijn, dan is er, in lijn met de geest van de Wmg, vanuit te gaan dat daarin (enkel) maximumtarieven zijn vastgesteld. Dat zou (onder dat maximum gelegen) gedifferentieerde tarieven niet in de weg staan, zoals de commissie in het bindend advies ook heeft overwogen. 4.22. Kortom, niet is gebleken dat de commissie een argument van [eiser] heeft genegeerd dat ziet op artikel 2.15b Bzv gelezen in samenhang met de Wmg, of dat het advies van de commissie op dit punt om andere redenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 4.23. Verder meent [eiser] dat de commissie artikel 1 van de Grondwet en artikel 1 van de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft genegeerd, net als artikel 6 van de Mededingingswet. 4.24. De commissie heeft het standpunt van [eiser] over artikel 1 van de Grondwet en artikel 1 Wlz als volgt in het bindend advies opgenomen: verzoeker heeft aangevoerd dat “de ziektekostenverzekeraar in strijd handelt met artikel 1 van de Grondwet omdat ongelijke kansen worden gecreëerd voor zorgaanbieders voor zover het gaat om het aanbieden van Persoonlijke Verzorging ten opzichte van de Wet langdurige zorg (Wlz), waar het diploma wel wordt erkend” . Zij behandelt dit argument gezamenlijk met het argument van [eiser] dat ziet op artikel 6 van de Mededingingswet. Dat laatste argument heeft de commissie op verschillende plekken in het bindend advies opgenomen en als volgt samengevat: “Verzoeker heeft aangevoerd dat hij niet kan worden gehouden aan het bepaalde in het reglement, omdat dit in strijd zou zijn met de wet. Onder andere heeft hij gesteld dat een ZZP'er op niveau 2 onder de Wlz wel wordt erkend als formele zorgverlener en dat hij niet bij een andere zorgverzekeraar terecht kan omdat de reglementen van de verschillende zorgverzekeraars op dit punt niet van elkaar verschillen. Verzoeker is daarom van mening dat sprake is van kartelvorming, hetgeen in strijd is met de mededingingswetgeving.” 4.25. De commissie oordeelt dat de door [eiser] aangevoerde argumenten geen doel treffen. Zij beargumenteert dat niet uitvoerig, maar daarmee is niet automatisch sprake van een motiveringsgebrek. Uit het bindend advies volgt dat de commissie de argumenten van [eiser] op de genoemde punten (gebundeld) heeft behandeld. De commissie heeft de argumenten onderkend en daarop beslist en maakt het mogelijk om haar beslissing marginaal te toetsen. Daarmee voldoet de motivering aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Geen sprake van schending van procedurele waarborgen 4.26. [eiser] meent dat de commissie in strijd met artikel 114 lid 3 Zvw heeft gehandeld door geen advies te vragen aan het Zorginstituut, maar heeft dit – in het licht van de gemotiveerde stellingen van Zorg en Zekerheid – onvoldoende onderbouwd. Het Zorginstituut heeft (onder meer) als taak het bevorderen van “de aard, inhoud en omvang van de [verzekerde] prestaties” . In dat kader verstrekt zij adviezen aan de commissie op grond van artikel 114 lid 3 Zvw. Het geschil tussen [eiser] en Zorg en Zekerheid ziet niet op de (zorg)prestatie, maar op de hoogte van de te vergoeden tarieven voor die prestatie. Hoewel dit niet met zoveel woorden blijkt uit de wettekst van artikel 114 lid 3 Zvw, geeft het Zorginstituut over die vraag geen advies. Zorg en Zekerheid heeft dit onderbouwd met verschillende afwijzingen van het Zorginstituut in vergelijkbare gevallen vanwege ontbreken van adviesbevoegdheid. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom hij meent dat de commissie in zijn geval toch gehouden was advies te vragen aan het Zorginstituut. 4.27. Verder voert [eiser] aan dat de commissie stukken in het bindend advies heeft opgenomen zonder hoor en wederhoor toe te passen. Uit het bindend advies volgt, zoals ook bevestigd tijdens de mondelinge behandeling, dat bij de hoorzitting voor de commissie namens [eiser] een pleitnota is voorgedragen. De commissie heeft Zorg en Zekerheid, volgens de toelichting van de vertegenwoordiger van Zorg en Zekerheid tijdens de mondelinge behandeling omdat hij op alle punten in die pleitnota tijdens de hoorzitting niet afdoende zorgvuldig kon reageren, de gelegenheid gegeven om na de hoorzitting (schriftelijk) op die pleitnota te reageren. Zorg en Zekerheid heeft dat bij brief van 25 november 2024 gedaan. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen die reactie bij brief van 5 december 2024. De commissie heeft in het bindend advies over de brief van Zorg en Zekerheid overwogen dat zij deze brief toelaat tot de procedure, omdat de brief weliswaar niet beperkt is tot een reactie op de pleitnota van [eiser] , maar in de brief ook geen nieuwe zaken staan. De commissie vond het buiten de procedure laten van de brief dan wel het bieden van een extra reactiemogelijkheid aan [eiser] daarom niet aangewezen. Het bezwaar van [eiser] van 5 december 2024 tegen de brief van Zorg en Zekerheid heeft de commissie eveneens betrokken in de beoordeling. 4.28. Nu de betreffende brief en de reactie daarop van [eiser] in de procedure voor de commissie niet in het onderhavige geding zijn gebracht, is uit te gaan van de juistheid van het oordeel van de commissie dat de brief van Zorg en Zekerheid geen (zodanig relevante) nieuwe feiten bevatte dat het buiten de procedure laten van die brief of het toelaten van een andere reactie van [eiser] rechtvaardigde. Onder die omstandigheden is geen sprake van het schenden van hoor en wederhoor door de brief, zonder nadere reactie van [eiser] , in de procedure te betrekken. 4.29. Ter zitting heeft (mevrouw [eiseres] namens) [eiser] uitgelegd dat het (met name) gaat om de bestuurlijke afspraken (die kennelijk in de brief van Zorg en Zekerheid van 25 november 2024 waren opgenomen/geciteerd): [eisers] c.s. kende die afspraken niet, Zorg en Zekerheid wel. Het gaat om dezelfde bestuurlijke afspraken waarnaar het Pgb-reglement van Zorg en Zekerheid verwijst en waaraan de voorwaarden uit het Pgb-reglement (mede) zijn ontleend. Die bestuurlijke afspraken waren dus al los van de brief van Zorg en Zekerheid van 25 november 2024 van toepassing op de verhouding tussen [eiser] en Zorg en Zekerheid en daarmee ook op het geschil dat voorlag aan de commissie. [eiser] had zich van de inhoud van die afspraken kunnen vergewissen; zij zijn gepubliceerd en online te raadplegen via de website van de Rijksoverheid. In die zin is met die afspraken geen sprake van ‘nieuwe zaken’. Daarom valt ook niet in te zien dat de commissie het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door de brief van 25 november 2024 in de procedure te betrekken, zonder [eiser] daar nader op te laten reageren. 4.30. Aldus is niet komen vast te staan dat de commissie procedurele waarborgen heeft geschonden en dat daarmee sprake is van een ernstig gebrek in de totstandkoming van het bindend advies, waardoor het onaanvaardbaar zou zijn om [eiser] aan het bindend advies te houden. Afwijzing van de vordering tot vernietiging 4.31. Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren van [eiser] tegen het bindend advies van de commissie niet slagen. Niet is gebleken dat de commissie het recht onjuist heeft toegepast, het bindend advies onvoldoende heeft gemotiveerd of procedurele waarborgen heeft geschonden. Het onderscheid dat Zorg en Zekerheid maakt tussen zorgverleners met bepaalde opleidingsniveaus pakt weliswaar nadelig uit voor [eiser] , maar dat is niet voldoende om de strikte maatstaf voor vernietiging van het bindend advies te halen: het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [eiser] aan het bindend advies te houden. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] tot vernietiging van het bindend advies af. Afwijzing overige vorderingen 4.32. Naast de vordering tot vernietiging van het bindend advies heeft [eisers] c.s. vorderingen geformuleerd die strekken tot veroordeling van Zorg en Zekerheid tot vergoeding van het formele tarief vanaf 1 januari 2024, nietigverklaring of vernietiging van artikel 7.2 van het Pgb-reglement en verklaringen voor recht ten aanzien van de uitleg van artikel 2.10 Bzv en de toepassing van artikel 13a lid 1 Zvw. Deze aanvullende vorderingen hebben geen zelfstandige betekenis in het geval van afwijzing van de vernietiging van het bindend advies. Zij zien namelijk allemaal op dezelfde vraag die aan de commissie is voorgelegd, namelijk of Zorg en Zekerheid gehouden kan worden tot vergoeding van het formele tarief voor een zorgverlener met opleidingsniveau MBO 2+. Vanwege deze afhankelijkheid en omdat de vordering tot vernietiging wordt afgewezen, wijst de rechtbank ook de overige vorderingen af. Proceskosten 4.33. [eisers] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zorg en Zekerheid worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.230,00 4.34. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.35. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af, 5.2. veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026. Artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek. HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727, rov. 3.5.2. NvT bij het besluit van 15 oktober 2014, Stb. 2014, 417, p. 21. NvT bij het besluit van 15 oktober 2014, Stb. 2014, 417, p. 21: “Het is aan de zorgverzekeraar om te bepalen «wie» de zorg voor rekening van de zorgverzekering mag leveren. Hij specificeert dat in zijn polis.” . Randnummer 6.4 van het bindend advies. Randnummer 6.5 van het bindend advies, halverwege de eerste alinea. Personen die een Pgb op grond van de Zorgverzekeringswet ontvangen, zoals [eiser] . Artikelen 5.2 en 5.3 van de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb 1 januari 2024 t/m 31 december 2026. Toelichting bij artikel 5.2 van de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb 1 januari 2024 t/m 31 december 2026. Randnummer 6.5 van het bindend advies, eerste volzin van de laatste alinea. HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1706, rov. 3.4.2. Randnummer 6.5 van het bindend advies. Randnummer 3.2, onder 5 van het bindend advies. Randnummer 6.5 van het bindend advies. Zie ook randnummers 3.2, onder 3 en 3.5 van het bindend advies. Artikel 64 lid 1 Zwv. Artikel 1.2 Pgb-reglement (versie 2024).