Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:24364
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Het verzoek wordt toegewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/14221 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen [naam], verzoekster V-nummer: [nummer] en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: L. Verhaegh). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn) . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2026 afgewezen. Volgens de minister heeft verzoekster in een ander EU-lidstaat bescherming onder de Richtlijn (gehad). Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 25 augustus 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De minister is in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. Dat heeft de minister 26 augustus 2026 gedaan. 2.2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Verzoekster vraagt de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. Volgens verzoekster heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Verder heeft zij een spoedeisend belang, omdat in het besluit staat dat zij zich binnen twee weken in ter Apel moet melden als zij de asielprocedure wilt volgen. Zij wordt dan gescheiden van haar dochter, bij wie zij woont, en van haar kleinzoon, die zij verzorgt. Als verzoekster geen asiel aanvraagt, kan een terugkeerbesluit worden opgelegd en eindigt haar rechtmatig verblijf. Zolang het besluit werkt, beschikt verzoekster niet over een bewijs van verblijf, heeft zij geen toegang tot een ziektekostenverzekering en niet tot de arbeidsmarkt. 4. De minister verzet zich niet tegen de toewijzing van het verzoek. De minister meent dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het bezwaar geen enkele kans van slagen heeft. Op het moment dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, ontstaat alsnog rechtmatig verblijf. De minister verzet zich ook niet tegen een veroordeling in de proceskosten. 5. Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek en voorzieningenrechter overigens ook geen beletselen ziet voor toewijzing, zal het verzoek worden toegewezen. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 14 augustus 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verzoeksters rechtmatig verblijf zolang voortduurt. 6.1. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister niet in de door verzoekster gemaakte proceskosten, omdat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De minister moet verzoekster het betaalde griffierecht vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 200,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het besluit van 14 augustus 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2026 door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.