Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:24334
Onderzoek 26DeSoto. Rechtbank legt levenslange gevangenisstraf op voor het medeplegen van twee oorlogsmisdrijven, plundering en vernietiging, en voor het medeplegen van genocide jegens de Tutsi-bevolking in Mbazi, Rwanda in april 1994. Vrijspraak voor opruiing tot genocide wegens onvoldoende bewijs. Uitgebreide beoordeling betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Negen vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard wegens een te grote belasting van de strafzaak. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 71/051384-24 Datum uitspraak: 28 augustus 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] (voormalig [geboorteland] ), op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de penitentiaire inrichting [plaats] . Inhoudsopgave 1. Het onderzoek ter terechtzitting 2 2. De tenlastelegging 2 3. De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie 4 3.1. Het standpunt van de officier van justitie 4 3.2. Het standpunt van de verdediging 5 3.3. Het oordeel van de rechtbank 5 4. De bewijsbeslissing 7 4.1. Het standpunt van de officier van justitie 7 4.2. Het standpunt van de verdediging 7 4.3. Bewijsoverwegingen 8 4.3.1. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen 8 4.3.2. Feitelijke vaststellingen (algemeen) 18 4.3.3. Ten aanzien van feiten 1 en 2: plundering en vernietiging 22 4.3.4. Ten aanzien van feit 3: opruiing tot genocide 36 4.3.5. Ten aanzien van feit 4: genocide 39 4.4. De bewezenverklaring 46 5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 47 6. De strafbaarheid van de verdachte 47 7. De strafoplegging 47 7.1. De vordering van de officier van justitie 47 7.2. Het standpunt van de verdediging 47 7.3. Het oordeel van de rechtbank 48 8. De vorderingen van de benadeelde partijen 50 8.1. Rechtsmacht 51 8.2. De beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen 52 8.2.1. Het standpunt van de officier van justitie 53 8.2.2. Het standpunt van de verdediging 53 8.2.3. Het oordeel van de rechtbank 54 9. De toepasselijke wetsartikelen 57 10. De beslissing 58 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 mei 2024, 9 juli 2024, 16 september 2024, 10 december 2024, 18 februari 2025, 17 april 2025, 7 juli 2025, 30 september 2025, 18 december 2025, 10 februari 2026 en 24 april 2024 (alle pro forma) en 17, 18, 19, 22, 23, 24, en 29 juni 2026 en 17 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M. Blom, mr. M.A. van der Vlugt en mr. V.C. Padberg (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. B. van Straaten en mr. F.T.C. Dölle naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 februari 2026 – ten laste gelegd dat: 1. hij, in of omstreeks de periode van 22 april 1994 tot en met 24 april 1994, althans in de maand april 1994, in Cellule(s) Kanyaruhinda en/of Gatobotobo in Secteur Mbazi, althans te Rwanda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meer wetten en/of gebruiken van de oorlog heeft geschonden, te weten - het internationaal humanitair gewoonterechtelijke verbod op plundering; - artikel 4 lid 2 sub (g) van het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten, door opzettelijk in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Rwanda, te weten tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF), - een of meer borden, bekers, jerrycans, pannen, (water)potten (ibibindi en/of igitariro), matrassen, bedden, tafels, stoelen, kledingstukken, radio’s, geldbedragen, bonen, etenswaren en/of fietsen en/of andere huishoudelijke en/of persoonlijke goederen en/of - een of meer geiten, koeien, varkens, kippen, konijnen en/of andere dieren en/of - een of meer dakpannen, golfplaten, deuren, ramen en/of andere bouwdelen en/of bouwmaterialen, die toebehoorden aan een of meer personen van de Abagarama en/of de Abakora, in elk geval behorende tot de Tutsi-bevolkingsgroep, die niet (langer) aan de vijandelijkheden deelnamen, te plunderen, - terwijl die feiten (aldus) plundering inhielden en/of - terwijl die feiten werden gepleegd met verenigde krachten en/of - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking en/of een bepaalde groep daarvan. 2. hij, in of omstreeks de periode van 22 april 1994 tot en met 24 april 1994, althans in de maand april 1994, in Cellule(s) Kanyaruhinda en/of Gatobotobo in Secteur Mbazi, althans te Rwanda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer wetten en/of gebruiken van de oorlog heeft geschonden, te weten - het internationaal humanitair gewoonterechtelijke verbod op vernietiging van goederen van de tegenpartij, door opzettelijk in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Rwanda, te weten tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF), een of meer goederen, die geheel of ten dele toebehoorden tot de tegenpartij in het niet-internationaal gewapend conflict, te weten burgers behorende tot de Abagarama en/of de Abakora, althans behorende tot de Tutsi bevolkingsgroep, te vernielen, te beschadigen, onbruikbaar te maken en/of weg te maken, namelijk door - een of meer huizen, delen van huizen (zoals (bij)gebouwen die dienden als keuken), andere gebouwen, (rieten) daken en/of omheiningen (van bananenbladeren) in brand te steken en/of - een of meer huizen en/of delen van huizen met een of meer werktuigen (agafuni en/of udufuni) kapot te slaan, terwijl deze vernietiging van goederen van de tegenpartij niet dringend vereist was als gevolg van dwingende omstandigheden van het conflict, - terwijl die feiten (aldus) inhielden het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken en/of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde en/of - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking en/of een bepaalde groep daarvan. 3. hij, in of omstreeks de periode van 22 april 1994 tot en met 25 april 1994, althans in de maand april 1994, in Cellule(s) Kanyaruhinda en/of Gatobotobo , althans in Secteur Mbazi en/of in (de omgeving van) het stadion Byiza in Secteur Mbazi, althans te Rwanda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om een nationale of etnische groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, te weten de Tutsi-bevolkingsgroep, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, in het openbaar, mondeling, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, te weten tot genocide, door meermalen, - een of meer liederen te zingen en/of te laten zingen over het uitroeien van en/of het plegen van geweld tegen de Tutsi-bevolkingsgroep (Tubatsembatsembe en/of een of meer vergelijkbare andere liederen) en/of - te zeggen en/of uit te dragen dat de/alle (zich in de nabijheid bevindende) Tutsi’s moesten worden vermoord/uitgeroeid, althans woorden van gelijke opruiende strekking; 4. hij, op of omstreeks 25 april 1994 in (de omgeving van) het stadion Byiza in Secteur Mbazi, althans te Rwanda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, te weten de Tutsi-bevolkingsgroep, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk een of meer leden van die groep, heeft gedood en/of aan een of meer leden van die groep zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft toegebracht door - terwijl die leden van die groep zich in en/of in de directe nabijheid van het stadion Byiza bevonden - meermalen, althans eenmaal - een of meer stenen en/of andere voorwerpen naar die leden van die groep te gooien en/of - het stadion te (laten) omsingelen en/of te (laten) beletten dat die leden van die groep het stadion zouden verlaten en/of - een of meer handgranaten en/of andere explosieven in het stadion te gooien en/of tot ontploffing te brengen en/of - met een of meer vuurwapens op die leden van die groep te schieten en/of - met een of meer machetes, knuppels, zwaarden, stokken en/of (andere) traditionele wapens op die leden van die groep in te steken, te hakken, te snijden en/of te slaan. 3. De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde (opruiing tot genocide) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verjaring van dit feit op 1 oktober 2003 is gestuit door de inwerkingtreding van de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim) en dat daarom het recht op strafvordering is blijven bestaan. 3.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de rechtsmacht geen standpunt ingenomen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot strafvervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde op grond van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) inmiddels is verjaard, omdat de maximaal op te leggen straf bij overtreding van dit artikel een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren bedraagt. Dit brengt met zich dat het recht op strafvervolging na twaalf jaar is komen te vervallen. Voorts heeft de verdediging bepleit dat de invoering van artikel 3, tweede lid Wim een geheel nieuwe strafbaarstelling behelst, waardoor de invoering hiervan de verjaring van artikel 131 Sr niet heeft gestuit. 3.3. Het oordeel van de rechtbank Bevoegdheid De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de feiten zoals deze zijn ten laste gelegd, omdat de tenlastelegging ziet op feiten gepleegd buiten Nederland, tegen niet-Nederlandse slachtoffers en door een verdachte die op dat moment niet over de Nederlandse nationaliteit beschikte. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend: er zijn verschillende gronden waarop de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht kan baseren. De tenlastelegging ziet, met betrekking tot feiten 1 en 2, op feiten die strafbaar zijn gesteld op grond van artikel 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht (oud) (hierna: Wos). Artikel 3, onder 1 Wos bepaalt dat deze wet toepasselijk is op ‘een ieder’ die zich schuldig maakt aan de misdrijven van artikel 8 Wos. Daarmee bestaat voor de Nederlandse rechter universele rechtsmacht ten aanzien van de feiten 1 en 2. Op grond van artikel 3, onder 4 Wos kan de rechtsmacht ook gevestigd worden voor een verdachte die Nederlander is. In artikel 5, tweede lid Sr, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde, is bepaald dat de vervolging ook kan plaatsvinden indien de verdachte pas na het begaan van het feit Nederlander is geworden. Dit is in onderhavige zaak het geval. Verdachte heeft in 2010 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Opruiing tot genocide (het onder 3 tenlastegelegde) was in de ten laste gelegde periode strafbaar gesteld in artikel 131 Sr in samenhang met artikel 1, eerste lid van de Uitvoeringswet Genocideverdrag (hierna: Uitvoeringswet). Genocide (het onder 4 tenlastegelegde) was toen strafbaar gesteld in artikel 1, eerste lid van de Uitvoeringswet. De Uitvoeringswet voorzag niet in universele rechtsmacht. De Nederlandse strafwet was ingevolge artikel 5, eerste lid van de Uitvoeringswet wel toepasselijk op Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maakten aan onder meer genocide en opruiing tot genocide. In artikel 5, tweede lid van de Uitvoeringswet was bovendien bepaald dat vervolging hiervoor ook kon plaatshebben indien de verdachte pas na het begaan van het feit Nederlander was geworden. Zoals hierboven reeds genoemd, is dit in de onderhavige zaak het geval. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de Wim, in werking getreden op 1 oktober 2003, secundaire universele rechtsmacht heeft gevestigd voor het misdrijf genocide, zonder daaraan terugwerkende kracht te verlenen. Sinds een wijziging van deze wet, in werking getreden op 1 april 2012 in verband met het in werking treden van de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van internationale misdrijven, is deze terugwerkende kracht verleend voor genocide gepleegd vanaf 25 oktober 1970. Ingevolge artikel 15 Wim is de rechtbank Den Haag bevoegd om van de internationale misdrijven zoals aan verdachte ten laste gelegd kennis te nemen. Verjaring In de ten laste gelegde periode was opruiing tot genocide (het onder 3 tenlastegelegde) strafbaar gesteld op basis van artikel 131 Sr in samenhang met artikel 1 van de Uitvoeringswet. De maximumstraf hiervoor was in artikel 131 Sr bepaald op vijf jaren gevangenisstraf. Ingevolge artikel 70, eerste lid, onder 3 Sr, verviel het recht tot strafvervolging door verjaring voor misdrijven met deze maximum gevangenisstraf na twaalf jaren. Op 1 oktober 2003 trad de Wim in werking. In deze wet is opruiing tot genocide strafbaar gesteld in artikel 3, tweede lid, met een maximumstraf van (destijds) vijftien jaren gevangenisstraf. De Wim bepaalt daarnaast in artikel 13 dat opruiing tot genocide een misdrijf is dat niet verjaart. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een geheel nieuwe strafbaarstelling en niet van een wijziging van het sanctierecht, omdat opruiing tot genocide pas met de invoering van de Wim als zelfstandig strafbaar feit in de Nederlandse strafwet is opgenomen. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat bij de beoordeling welk recht van toepassing is, gekeken moet worden welk recht het gunstigst is voor de verdachte. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat met artikel 3, tweede lid Wim geen sprake is van een geheel nieuwe strafbaarstelling van opruiing tot genocide. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wim blijkt dat dit artikel mede voortvloeit uit artikel 25, derde lid, onder e van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome). Artikel 25, derde lid, onder e van het Statuut van Rome bepaalt dat een persoon strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden indien hij of zij, ‘rechtstreeks en openlijk aanzet tot het plegen van genocide’. Deze formulering komt vrijwel volledig overeen met artikel III, onder c van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: Genocideverdrag), waarin ‘rechtstreeks en openbaar aanzetten tot genocide’ als een zelfstandig strafbaar feit wordt genoemd. De rechtbank concludeert dat de bepaling uit het Statuut van Rome, en de daarmee corresponderende bepaling in de Wim, materieel ontleend is aan het Genocideverdrag. In de onderhavige zaak is het tenlastegelegde toegesneden op artikel 131 Sr in combinatie met artikel 5 van de Uitvoeringswet. Met de Uitvoeringswet zijn de strafbaarstellingen van het Genocideverdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De opruiing die in de onderhavige zaak ten laste is gelegd is dus materieel ontleend aan het Genocideverdrag – net zoals artikel 3, tweede lid Wim dat is. Beide strafbepalingen zijn dan ook terug te voeren op dezelfde bron. De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie dat de verplichtingen die voor Nederland uit het Genocideverdrag voortvloeien met de inwerkingtreding van het Statuut van Rome en de Wim materieel niet zijn veranderd en dat het alleen de implementatiewetgeving is die veranderd is. Dit vindt bevestiging in het feit dat de Uitvoeringswet per 1 oktober 2003 is komen te vervallen, op dezelfde dag waarop de Wim in werking is getreden. De strafbaarstelling van opruiing tot genocide is vanaf dat moment ondergebracht in de Wim. Het verbod op terugwerkende kracht geldt ingeval een nieuwe strafbepaling wordt ingevoerd of gewijzigd en ingeval de strafbedreiging bij een bepaling wordt gewijzigd. Ingeval de veranderingen betrekking hebben op de vervolgbaarheid geldt dit verbod in zijn algemeenheid niet. Voor veranderingen in de verjaringstermijn geldt als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Omdat artikel 1, tweede lid Sr alleen bescherming biedt tegen nieuwe materiële bepalingen die niet ten gunste van de verdachte uitwerken, dient voor wat betreft de verjaringstermijn niet gekeken te worden naar welk recht het meest gunstig is voor de verdachte. Nu opruiing tot genocide met de inwerkingtreding van de Wim een zelfstandige plaats heeft gekregen in de Nederlandse wetgeving, de Uitvoeringswet per 1 oktober 2003 is komen te vervallen en daarmee de strafbaarstelling van opruiing tot genocide in de Wim is ondergebracht, is de rechtbank van oordeel dat met de inwerkingtreding van de Wim opruiing tot genocide niet langer verjaart. Nu verder het onder 3 tenlastegelegde op 1 oktober 2003 nog niet verjaard was, is het recht op strafvordering blijven bestaan. Overigens is niet gebleken van enige omstandigheid die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staat. 4 De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat volgens de officier van justitie ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, de pleegperiode zou moeten worden beperkt tot ‘omstreeks 22 april 1994’. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde primair op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte aanwezig was bij de plunderingen en vernietigingen, dan wel dat hij daaraan een bijdrage heeft geleverd. Subsidiair heeft de verdediging onderbouwd dat niet is voldaan aan de vereisten voor medeplegen en aan het nexus-vereiste. Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte de ten laste gelegde uitlatingen heeft gedaan of heeft laten doen. Tot slot heeft de verdediging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte op de plaats delict aanwezig was, dan wel dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het delict. 4.3. Bewijsoverwegingen 4.3.1. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen Het uitgangspunt bij de beoordeling van het bewijs in het Nederlandse strafrecht is dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de wettige bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen dienen in onderling verband en samenhang te worden bezien. In een zaak als de onderhavige speelt de vraag naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen een belangrijke rol, nu het dossier hoofdzakelijk bestaat uit verklaringen van (oog)getuigen. Een eventuele bewezenverklaring zal dus voor een groot deel zijn gestoeld op deze verklaringen. Op de terechtzitting hebben zowel de officier van justitie als de verdediging de betrouwbaarheid van verschillende getuigenverklaringen (of delen daarvan) betwist. Om deze reden staat de rechtbank voorafgaand aan haar feitelijke vaststellingen stil bij het toetsingskader dat de rechtbank hanteert bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de algemene toepassing daarvan op de onderhavige zaak. 4.3.1.1. Toetsingskader betrouwbaarheid getuigenverklaringen Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigen, zo volgt uit vaste Nederlandse jurisprudentie, dient te worden gelet op de consistentie, accuraatheid en volledigheid van de getuigenverklaringen. Hierbij gaat het om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop deze zijn afgelegd. Dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden voorkomen, maakt verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Verschillen tussen verklaringen kunnen immers worden veroorzaakt door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeg gebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict, of door het tijdsverloop. Aan dit beoordelingskader dient nadere invulling te worden gegeven gelet op de bijzondere aard van de onderhavige strafzaak. De verdenking tegen de verdachte betreft gebeurtenissen die, indien bewezen, meer dan dertig jaar geleden plaatsvonden. Alleen al dit tijdsverloop noopt tot grote behoedzaamheid. Daarnaast dient de rechtbank oog te hebben voor sociaal-culturele omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de getuigenverklaringen. Dergelijke omstandigheden worden nader omschreven in de deskundigenrapportages die zich in het dossier bevinden. In eerdere zaken betreffende internationale misdrijven van een vergelijkbare bijzondere aard zijn verschillende aspecten genoemd die relevant zijn bij de beoordeling van de verklaringen. Ook de officier van justitie en de verdediging hebben dit toetsingskader en de daarin vervatte aspecten gehanteerd ter onderbouwing van hun standpunten over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. De rechtbank zet deze aspecten hieronder uiteen. Persoon van de getuige De getuigen in deze zaak verklaren over gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in de context van een gewapend conflict. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring acht de rechtbank de wijze waarop een getuige betrokken was bij het conflict relevant (bijvoorbeeld het zijn van slachtoffer of van dader) en of een getuige een belang of een motief heeft– persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins – om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. Totstandkoming van de verklaring Bij de betrouwbaarheidsbeoordeling van de verklaringen wordt rekening gehouden met de wijze van totstandkoming en of destijds sprake was van omstandigheden die mogelijk van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de verklaringen. Voorts is relevant of er aanwijzingen zijn voor communicatieproblemen of misverstanden tussen de verhoorder en de getuige of tussen de tolk en de getuige. Daarnaast is van belang of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachten belast(en) kent en met hem of haar over de onderhavige zaak contact heeft gehad alvorens een verklaring af te leggen. Kwaliteit van identificaties en herkenningen Voor de beoordeling van de getuigenverklaringen, meer specifiek de identificatie en herkenning van de verdachte, is relevant of de getuigen de verdachte kennen en onder welke omstandigheden de herkenning plaatsvond. Bovendien is van belang of getuigen onderscheid kunnen maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord. Ten aanzien van de herkenning houdt de rechtbank bovendien rekening met mogelijk andere verstorende effecten ten gevolge van cultuurverschillen. Voorbeelden hiervan zijn de wijze waarop getuigen omgaan met tijd-, ruimte- en afstandsbepaling en het kunnen oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal. Consistentie van door de betreffende getuige afgelegde verklaringen Consistentie van opeenvolgende verklaringen van een getuige is op zichzelf geen garantie voor de geloofwaardigheid van die getuige of de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Eveneens doet niet elke inconsistentie af aan die geloofwaardigheid of betrouwbaarheid. Indien een getuige echter op punten die dragend zijn voor het bewijs in belangrijke mate anders heeft verklaard bij verschillende instanties, zal kritisch onderzocht moeten worden of dit afbreuk doet aan de bewijskracht van de verklaringen. In de nationale en de internationale rechtspraak wordt algemeen erkend dat inconsistenties kunnen voortkomen uit de wijze van verhoor, het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenissen waarover de getuige gevraagd wordt te verklaren, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan voor de getuige traumatische gebeurtenissen, cultuurverschillen, vertaalproblemen, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Toetsing aan van elders verkregen gegevens Van belang is ook of een verklaring – in belangrijke mate en op wezenlijke onderdelen – overeenstemt met, dan wel afwijkt van, verklaringen van andere getuigen of ander bewijsmateriaal. Hierbij is het relevant om vast te stellen of getuigen verklaren over dezelfde feitelijke gebeurtenis(sen). Indien dit het geval is, moet in aanmerking worden genomen dat verschillende getuigen ieder een deel van een gebeurtenis kunnen hebben waargenomen. 4.3.1.2. Algemene beoordeling betrouwbaarheid Toegespitst op de onderhavige zaak overweegt de rechtbank ten aanzien van de hiervoor genoemde betrouwbaarheidsaspecten nog het volgende. Persoon van de getuigen In deze zaak zijn in totaal 37 getuigen gehoord door het Team Internationale Misdrijven van de politie en 31 getuigen door de rechter-commissaris. Dit betreffen (grotendeels) dader- dan wel slachtoffergetuigen. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat veel van de gehoorde getuigen getraumatiseerd zijn door wat zij hebben meegemaakt in de ten laste gelegde periode en in de periode daarna. Ten aanzien van dit aspect heeft de rechtbank oog gehad voor mogelijke belangen en/of motieven van getuigen om in strijd met de waarheid te verklaren. De verdachte is door een gacaca, een Rwandese volksrechtbank, in absentia veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Dit vond plaats ten overstaan van een deel van de getuigen in het onderhavige dossier. In de rapportage van deskundige Longman staat dat het afleggen van een bekennende verklaring bij de gacaca vaak leidde tot strafvermindering of tot omzetting van een gevangenisstraf in een (lichtere) werkstraf. Daarbij gold als vereiste dat een verdachte niet alleen verklaarde over wat hij zelf had gedaan en gezien, maar ook de personen noemde waarmee hij op die momenten was. Tijdens het afnemen van verklaringen werd dan ook door de gacaca-rechters uitgebreid doorgevraagd naar mededaders. Ten aanzien van het noemen van mededaders staat in de rapportage het volgende: “ [..] From my observations (borne out by other observers), people were reluctant to name people living in their communities, because those people or their families might seek vengeance on them. As a result, they were most likely to name either individuals who had already confessed or already faced accusations or else people who were not present in the community, either because they had died or because they were out of the country. As a result of the pressure to name accused perpetrators while preventing negative consequences, many people living in exile appeared on the list of the accused, and during the trial phase of gacaca, they were put on trial in absentia. [..]” Uit het onderhavige dossier blijkt dat meerdere (dader)getuigen naar aanleiding van het afleggen van een bekennende verklaring strafvermindering hebben gekregen, zijn overgeplaatst naar een andere gevangenis met betere omstandigheden en/of alleen een werkstraf hebben hoeven uitvoeren. Verschillende getuigen verklaren bovendien dat personen (onterecht) werden beschuldigd om zodoende de te betalen schadevergoeding over meerdere personen te verdelen. Verder rapporteert Longman dat het aanzienlijk nadeliger was om in absentia te worden berecht dan in persoon. De verdachten waren niet aanwezig om zichzelf te verdedigen en konden dus slechts worden verdedigd door mensen uit de gemeenschap. Volgens Longman was er echter weinig reden voor de gemeenschap om zich uit te spreken ten gunste van verdachten die zelf niet aanwezig waren. Bovendien stonden de gacaca-rechters onder politieke druk om niet te veel verdachten vrij te spreken, uit angst dat ze anders zouden worden beschouwd als te mild ten aanzien van genocideplegers. Daardoor hadden deze rechters geen reden om afwezige verdachten vrij te spreken en juist wel om hen schuldig te verklaren. Totstandkoming van de verklaring Een groot deel van de verklaringen is afgelegd bij het Team Internationale Misdrijven van de politie en bij de rechter-commissaris. Ook hebben verschillende getuigen verklaringen afgelegd ten overstaan van Rwandese autoriteiten, waaronder de rechters van de gacaca of medewerkers van het parquet-général . Het merendeel van de bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen is gehoord op verzoek van de verdediging. Voorafgaand aan het horen van de getuigen is er door een deskundige gerapporteerd over relevante aspecten van de Rwandese cultuur, taal en wijze van communiceren en is dit rapport aan partijen ter beschikking gesteld. De verhoren vonden plaats in aanwezigheid van in ieder geval een van de raadslieden en een officier van justitie, die ook vragen aan de getuigen hebben gesteld. De verhoren besloegen steeds meerdere dagen. Desgewenst konden getuigen – voorafgaand aan het verhoor – gebruik maken van ondersteuning door een psycholoog. De rechtbank overweegt dat in beginsel slechts de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen worden gebezigd voor het bewijs, nu de getuigen tijdens deze verhoren zijn geconfronteerd met inconsistenties of onduidelijkheden in hun eerdere verklaringen, met de verklaringen van andere getuigen en is doorgevraagd naar de oorsprong van hun kennis en hun reden(en) van wetenschap. Hiervan wordt slechts afgeweken voor zover gedurende het verhoor bij de rechter-commissaris niet nader is ingegaan op een specifiek deel van de politieverklaring. Voor de beoordeling van dit aspect – de totstandkoming van de verklaring – is de context waarbinnen de getuigenverklaringen zijn afgelegd van belang. Die context laat zich als volgt schetsen. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was in Rwanda sprake van een niet-internationaal gewapend conflict tussen het Rwandan Patriotic Front (hierna: RPF) en de Forces Armées Rwandaises (hierna: FAR) en van een genocide op de Tutsi-bevolking (zie hierna 4.3.2). De rechtbank acht van belang dat, blijkens het in deze zaak gevoegde deskundigenrapport van Longman, sinds de overwinning van de RPF, die tevens het einde van de genocide betekende, in Rwanda sprake is van politieke druk op getuigen om te verklaren in lijn met de politieke ideologie van de RPF. Uit dit rapport volgt dat strafzaken die betrekking hebben op de genocide, binnen Rwanda, waaronder de gacaca-zaken, maar ook daarbuiten, politiek geladen zijn en dat getuigen zich hiervan ook bewust zijn. Doordat ontkenning van de genocide op de Tutsi strafbaar is gesteld in Rwanda en het afleggen van een verklaring in het voordeel van een genocideverdachte nadelige gevolgen kan hebben voor de getuigen, bestaat er volgens Longman het risico op zelfcensuur en op het geven van politiek wenselijke antwoorden. In zijn aanvullend rapport licht Longman dit als volgt toe: “ The government’s authoritarianism tightly limits what people can say. Criticism of the government is treated as genocide denial or as “divisionism.” People remain strategically silent about many topics. Even on the genocide itself, people do not necessarily speak freely but try to shape their narratives to the master narrative, feeling that their discourse is policed by the government .” In dit kader acht de rechtbank ook relevant dat uit het deskundigenrapport blijkt dat getuigen die eerder zelf zijn veroordeeld, terughoudend zijn in hun verklaringen omdat zij permanent onder verdenking blijven staan. Ook heeft de rechtbank oog voor de omstandigheid dat de getuigenverklaringen tot stand zijn gekomen en betrekking hebben op het handelen van de verdachte meer dan dertig jaar geleden. De rechtbank heeft eerder (in een andere zaak) overwogen dat dit tijdsverloop op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat de getuigenverklaringen als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt, maar wel dient te worden meegewogen bij de algehele betrouwbaarheidsbeoordeling. De rechtbank overweegt daarbij dat het dossier concrete aanwijzingen bevat dat de gehoorde getuigen zijn blootgesteld aan omstandigheden die het risico op geheugenproblemen (bronamnesie) vergroten. Ten eerste blijkt uit het dossier dat de getuigen op verschillende momenten anderen hebben horen verklaren over de ten laste gelegde gebeurtenissen. Zo blijkt uit het dossier dat de gebeurtenissen elk jaar in april in het openbaar worden herdacht in Mbazi. Ook is een aanzienlijk deel van de gehoorde getuigen aanwezig geweest bij gacaca-zittingen waarin de rol van de verdachte werd besproken, of bij bijeenkomsten waarin informatie werd verzameld over (onder andere) de ten laste gelegde gebeurtenissen, waarbij de naam van de verdachte werd genoemd. Sommige getuigen hebben dus anderen horen verklaren over de (vermeende) gedragingen van de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode. Verschillende getuigen hebben bovendien verklaard dat zij zelf een verklaring hebben afgelegd over de verdachte tijdens de informatieverzamelingsbijeenkomsten en/of de gacaca-zittingen. Verder heeft een aantal dadergetuigen verklaard in detentie met medegevangenen, waaronder andere getuigen, te hebben gesproken over de ten laste gelegde gebeurtenissen en de rol van de verdachte daarbij. Uit de getuigenverklaringen komt naar voren dat gevangenen middels de belofte van strafvermindering werden gestimuleerd hun daden te bekennen en hierbij ook mededaders te noemen. Twee specifieke getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , hebben een actieve rol gehad bij het overtuigen van medegevangenen om een bekennende verklaring af te leggen. Ten tweede blijkt uit het deskundigenrapport van Longman dat van personen die tijdens de genocide bestuurlijke functies bekleedden, over het algemeen wordt aangenomen dat zij medeplichtig zijn geweest aan de genocide, omdat zij werkten voor een regering die de genocide als haar voornaamste doel had. De verdachte was ten tijde van de genocide responsable en bekleedde dus een bestuurlijke functie. Getuigen blijken de aanwezigheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten veelvuldig in verband te brengen met zijn functie als responsable en daarmee het zijn van een leider destijds. Tekenend is dat een aantal getuigen terugkomt op hun eerdere verklaring dat zij zelf de verdachte hebben gezien, omdat zij in de veronderstelling verkeerden dat de verdachte aanwezig moet zijn geweest aangezien hij responsable was. Tot slot heeft een aanzienlijk deel van de getuigen verklaard over de betrokkenheid van de verdachte bij de politieke partij Mouvement Démocratique Républicain (hierna: MDR). Een aantal getuigen heeft bovendien verklaard dat de verdachte deel uitmaakte van MDR-Power. De verdachte heeft zelf hierover verklaard dat hij leider was van de Jeunesse Démocratique Républicaine (hierna: JDR), leden wierf voor de MDR en in dat kader ook bijeenkomsten ( animation ) organiseerde. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij gestopt is met leiding geven aan de JDR nadat de partij zich opsplitste in MDR en MDR-Power, maar wel lid is gebleven van de oorspronkelijke MDR. Longman schrijft dat, hoewel de RPF aanvankelijk erkende dat een groot deel van de leden van de MDR zich tegen de genocide heeft verzet, de partij in 2003 werd opgeheven nadat een parlementaire commissie had geoordeeld dat de MDR, als geheel, medeplichtig was aan de genocide. Uit Longmans rapport volgt verder dat sinds 2000 in Rwanda, althans in het openbaar, zeer negatief wordt gekeken naar de MDR. De meeste aanhangers van de regering bestempelen de MDR tegenwoordig als een partij die zich schuldig heeft gemaakt aan genocide, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de MDR in bredere zin en MDR-Power. De rechtbank benadrukt dat Longman ook rapporteert dat het enkele gegeven dat iemand lid was van de MDR onvoldoende is om betrokkenheid bij de genocide af te leiden. Kwaliteit van identificaties en herkenningen Uit het deskundigenrapport van Nsanzuwera komt naar voren dat het bij verklaringen van Rwandezen vaak lastig is om onderscheid te maken tussen hetgeen iemand zelf heeft gezien en de verhalen die hij of zij van anderen heeft gehoord. De rechtbank constateert dat dit ook in het onderhavige dossier aan de orde is. Doordat getuigen door de rechter-commissaris op verschillende onderdelen van hun verklaringen over hun redenen van wetenschap zijn bevraagd, is gepoogd deze problematiek te ondervangen en te minimaliseren. Toetsing aan van elders verkregen gegevens De mogelijkheid van toetsing van de verklaringen van de getuigen aan (objectieve) gegevens is zeer beperkt, aangezien het procesdossier met name bestaat uit getuigenverklaringen. De vaststelling van de specifieke gedragingen van de verdachte kan slechts plaatsvinden op grond van de getuigenverklaringen. Wel is het mogelijk om de verklaringen te toetsen aan verschillende geschriften en rapportages uit het dossier met betrekking tot het gewapend conflict en de genocide waarmee de verweten gedragingen van de verdachte verband houden. Gelet op de hiervoor geschetste complexiteit is de rechtbank zeer behoedzaam omgegaan met de getuigenverklaringen in het dossier. De rechtbank heeft bij de selectie en waardering van het bewijs bovengenoemde aspecten in acht genomen en slechts die verklaringen voor het bewijs gebruikt die haar het meest betrouwbaar voorkomen. 4.3.1.3. Beoordeling betrouwbaarheid per getuige De rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van de verklaringen van vijf getuigen: [getuige 3] ; [getuige 4] ; [getuige 5] ; [getuige 6] ; en [getuige 7] . Hieronder volgen overwegingen over de betrouwbaarheid van elk van de door hen afgelegde verklaringen. Bij de beoordeling van elk van de afzonderlijke feiten volgt zo nodig een nadere overweging over feit-specifieke betrouwbaarheidskwesties. [getuige 3] Persoon van de getuige De getuige was ten tijde van de ten laste gelegde feiten 27 jaar oud. Volgens zijn identiteitskaart was de getuige ‘Hutu’. Hij verklaart hierover dat vóór 1959 in de identiteitskaarten van zijn ouders ‘Tutsi’ stond, maar dat zij werden gedwongen om ‘Hutu’ op te nemen in hun identiteitskaarten. Hoewel de getuige aanwezig was tijdens een deel van de plunder- en vernietigingstocht, kan hij niet worden gekwalificeerd als ‘dadergetuige’. Uit zijn verklaring volgt dat hij hier slechts bij aanwezig was omdat hij hiertoe gedwongen werd en hij geen verdere handelingen heeft verricht. Dit wordt niet tegengesproken door de verklaringen van anderen of andere stukken uit het dossier. Totstandkoming van de verklaring De getuige is op 4 en 5 maart 2026 en 13 mei 2026 gehoord door de rechter-commissaris. Dit vond plaats op verzoek van de verdediging. De getuige heeft nooit eerder een verklaring over de verdachte afgelegd, maar heeft wel anderen over hem horen verklaren bij de informatieverzameling ten behoeve van de gacaca, waaronder medegetuigen. Consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen Doordat de getuige slechts is gehoord bij de rechter-commissaris kunnen geen uitspraken worden gedaan over consistentie met eerder door hem (elders) afgelegde verklaringen. De verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris is intern consistent. Kwaliteit van identificaties en herkenningen De getuige woonde in 1994 in de commune Mbazi, cellule Kanyaruhinda. Hij kende de verdachte voorafgaand aan de ten laste gelegde periode en was zelf aanwezig tijdens (een deel van) de onder 1 en 2 ten laste gelegde gebeurtenissen. De getuige geeft aan wanneer hij moeite heeft met het herinneren van details en verklaart duidelijk over zijn redenen van wetenschap. Toetsing aan van elders verkregen gegevens De voor de bewezenverklaring relevante onderdelen van de verklaring van de getuige vinden ondersteuning in de overige voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. [getuige 4] Persoon van de getuige De getuige was ten tijde van de ten laste gelegde feiten 30 jaar oud. In zijn identiteitskaart stond dat hij ‘Hutu’ was. In een gacaca-procedure is de getuige veroordeeld tot een TIG straf van twaalf jaren in verband met de gebeurtenissen in Mbazi in 1994. De getuige – die zijn rol daarin ook heeft toegegeven – kan dan ook worden gekwalificeerd als ‘dadergetuige’. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de getuige belastend over de verdachte heeft verklaard met het oog op strafvermindering. Totstandkoming van de verklaring De getuige is op 13 februari 2026 en 11, 12 en 13 maart 2026 gehoord door de rechter-commissaris. Dit verhoor vond plaats naar aanleiding van zijn eerdere politieverhoor, dat plaatsvond op 17 en 18 november 2025. De getuige is aanwezig geweest bij het gacaca-proces tegen de verdachte, waar de getuige zelf een verklaring heeft afgelegd en ook andere getuigen uit het dossier belastend heeft horen verklaren. Dit proces vond plaats nadat de getuige zelf al was veroordeeld bij de gacaca. Consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen De rechtbank stelt vast dat de getuige op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. Toen hij tijdens zijn verhoren door de rechter-commissaris geconfronteerd werd met (andersluidende) delen uit zijn politieverklaring, heeft de getuige zo nodig zijn verklaring gecorrigeerd of genuanceerd. Kwaliteit van identificaties en herkenningen De getuige kende de verdachte al voorafgaand aan april 1994 als docent op een beroepsschool en als responsable . De getuige was zelf aanwezig toen het onder 1 en 2 tenlastegelegde plaatsvond en heeft de verdachte toen herkend. Uit het verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuige zich bewust is van de beperkingen van zijn geheugen en waarnemingen. Hij maakt, in sommige gevallen na enig doorvragen, kenbaar wanneer een verklaring is gestoeld op een eigen waarneming en wanneer deze is gegrond op iets wat hij eerder van anderen heeft vernomen of een eigen gevolgtrekking. Toetsing aan van elders verkregen gegevens De getuige heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde gebeurtenissen op twee punten afwijkend verklaard in vergelijking met een andere getuigenverklaringen in het dossier. In een nadere overweging gaat de rechtbank hier op in (zie 4.3.3.2.). [getuige 5] Persoon van de getuige Getuige [getuige 5] was in de ten laste gelegde periode 20 jaar oud. Op dat moment stond als etniciteit in zijn identiteitskaart vermeld dat hij ‘Tutsi’ was. De getuige genoot een bijzondere positie binnen Mbazi: zijn familie werd gezien als belangrijk en genoot daarom bescherming van de prefect. Om deze reden is de woning van de getuige niet aangevallen. De getuige is bij de gacaca verdacht geweest van twee strafbare feiten (die niet direct samenhingen met de onderhavige zaak), maar is hiervan vrijgesproken. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de getuige uit persoonlijke motieven belastend over de verdachte heeft verklaard. Totstandkoming van de verklaring Op 3, 4 en 5 november 2025 is de getuige gehoord door de rechter-commissaris. Eerder vond een verhoor door politie plaats, op 20 en 27 mei 2021, en op 13, 15 en 20 juli 2021. Hiervoor heeft de getuige op 30 juni 2011 een verklaring afgelegd bij de medewerkers van het Rwandese parquet-général, waarin hij belastend heeft verklaard over de verdachte. De getuige is ook aanwezig geweest bij verschillende gacaca-processen waar werd verklaard over de verdachte. Zelf heeft de getuige slechts een keer een getuigenverklaring afgelegd bij de gacaca. Die verklaring zag niet op de verdachte. Consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen De getuige heeft op hoofdlijnen consistent verklaard, zij het dat de getuige op onderdelen moeite heeft met het herinneren van specifieke data en het tijdsverloop. De rechtbank acht de onderdelen waar deze inconsistenties zich voordoen van ondergeschikt belang en verklaarbaar gelet op het tijdsverloop tussen de ten laste gelegde periode en de verschillende momenten waarop de getuige is verhoord. Kwaliteit van identificaties en herkenningen De getuige was voorafgaand aan de ten laste gelegde periode bekend met de verdachte als zijnde de voorzitter van de JDR en als bestuurder. De getuige heeft tijdens zijn verklaring bij de rechter-commissaris aangegeven wanneer hij zich bepaalde details niet kon herinneren. Ook heeft hij in zijn verklaring onderscheid gemaakt tussen wat hij zelf heeft waargenomen en wat hij te weten is gekomen via derden. De rechtbank gaat hierna nader in op de herkenning van de verdachte door deze getuige (zie 4.3.3.2.). Toetsing aan van elders verkregen gegevens De voor de bewezenverklaring relevante onderdelen van de verklaring van de getuige vinden ondersteuning in de overige voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. [getuige 6] Persoon van de getuige Ten tijde van de ten laste gelegde periode was getuige [getuige 6] 29 jaar oud. In zijn identiteitskaart stond dat hij ‘Tutsi’ was. De getuige behoorde tot de Abakora en is slachtoffer van de plunder- en vernietigingstocht die plaatsvond op 22 april 1994. Totstandkoming van de verklaring De getuige heeft op 25 en 26 november 2024 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris na zijn eerdere politieverklaring, die hij op 20, 24 en 26 mei 2021 aflegde. Voorafgaand aan zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid met een psycholoog te spreken. Ook heeft de getuige een verklaring afgelegd bij de gacaca, maar hierbij heeft hij niet gesproken over de verdachte. Wel heeft hij anderen over de verdachte horen verklaren. Ook heeft de getuige verklaard dat hij met een andere getuige heeft gesproken over de aanval op de Abakora en de rol van de verdachte daarbij. Tijdens zijn verhoren heeft hij echter op belangrijke punten onderscheid gemaakt tussen wat hij zelf heeft waargenomen en wat hij van anderen heeft gehoord. De rechtbank heeft hier bij het gebruik voor het bewijs van zijn verklaring rekening mee gehouden. Consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen De rechtbank stelt vast dat de getuige op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. De getuige heeft zijn politieverklaring zo nodig genuanceerd. Kwaliteit van identificaties en herkenningen De getuige kende de verdachte voorafgaand aan de ten laste gelegde periode aangezien de verdachte responsable was. De getuige heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde gebeurtenissen waargenomen vanuit een bananenplantage. Tijdens het verhoor is de getuige uitgebreid bevraagd over de wijze waarop hij deze gebeurtenissen heeft kunnen waarnemen. De getuige heeft in zijn verklaring duidelijk aangegeven wat hij op dat moment heeft kunnen zien en wat hij heeft kunnen horen. De getuige heeft aangegeven wanneer hij zich bepaalde zaken niet meer kon herinneren. Toetsing aan van elders verkregen gegevens De voor de bewezenverklaring relevante onderdelen van de verklaring van de getuige vinden ondersteuning in de overige voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. [getuige 7] De persoon van de getuige In april 1994 was de getuige 45 jaar oud en stond in zijn identiteitskaart dat hij ‘Hutu’ was. De getuige is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren in verband met de gebeurtenissen in Mbazi in 1994. De getuige is dus een dadergetuige. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de getuige belastend over de verdachte heeft verklaard met het oog op strafvermindering. De totstandkoming van de verklaring De getuige is op 17 tot en met 20 juni 2025 en op 10 tot en met 12 november 2025 onder ede gehoord door de rechter-commissaris. Voorafgaand aan dit verhoor heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid met een psycholoog te spreken. Op 28 en 29 september 2023 heeft de getuige een verklaring afgelegd bij de politie. Verder heeft de getuige in 2011 een verklaring afgelegd bij medewerkers van het Rwandese parquet-général. Getuige [getuige 7] heeft op verschillende plekken gedetineerd gezeten, waar hij andere getuigen is tegengekomen, en heeft deelgenomen aan bijeenkomsten van gevangenen uit dezelfde commune (Mbazi) die waren gericht op het verzamelen van informatie. Uiteindelijk heeft de getuige een bekennende verklaring afgelegd. De naam van de verdachte heeft hij destijds niet genoemd in zijn verklaring. De getuige is uitgebreid bevraagd over de gang van zaken bij de informatieverzameling in de gevangenis, en over zijn aanwezigheid bij de gacaca-processen. De getuige heeft verklaard dat er bij de gacaca-processen die hij heeft bijgewoond niet over de verdachte werd gesproken. Verder volgt uit de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris dat hij van vier getuigen weet dat zij een verklaring hebben afgelegd bij de Nederlandse politie. De getuige geeft aan dat hij hen gevraagd heeft wat de getuigen hadden besproken, maar dat zij hierover niks wilden vertellen en hijzelf, nadat hij terugkwam van zijn politieverhoor, ook niks met hen heeft gedeeld. Ook is getuige [getuige 7] samen met een andere getuige naar Kigali afgereisd ten behoeve van het verhoor bij de rechter-commissaris. Niet is gebleken dat de getuigen inhoudelijk met elkaar hebben gesproken over de door hen af te leggen verklaringen. De consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen De rechtbank stelt vast dat de getuige op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. De getuige heeft toen hij geconfronteerd werd met delen uit zijn politie verklaring en zijn verklaring bij het Rwandese parquet-général , zo nodig verbeteringen of aanvullingen aangebracht. Voor zover specifieke onderdelen van zijn politieverklaring en zijn verklaring bij de rechter-commissaris andersluidend zijn, heeft de rechtbank deze onderdelen niet gebezigd voor het bewijs. De rechtbank, acht deze inconsistenties van ondergeschikt belang om de verklaring, in zijn geheel, niet bruikbaar te achten voor het bewijs. Kwaliteit van identificaties en herkenningen De getuige woonde niet ver van de verdachte en kende hem al voor de ten laste gelegde periode. De getuige was aanwezig tijdens de onder 1 en 2 ten laste gelegde gebeurtenissen en heeft daarbij de verdachte herkend. Uit het verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuige steeds kenbaar heeft gemaakt wanneer een verklaring gestoeld is op een eigen waarneming en wanneer een verklaring is gegrond op een gevolgtrekking of op iets wat hij van anderen heeft vernomen. De getuige heeft aangegeven wanneer hij zich zaken – namen, plaatsbepalingen en gebeurtenissen – niet kon herinneren. Toetsing aan van elders verkregen gegevens Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde is de verklaring van getuige [getuige 7] slechts gebezigd voor het bewijs voor zover deze ondersteund wordt door het dossier. In een nadere overweging gaat de rechtbank in op zijn verklaring dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verdelen van de geplunderde goederen (zie 4.3.3.2.). 4.3.2. Feitelijke vaststellingen (algemeen) Alvorens specifiek in te gaan op de ten laste gelegde feiten, schetst de rechtbank eerst de algemene situatie in Rwanda ten tijde van die feiten, de persoon en positie van de verdachte destijds, en relevante feitelijke gebeurtenissen in en om Mbazi. De vaststellingen steunen op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen en op de in de voetnoten genoemde bronnen. 4.3.2.1. Algemene situatie in Rwanda april 1994 De aanloop naar de gebeurtenissen van april 1994 is reeds vastgesteld in eerdere uitspraken en is ter zitting niet betwist. De rechtbank zal voor het verloop van deze aanloop als zodanig volstaan met het verwijzen naar die eerdere uitspraken en zich beperken tot hetgeen relevant is voor de context van deze zaak. Op 6 april 1994 werd het vliegtuig van de Rwandese president Juvénal Habyarimana neergeschoten tijdens het afdalen naar de luchthaven van Kigali. Alle inzittenden, inclusief de president, kwamen daarbij om het leven. De volgende dag werden in Kigali verschillende belangrijke politieke figuren vermoord. Nog een dag later werd een interim-regering gevormd met [naam 1] als president en [naam 2] als premier. De leden van de interim-regering werden op 9 april 1994 beëdigd in Kigali. De anti-Tutsi propaganda van de voorgaande decennia werd door de interim-regering voortgezet. Het opsporen en vermoorden van vermeende tegenstanders van het regime, voornamelijk Tutsi’s, begon op 7 april 1994 en breidde zich vervolgens uit over het hele land. De radio bleek een effectief middel om op te roepen tot haat tegen de Tutsi-bevolking. Op 12 april 1994 riep de minister van Defensie via de radio op tot eenheid onder de Hutu’s, waarbij hij zei dat partijbelangen opzij moesten worden gezet in de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand, te weten de Tutsi’s. Het neerhalen van het vliegtuig van de president was niet alleen het startsein voor massamoorden op Tutsi’s en gematigde Hutu’s, het betekende ook een hervatting van de strijd tussen de RPF en de FAR. Aan beide kwam een eind toen de RPF medio juli de tegenstand van de FAR definitief brak, de interim-regering van extremistische Hutu’s het land ontvluchtte en de RPF een staakt-het-vuren afkondigde. Tussen 6 april 1994 en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep, een bevolkingsgroep die kan worden aangemerkt als een etnische groep in de zin van het Genocideverdrag, aldus het ICTR in bestendige rechtspraak. Het betrof geen spontane uitbarsting van etnisch geweld, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking met het doel die bevolkingsgroep uit te roeien. De rechtbank is van oordeel – zoals al eerder door deze rechtbank en door het ICTR is geoordeeld – dat in deze maanden in 1994 in Rwanda een genocide plaatsvond, met als doel het uitroeien van de Tutsi-bevolking als zodanig. 4.3.2.2 Lokaal bestuur Rwanda was in 1994 onderverdeeld in elf prefecturen. Aan het hoofd van een prefectuur stond de prefect. Prefecturen waren onderverdeeld in communes (gemeenten), met aan het hoofd een burgemeester. Communes waren onderverdeeld in secteurs (sectoren). Aan het hoofd van een secteur stond een conseiller . Secteurs waren onderverdeeld in cellules (cellen). Cellules telden gemiddeld zo’n 1.000 inwoners en werden geleid door een gekozen comité van vijf celleiders. Aan het hoofd van het celcomité stond de responsable . Kenmerkend voor de bestuurlijke structuur van Rwanda destijds was de hiërarchische structuur. Uit de contextrapportage volgt: “ Local administration was built on strict hierarchical grounds with strict orders coming from government. They were implemented on the spot with the minister -- the préfet, who was the highest ranking officer at the local level. The implementation was further executed by bourgmestre, conseiller and responsable du cellule .” In de weken na 6 april 1994 bleef het bestuur in veel Rwandese gemeenten effectief functioneren. Bevelen van de interim-regering werden doorgegeven aan de prefect die ze op zijn beurt doorgaf aan de burgemeesters. Burgemeesters belegden lokale vergaderingen waar de bevelen van de interim-regering gedeeld werden. Binnen de communes waren het de burgemeesters en hun ondergeschikten die burgers mobiliseerden. 4.3.2.3. Situatie ter plaatse in Mbazi Mbazi, een commune (gemeente) binnen de prefectuur Butare, was één van de gemeenten waar vluchtelingen van het geweld zich aanvankelijk vrij konden bewegen; het was er tot 19 april 1994 relatief vreedzaam. Terwijl het onrustig werd in de naburige gemeenten, trokken Hutu’s, Tutsi’s en Twa uit Mbazi naar de grens van hun gemeente om aanvallers tegen te houden. [naam 3] , de burgemeester van de commune Mbazi, organiseerde deze verdediging. De commune Mbazi was onderverdeeld in verschillende secteurs , waaronder de gelijknamige secteur Mbazi. In april 1994 stond aan het hoofd van deze secteur conseiller [naam 6] . Op of omstreeks 17 april 1994 besloot de interim-regering de préfect van Butare, [naam 4] , uit zijn functie te zetten omdat hij zich verzette tegen het aanvallen op de Tutsi-bevolking. Op 19 april 1994 werd de nieuwe préfect, [naam 5] , geïnstalleerd. Tijdens de installatieceremonie maakte interim-premier [naam 2] in zijn toespraak duidelijk dat de regering het niet meer zou tolereren dat burgers sympathiseerden met wat in zijn ogen de vijand was. Ook interim-president [naam 1] kwam aan het woord. In zijn toespraak, die op de radio werd uitgezonden, sprak hij zijn afkeur uit over het uitblijven van actie in de prefectuur Butare en zei hij dat het tijd was om ook hier oorlog te gaan voeren. Het ICTR heeft overwogen dat deze twee leiders met hun toespraken het bestaan van oorlog benadrukten, de bevolking van Butare aanspoorden om in actie te komen en waarschuwden voor verraders met als doel het aanzetten van de bevolking tot actie tegen de Tutsi’s. Op 20 april 1994 vond een veiligheidsoverleg plaats onder leiding van de nieuwe prefect van Butare. De vergadering werd bijgewoond door de burgemeesters van de prefectuur Butare, waaronder [naam 3] , de burgemeester van Mbazi. Tijdens de vergadering deelde de nieuwe prefect [naam 5] het beleid van de interim-regering met de aanwezigen. 4.3.2.4. Positie van de verdachte in Mbazi De verdachte stond geregistreerd als ‘Hutu’ en had een Hutu-vader en een Tutsi-moeder. Hij werkte als leraar op een school naast het communegebouw van Mbazi. Hij leidde jongeren op tot timmerman. De verdachte is in 1991 responsable geworden van Gatobotobo, een cellule binnen de secteur Mbazi. Als responsable van Gatobotobo was de verdachte verantwoordelijk voor de umuganda ((traditionele) burenhulp, gemeenschapsarbeid), de sociale ontwikkeling binnen de cellule en het bemiddelen bij conflicten tussen burgers binnen zijn cellule . Ook stuurde hij als responsable het celcomité van Gatobotobo aan. De verdachte is responsable gebleven tot het moment dat hij is gevlucht uit Mbazi in juni of juli 1994. Daarnaast was de verdachte lid van de politieke partij MDR. Hij had vanaf 1992 een leidinggevende functie binnen de JDR, de jongerenafdeling van de MDR, die inhield dat hij op zoek ging naar nieuwe, jonge aanhangers van de MDR. Hij moest ervoor zorgen dat de politieke partij bekend werd en organiseerde animation (propagandabijeenkomsten met muziek en dans). 4.3.2.5. Vergaderingen Nadat de hiervoor genoemde bijeenkomst van het veiligheidscomité in Butare op 20 april 1994, organiseerde burgemeester [naam 3] op 21 april 1994 een bijeenkomst voor iedere inwoner uit de secteur Mbazi in het Byiza stadion. [naam 3] sprak de aanwezigen toe en zei hen onder meer dat ‘onkruid eerst op een hoop geveegd moet worden, voordat het verbrand kan worden’. Ook zei hij dat ‘wanneer een slang om een kalebas gerold zit, ook de kalebas gebroken moet worden om de slang te doden’. Met dergelijke beeldspraak liet hij de aanwezigen weten dat iedereen moest doen wat nodig was om het vermeende gevaar – de Tutsi-bevolkingsgroep – te vernietigen. De verdachte was bij deze vergadering in het Byiza stadion aanwezig. 4.3.2.6. Aanvalstochten Op 22 april 1994, daags na de toespraak van burgemeester [naam 3] in het stadion van Byiza, heeft in Mbazi een aanval plaatsgevonden op huizen van Tutsi’s waarbij een groep aanvallers goederen meenam en brand stichtte. Deze aanval vond plaats tegen specifieke Tutsi-gemeenschappen, waaronder de Abagarama in de cellule Kanyaruhinda en de Abakora in de cellule Gatobotobo. De getuigenverklaringen lopen uiteen als het gaat om de grootte van de groep aanvallers, maar vastgesteld kan worden dat de groep bestond uit minstens vijftig personen. De aangevallen huizen waren eigendom van Tutsi’s die al gevlucht waren naar het stadion van Byiza, dan wel van Tutsi’s die, nadat zij de aanvalsgroep aan zagen of hoorden komen, op de vlucht waren geslagen. Tijdens de aanvalstocht werd getrommeld en het lied ‘Tubatsembatsembe’ gezongen. ‘Tubatsembatsembe’ betekent letterlijk: ‘laten we hen allemaal uitroeien’, of: ‘we gaan hen allemaal uitroeien’. Dit lied had een genocidale strekking. 4.3.2.7. Gebeurtenissen stadion Byiza Op 21 april 1994, toen burgemeester [naam 3] zijn toespraak in het stadion van Byiza hield, waren er al veel Tutsi-ontheemden in het stadion. Dit waren voornamelijk vluchtelingen uit de omringende sectoren. Op vrijdag 22 april 1994 vluchtten de Tutsi’s uit Mbazi massaal naar het stadion van Byiza. Bestuurders vertelden hen dat zij daar veilig zouden zijn. Op maandag 25 april 1994 bevonden zich tussen de 5.000 en 7.000 ontheemden in het stadion. Later die dag is een groot aantal van hen door Hutu-extremisten gedood. Ook waren er militairen bij deze aanval betrokken. Na de genocide werden nabij het stadion 3.194 lichamen opgegraven uit een massagraf. Op drie andere locaties in de buurt werden 504, 376 en 176 lichamen opgegraven. 4.3.3. Ten aanzien van feiten 1 en 2: plundering en vernietiging 4.3.3.1. Juridisch kader De tenlastelegging is, onder feiten 1 en 2, toegesneden op artikel 8 (oud) Wos. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten luidde dit artikel, voor zover in deze zaak relevant, als volgt: Artikel 8 1. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: (…) 4°. indien het feit plundering inhoudt. 3. De levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: (…) 3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort; 4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten; 5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan; (…). Het begrip ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’ Waar in de Wos wordt gesproken over ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’, wordt gedoeld op de gebods- en verbodsnormen vervat in de vier Geneefse Conventies, de Aanvullende Protocollen bij deze Conventies, andere internationale verdragen en het internationaal gewoonterecht. Van de rechter wordt verlangd dat hij zich voor de toepassing van de Wos mede oriënteert op het internationale recht en de internationale rechtspraak. De Geneefse Conventies zijn in hun volle omvang van toepassing op internationale gewapende conflicten en voor een beperkt deel op niet-internationale gewapende conflicten. De vier Geneefse Conventies bevatten alle een gelijkluidend artikel 3, ook wel het gemeenschappelijke artikel 3 genoemd, met minimumgedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden. De Aanvullende Protocollen I en II vullen een aantal hiaten op in de Geneefse Verdragen. Het Aanvullend Protocol I doet dit voor internationale gewapende conflicten, het Aanvullend Protocol II doet dit voor niet-internationaal gewapende conflicten. De doelstelling van het Aanvullend Protocol II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd en heeft de bescherming van de Geneefse conventies verder uitgebreid en uitgewerkt. De vereisten voor oorlogsmisdrijven Op grond van het gemeenschappelijk artikel 3 en het Aanvullend Protocol II, alsmede de invulling die daaraan door de (internationale) rechtspraak is gegeven, kan alleen sprake zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict, indien voldaan is aan de volgende vereisten: i) Er is een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen; ii) De dader moet kennis hebben van dit conflict; iii) De slachtoffers moeten behoren tot één van de categorieën beschermde personen bedoeld in het gemeenschappelijk artikel 3; dat wil zeggen het moeten personen zijn die niet (of niet langer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen; iv) Er dient een nauwe samenhang (‘nexus’) te bestaan tussen de verboden handelingen van een verdachte en het gewapende conflict. De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog. Niet-internationaal gewapend conflict Volgens vaste (internationale) jurisprudentie is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict indien sprake is van aanhoudend gewapend geweld ( protracted armed violence ) tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten of andere groepen binnen een staat, en wanneer de betrokken gewapende groepering(en) voldoende georganiseerd zijn. Factoren die onder meer van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de intensiteit van het geweld zijn het aantal, de duur en de intensiteit van de confrontaties; het type wapens en ander militair materiaal dat gebruikt wordt; de hoeveelheid en het type afgevuurde munitie; het aantal personen en het soort gewapende groeperingen die deelnemen aan de gevechten; het aantal slachtoffers; de omvang van de materiële schade en het aantal intern ontheemden. De betrokkenheid van de VN Veiligheidsraad kan ook een indicatie van de intensiteit van het conflict vormen. Voor de vaststelling of een gewapende groep voldoende georganiseerd is, zijn onder meer de volgende factoren van belang: het bestaan van een commandostructuur en disciplinaire regels en mechanismen binnen de groep; het bestaan van een hoofdkwartier; de omstandigheid dat de groep een bepaald gebied controleert; het vermogen van de groep om toegang tot wapens en ander militair materiaal, rekrutering en militaire training te verkrijgen; de mogelijkheid om militaire operaties te plannen, coördineren en uit te voeren, inclusief troepenbeweging en daarmee samenhangende logistiek; de mogelijkheid een uniforme militaire strategie te bepalen en het gebruik van militaire tactieken; en de mogelijkheid om met één stem te spreken en te onderhandelen en overeenkomsten af te sluiten zoals een staakt het vuren of een vredespact. Deze factoren zijn niet limitatief, maar slechts indicatief en één enkele factor op zich is niet bepalend. Een staat wordt verondersteld strijdkrachten te hebben die voldoen aan het organisatie-vereiste. Beschermde personen Het internationaal humanitair recht heeft tot doel om personen te beschermen die niet of niet langer deelnemen aan vijandelijkheden. Nexus Zodra sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict is het internationaal humanitair recht van toepassing, zij het dat dit recht alleen van toepassing is op die handelingen die voldoende samenhang (nexus) hebben met het conflict. Het nexus-vereiste beoogt het toepassingsbereik van het internationaal humanitair recht te begrenzen en ervoor te zorgen dat dit recht niet wordt toegepast op handelingen of commune delicten die geen enkel verband houden met het gewapende conflict. Het conflict moet een wezenlijke rol hebben gespeeld in de mogelijkheid of beslissing van de dader om het misdrijf te plegen, de wijze waarop het misdrijf is begaan of het doel waarvoor het misdrijf is begaan. De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor oorlogsmisdrijven is niet gelimiteerd tot de strijdende partijen en degenen die in nabije relatie staan met een van de partijen. Factoren die van belang zijn om te bepalen of er voldoende samenhang (nexus) bestaat zijn onder meer: de status van het slachtoffer en de dader in relatie tot de Verdragen van Genève en de rol die zij hadden in de vijandelijkheden, respectievelijk non-combattant (slachtoffer) en strijder (dader); of het misdrijf het (eind)doel van een militaire strategie bevordert; en/of de handeling(en) zijn gepleegd als onderdeel van of in de context van de uitoefening van een van de officiële taken van de dader. Schendingen van het internationaal humanitair recht De rechtbank dient te beoordelen of de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak schendingen opleveren van het internationaal humanitair recht zoals dat gold in de tenlastegelegde periode. Daartoe zal zij in dit hoofdstuk eerst uiteenzetten hetgeen de voor deze zaak relevante verbods- en gebodsnormen inhouden. De rechtbank heeft voor de invulling en interpretatie daarvan acht geslagen op de commentaren bij de Geneefse Conventies van het International Committee of the Red Cross (hierna: ICRC) en jurisprudentie van de ad hoc tribunalen en het internationaal strafhof (hierna, naar de Engelse benaming: ICC). Plundering Het verbod op plundering is opgenomen in artikel 4, tweede lid, onder g van Aanvullend Protocol II bij de Geneefse Verdragen. Dit verdrag is in 1984 door Rwanda geratificeerd. De statuten van de ad hoc tribunalen, bevatten ook strafbaarstellingen van het misdrijf plundering. Beide statuten waren (ook) van toepassing op niet-internationaal gewapende conflicten. Uit de jurisprudentie van het ICTY volgt dat het verbod op plundering onderdeel uitmaakt van het gewoonterecht. Dit is door het ICC bevestigd en volgt ook uit regel 52 van de ICRC studie naar het internationaal humanitair gewoonterecht. De rechtbank is daarmee van oordeel dat plundering een verboden gedraging in niet-internationaal gewapende conflicten is en dat dit ook in 1994 het geval was. De strafbaarstelling van plundering is, zoals hierboven al is uiteengezet, opgenomen in artikel 8 (oud) Wos. In de jurisprudentie van het ICTY is het misdrijf plundering gedefinieerd als “ all forms of unlawful appropriation of property in armed conflict .” Van het misdrijf plundering is sprake wanneer publieke of private eigendommen op onrechtmatige wijze en opzettelijk worden toegeëigend of verkregen door een dader. Om tot een veroordeling van het misdrijf plundering te komen, is vereist dat eigendommen op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Dit houdt in dat de verweten gedragingen niet vallen onder de uitzonderingen waarin het oorlogsrecht voorziet en op grond waarvan goederen zonder toestemming van de rechtmatige eigenaar mogen worden verkregen. Blijkens het commentaar van het ICRC op Aanvullend Protocol II heeft het verbod op plundering zowel betrekking op georganiseerde plundering als op plundering die het gevolg is van incidentele gevallen van wangedrag door individuen. Dit vindt bevestiging in de jurisprudentie van het ICTY. Uit de jurisprudentie van het ICTY volgt dat het geen vereiste is dat plundering plaatsvindt in het kader van militaire acties. Evenmin is vereist dat de plundering is uitgevoerd door een combattant: het oorlogsmisdrijf plundering kan ook worden gepleegd door burgers. Vastgesteld dient te worden dat het misdrijf nauw samenhangt met de vijandelijkheden. Vernietiging Dat het verbod op vernietiging van goederen van de tegenpartij onderdeel uitmaakt van het internationaal humanitair gewoonterecht dat toepasselijk is op zowel internationale als niet-internationale gewapende conflicten, vindt onder meer bevestiging in regel 50 van de internationaal humanitair gewoonterecht studie van het ICRC: “The destruction or seizure of the property of an adversary is prohibited, unless required by imperative military necessity.” Artikel 3 van het Statuut van het ICTY stelt strafbaar de ‘ violations of the laws or customs of war’. Artikel 3, onder b ziet daarbij specifiek op “ wanton destruction of cities, towns or villages, or devastation not justified by military necessity. ” De Appeals Chamber van het ICTY oordeelde dat dit artikel deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht dat betrekking heeft op zowel internationale gewapende conflicten als niet-internationale gewapende conflicten. Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank dat vernietiging van goederen van de tegenpartij, volgens de wetten en gebruiken van de oorlog, een verboden gedraging in niet-internationaal gewapende conflicten is en dat dit ook in 1994 het geval was. Vernietiging van goederen van de tegenpartij is dus een schending van artikel 8 (oud) Wos en als zodanig strafbaar naar Nederlands recht. Op grond van artikel 3, onder b van het Statuut van het ICTY worden twee soorten gedragingen strafbaar gesteld: moedwillige vernietiging van steden en dorpen enerzijds en vernietiging die niet door militaire noodzaak gerechtvaardigd wordt anderzijds. De Trial Chamber achtte het in de zaak Strugar passend om beide misdrijven gelijk te stellen, maar tekende daarbij aan dat het misdrijf ‘ devastation ’ in een andere context, bijvoorbeeld in het geval van verwoesting van gewassen of bossen, een bredere toepassing kan hebben. De Trial Chamber oordeelde voorts dat de door de Appeals Chamber in de zaak Kordić nader omschreven bestanddelen van het misdrijf ‘ wanton destruction of cities, towns or villages ’ ook van toepassing zijn op het misdrijf ‘ devastation not justified by military necessity ’ in de Strugar zaak. Het gaat om de volgende bestanddelen: i) the destruction of property occurs on a large scale; ii) the destruction is not justified by military necessity; and iii) the perpetrator acted with the intent to destroy the property in question or in reckless disregard of the likelihood of its destruction . Uit het eerste bestanddeel volgt dat moet worden aangetoond dat een aanzienlijk aantal objecten is beschadigd of vernietigd of dat de waarde van een enkel vernietigd object van een zekere hoogte is. Dit vereist een beoordeling per geval, gebaseerd op de feiten van de zaak. Niet vereist is dat een stad, dorp of nederzetting volledig is verwoest, maar de vernietiging moet wel op grote schaal hebben plaatsgevonden. De strafbaarstelling is van toepassing op roerende en onroerende goederen of objecten, en geldt ook voor gedeeltelijke vernietiging. Het tweede bestanddeel houdt in dat de bescherming van het verbod op vernietiging gelimiteerd wordt door uitzonderingen op grond van militaire noodzaak. Het derde bestanddeel ziet op het opzetvereiste. Het ICC heeft overwogen dat vernietiging verschillende vormen kan aannemen en dat het onder meer handelingen zoals brandstichting, slopen of het op andere wijze beschadigen van objecten of eigendommen omvat. Regel 50 van het ICRC studie naar het internationaal humanitair gewoonterecht noemt “ property of an adversary ”. Het ICC heeft dit bestanddeel naderhand uitgelegd als personen of entiteiten die worden beschouwd als gelieerd aan de tegenpartij in het conflict, of als vijandig of vijandig gezind ten opzichte van de dader. Wat betreft vernietiging van eigendom van personen die geen uitgesproken of kennelijke band hadden met een bij het conflict betrokken partij, kan niettemin worden aangetoond dat deze personen of entiteiten ‘vijandig’ waren, of door de daders als zodanig werden beschouwd, bijvoorbeeld door aan te tonen dat zij niet achter de partij van de daders of diens doelstellingen stonden of deze steunden. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit worden aangetoond door middel van de etnische afkomst of de woonplaats van de eigenaar van het verwoeste eigendom. Het is geen vereiste dat het misdrijf wordt gepleegd in het kader van militaire acties. Het volstaat dat het misdrijf nauw verband houdt met het gewapend conflict. 4.3.3.2. Beoordeling rechtbank Niet-internationaal gewapend conflict in Rwanda In eerdere uitspraken is reeds vastgesteld dat gedurende de in de tenlastelegging omschreven periode (22 april tot en met 25 april 1994) op het grondgebied van Rwanda sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict tussen de strijdkrachten van de Rwandese regering (FAR) en de strijdkrachten van de RPF. De rechtbank neemt ook in deze zaak het bestaan van het niet-internationaal gewapende conflict in die periode aan en volstaat ter motivering van dat oordeel met een verwijzing naar die eerdere uitspraken. Uit de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat de verdachte kennis had van het gewapende conflict tussen de FAR en de RPF. Bijeenkomst op 22 april 1994 Voorafgaand aan de aanvalstocht op 22 april 1994, waarbij de huizen van de Abagarama en de Abakora zijn aangevallen, heeft een bijeenkomst in de buurt van de zogenoemde markt van Grégoire plaatsgevonden. Tijdens de bijeenkomst heeft conseiller [naam 6] medegedeeld dat de Abagarama en de Abakora aangevallen moesten worden, waarna de aanvalsgroep is vertrokken. De verdachte was bij deze bijeenkomst aanwezig. De precieze inhoud van de mededeling van [naam 6] en de volgorde waarin de Tutsi-gemeenschappen vervolgens zijn aangevallen, kan de rechtbank aan de hand van de door haar gebezigde getuigenverklaringen niet met zekerheid vaststellen. Dit doet evenwel niet af aan de vaststelling dat [naam 6] opdracht heeft gegeven tot het aanvallen van deze twee Tutsi-gemeenschappen en dat deze aanvallen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Aanval op de Abagarama Ten aanzien van de aanval op de Abagarama in Kanyaruhinda volgt uit de bewijsmiddelen dat hier meerdere huizen zijn aangevallen waarbij eigendommen van Tutsi’s zijn meegenomen. Tijdens deze aanval zijn een huis van stro en omheiningen van woningen in brand gestoken. De verdachte was hierbij, samen met de conseiller, aanwezig. Aanval op de Abakora De aanvalstocht richting de Abakora verplaatste zich van het huis van getuige [getuige 5] naar het huis van [getuige 8] . De verdachte liep op dat moment mee met de aanvalstocht. Bij deze woning is vee meegenomen en brand gesticht. Niet valt vast stellen of dit zag op de omheining van het erf, een klein huisje van stro en/of het daadwerkelijke woonhuis. Vervolgens heeft de aanval zich verspreid over het gebied waar de Abakora-gemeenschap woonde, waarbij deuren zijn geforceerd, goederen en vee uit de woningen zijn weggenomen en brand is gesticht. Over de wijze waarop de aanval plaatsvond verklaren de getuigen: “Je kon zien dat die jongens uit de buurt wisten wie waar woonde. [..] Ik heb al gezegd, dat er jongeren, die daar waren die naar binnen gingen, om die spullen eruit te halen. De leiders stonden daarbuiten te kijken. Op sommige deuren gingen die jongens schoppen, totdat de deuren opengingen. Op andere deuren zaten slotjes. Die gingen zij stukmaken. Zo gingen zij naar binnen.” en “Zij waren aan het plunderen. Zij namen alles mee wat van waarde was. Sterke huizen staken zij niet in brand. Zij pakten eerst de spullen van waarde die in huis lagen en zij namen die mee. Huizen die makkelijk in brand gingen, die staken ze in brand. Spullen van waarde namen zij mee. Als er iets in huis lag, waarmee ze niks konden, dan lieten ze dat in huis.” Rol van de verdachte De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat de verdachte aanwezig was bij de bijeenkomst voorafgaand aan de aanval op de Abagarama en de Abakora, en ook bij die twee aanvallen. Meerdere getuigen hebben de verdachte op verschillende momenten en op verschillende locaties mee zien lopen met de aanvalsgroep. Hoewel getuigen verschillend verklaren over de fysieke positie van de verdachte binnen de aanvalsgroep, zijn die verklaringen niet tegenstrijdig met elkaar: vaststaat dat de verdachte bij de aanvalsgroep aanwezig was. In dat kader is van belang dat de aanvalstocht enige tijd heeft geduurd. Ook heeft de groep aanvallers een aanzienlijke afstand afgelegd doordat de aanval plaatsvond in zowel Kanyaruhinda als Gatobotobo. Bovendien was er geen sprake van een statische situatie; het betrof een grote groep mensen die continu in beweging was, waarbij het voor te stellen is dat de verdachte op verschillende momenten op verschillende plekken binnen de groep heeft meegelopen. Dat verschillende (andere) getuigen hebben verklaard de verdachte niet te hebben gezien ten tijde van de aanval, is gelet hierop dan ook voorstelbaar en sluit niet uit dat hij daarbij wel aanwezig is geweest, maar door die getuigen niet is gezien. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook niet van zodanig gewicht dat zij de verklaringen waaruit volgt dat de verdachte wel aanwezig was ten tijde van de aanval, terzijde schuiven. De rechtbank stelt verder vast dat dat de verdachte een zeker aanzien genoot binnen zijn cellule vanwege zijn functie als responsable . Voor de inwoners van Gatoboto was hij een (bestuurlijk) leider. Daar waar getuigen verklaren over de verdachte, benadrukken zij het belang van zijn functie als responsable . Daarnaast verklaren de getuigen dat de verdachte samen was met andere bestuurlijk leiders, waaronder conseiller [naam 6] . De bestuurlijk leiders werden door hun aanwezigheid ook gezien als leiders van de aanvalsgroep. Nadat de aanvalsgroep – op weg naar de Abakora – stopte bij het huis van [getuige 8] , zijn de verdachte en [naam 6] voor de groep gaan staan. Terwijl zij naar voren liepen, stopte het trommelen waarmee de aanvalstocht gepaard ging. Op het moment dat de verdachte samen met [naam 6] voor de groep stond, is er met de aanvallers gesproken. Direct hierna begon de aanval op de Abakora. Gelet op deze vaststellingen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat op dat moment instructies zijn gegeven over de aanval op de Abakora. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aanvallers – eenmaal daar – de huizen binnen gingen en brand stichtten, terwijl de bestuurlijk leiders, waaronder de verdachte, vanaf de weg toekeken. Tijdens en na de aanval werden de goederen en het vee afkomstig van de Abagarama en de Abakora verzameld bij de markt van Grégoire. Hier werd het vee geslacht, waarna de goederen en het vlees werden verdeeld onder de aanvallers. Vastgesteld kan worden dat de verdachte met de aanvalsgroep mee is gelopen naar die locatie en aanwezig was tijdens het verdelen van de goederen en het vlees. Nadere bewijsoverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen De rechtbank onderkent dat de verklaringen van de vijf getuigen wat betreft de feiten 1 en 2 niet op alle onderdelen met elkaar overeenkomen. De verklaring van getuige [getuige 4] wijkt op twee punten af van de verklaringen van de overige getuigen. Het eerste punt betreft de volgorde waarin de plunder- en vernietigingstocht heeft plaatsgevonden. In tegenstelling tot andere getuigen, verklaart getuige [getuige 4] dat eerst is aangevallen bij de Abakora en daarna bij de Abagarama. De rechtbank heeft hierdoor niet kunnen vaststellen in welke volgorde deze Tutsi-gemeenschappen op 22 april 1994 zijn aangevallen. Dit punt acht de rechtbank evenwel niet van doorslaggevend belang. Alle voor het bewijs getuigen hebben immers verklaard dát zowel de Abagarama als de Abakora op die dag zijn aangevallen. Het tweede punt betreft de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris dat er geen huizen bij de Abakora in brand zijn gestoken. Deze verklaring lijkt tegenstrijdig met de verklaringen van andere getuigen dat er bij de Abakora wel brand is gesticht. De rechtbank merkt op dat tijdens het verhoor van de rechter-commissaris hierop niet is doorgevraagd. Zo is niet gevraagd of de getuige heeft gezien dat omheiningen of (bij)gebouwen in brand zijn gestoken. Om deze reden acht de rechtbank dit afwijkende onderdeel van de verklaring van de getuige niet van zodanig belang, dat zijn verklaring voor het overige niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Verder lijkt de herkenning van de verdachte door getuige [getuige 5] op eerste gezicht onaannemelijk. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat hij voor zijn woning stond toen hij zijn waarnemingen deed. Hij heeft op een foto aangewezen waar hij stond toen hij de aanvalsgroep langs zag komen. De getuige heeft uitgebreid verklaard over zijn waarnemingen van de aanval bij het huis van [getuige 8] en heeft gezegd dat hij op een afstand van ongeveer 150 meter stond. Hoewel 150 meter te ver is voor een valide herkenning van de verdachte, stelt de rechtbank op grond van het proces-verbaal van bevindingen van de schouw vast dat de afstand tussen de getuige en het huis van [getuige 8] geen 150 meter betreft, maar maximaal dertig meter. De verklaring van getuige [getuige 7] dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verdelen van de geplunderde goederen vindt onvoldoende steun in de verklaringen van de andere getuigen. Dit onderdeel heeft de rechtbank niet gebruikt voor het bewijs. Alternatief scenario De verdachte heeft elke betrokkenheid bij de aanval op de Abagarama en de Abakora op 22 april 1994 ontkend. Hij heeft, kort samengevat, verklaard dat hij die dag thuis was en op enig moment die dag naar het huis van [naam 7] is gegaan. Die verklaring wordt slechts ondersteund door de verklaring van zijn ex-vrouw dat de verdachte tijdens de aanvallen thuis was. Hier staat tegenover dat meerdere getuigen hebben verklaard de verdachte te hebben gezien tijdens de aanvalstocht, zoals reeds is vastgesteld. De (alternatieve) lezing van de verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden. Plundering De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gedragingen van de aanvallers kunnen worden gekwalificeerd als plundering. Hiervoor is reeds vastgesteld dat bij de aanval op de Abagarama en de Abakora door de aanvallers goederen uit en van huizen van Tutsi’s zijn meegenomen. De meegenomen goederen betroffen onder andere onderdelen van huizen, inboedel en vee. De goederen zijn naar een verzamellocatie gebracht en vervolgens verdeeld onder de aanvallers. Door op deze wijze te handelen zijn de eigendommen van de Tutsi’s van de Abagarama en de Abakora onder de controle van de aanvallers gekomen en zodoende is sprake geweest van het toe-eigenen van deze eigendommen door de aanvalsgroep. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de Tutsi’s die in de aangevallen huizen woonden op het moment van de aanval waren gevlucht. De rechtbank overweegt dat nu de rechtmatige eigenaren van de goederen waren gevlucht, er van moet worden uitgegaan dat de toe-eigening van die goederen zonder de impliciete of nadrukkelijke toestemming van die eigenaren heeft plaatsgevonden. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Het toe-eigenen van de goederen viel niet onder de uitzonderingen waarin het oorlogsrecht voorziet en op grond waarvan goederen zonder toestemming van de rechtmatige eigenaar mogen worden verkregen. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat bij de aanval op de Abagarama en de Abakora sprake is geweest van plundering. Vernietiging De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld, is of tijdens de aanval van 22 april 1994 sprake was van vernietiging van goederen van de tegenpartij. De rechtbank overweegt hierover dat de plundertocht gepaard ging met geweld tegen goederen. De aanvallers hebben deuren geforceerd en ingetrapt om zich toegang tot de woningen van Tutsi’s te verschaffen. Doordat onderdelen van de woningen, waaronder deuren, ramen, golfplaten en dakpannen, werden geplunderd, zijn de woningen onbruikbaar gemaakt. Ook werden huizen en omheiningen in brand gestoken. Het vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken van eigendommen van Tutsi’s staat hiermee naar het oordeel van de rechtbank vast. De aanval was gericht op twee Tutsi-nederzettingen binnen de commune Mbazi, waarbij meerdere (delen van) huizen en omheiningen zijn vernield, beschadigd en onbruikbaar gemaakt. De bewoners hadden hierdoor geen huis meer om naar terug te keren. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aanval binnen de commune Mbazi op grote schaal heeft plaatsgevonden. Verder overweegt de rechtbank dat de personen tegen wie de aanval gericht was, te weten de Tutsi-bevolkingsgroep, door de aanvallers werden beschouwd als gelieerd aan de RPF en daarmee als vijandig. Tot slot is uit het dossier niet gebleken dat het beschadigen en onbruikbaar maken van deze eigendommen van Tutsi’s heeft plaatsgevonden op grond van enige militaire noodzaak. De rechtbank is van oordeel dat het beschadigen en onbruikbaar maken van de eigendommen van Tutsi’s, zoals hiervoor vastgesteld, kan worden gekwalificeerd als vernietiging van goederen van de tegenpartij. Medeplegen De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, als leider, aanwezig is geweest bij de plunder- en vernietigingstocht bij de Abagarama en de Abakora, evenals bij de bijeenkomst die daaraan voorafging en de verzameling en verdeling van de geplunderde goederen erna. Door zijn aanwezigheid heeft hij de aanvalsgroep getalsmatig versterkt. De aanwezigheid van de verdachte gedurende de plunder- en vernietigingstocht was van bijzonder belang aangezien de verdachte responsable was. De verdachte liep hierbij samen met andere bestuurlijk leiders. De leiders, die op geen enkel moment tijdens het plunderen of vernietigen hebben ingegrepen, legitimeerden met hun aanwezigheid het handelen van de aanvallers. Hierover verklaart getuige [getuige 3] : “Als burgers, wanneer je iets gaat doen en de bestuurder is aanwezig, krijg je het gevoel, dat je gesteund bent en dat er ook geen gevolgen kunnen zijn. Dus de aanwezigheid van de leiders was een manier om de mensen die bezig waren, te steunen.” Hiervoor is al vastgesteld dat de bestuurlijke structuur van Rwanda destijds streng hiërarchisch was georganiseerd en dat orders van boven strikt werden opgevolgd en op plaatselijk niveau werden geïmplementeerd door (onder andere) conseillers en responsables . Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de verdachte samen met de andere aanwezige bestuurlijk leiders een situatie heeft gecreëerd en in stand gehouden waarin de aanvallers zich gesteund voelden in hun handelen. Uit de getuigenverklaringen volgt bovendien dat de verdachte niet slechts werd gezien als leider van de plunder- en vernietigingstocht vanwege zijn rol als responsable , maar ook door specifieke gedragingen van de verdachte. Zo bleef de verdachte tijdens de aanvallen op huizen bij de weg staan, bij de andere leiders, en keek hij samen met hen toe hoe de plunderingen en vernietigingen plaatsvonden. Op deze wijze onderscheidden de leiders zich van de personen die onder hen stonden en de eerder door [naam 6] gegeven opdracht om de Abagarama en de Abakora aan te vallen, uitvoerden. Ook is reeds vastgesteld dat de verdachte samen met [naam 6] , voorafgaand aan de aanval op de Abakora, voor de aanvalsgroep is gaan staan en dat op dat moment instructies zijn gegeven met betrekking tot die aanval. Direct hierna werd de Abakora aangevallen. De rechtbank is gelet op het vorengenoemde van oordeel dat de verdachte nadrukkelijk een leidinggevende rol heeft aangenomen tijdens de plunder- en vernietigingstocht. Door de aanvalsgroep getalsmatig te versterken, terwijl hij responsable was en daarmee de aanval legitimeerde en nadrukkelijk een leidinggevende rol aan te nemen, heeft de verdachte nauw en bewust samengewerkt met de andere leiders en met de aanvallers. Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door aldus te handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het plunderen en vernietigen van Tutsi-eigendommen om van medeplegen te kunnen spreken. De omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet leiden bovendien tot het oordeel van de rechtbank dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten met verenigde krachten zijn gepleegd. Nexus De door de rechtbank vastgestelde schendingen van het internationaal humanitair recht zijn begaan tegen de Tutsi-bevolkingsgroep binnen de commune Mbazi. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat tussen 6 april 1994 en midden juli 1994 in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven zijn gebracht en dat de overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat het startsein van de massamoorden op de Tutsi’s en gematigde Hutu’s gepaard ging met een hervatting van de strijd tussen de RPF en de FAR. De misdrijven die in 1994 in Rwanda tegen de Tutsi-bevolkingsgroep zijn gepleegd, hielden nauw verband met het gewapende conflict tussen de RPF en de FAR. Mede als gevolg van de oorlog ontstond angst voor een zogenoemde ‘vijfde colonne’ van Tutsi’s die zich bij het RPF-leger zouden aansluiten. Binnen alle lagen van de samenleving zaaiden bestuurders haat en paniek en deden zij burgers geloven dat de Tutsi’s een gevaar voor de veiligheid van Hutu’s vormden en daarom aangevallen moesten worden. De Appeals Chamber van het ICTR heeft vastgesteld dat de ideologie die werd gebruikt om de aanvallen op de Tutsi’s te rechtvaardigen, zag op de verdachtmaking van de Tutsi’s als collaborateurs van de RPF. Door de Tutsi’s te vermoorden en aan te vallen, wilde men voorkomen dat de RPF een militaire of politieke overwinning zou behalen. Militairen en regeringsvertegenwoordigers zetten lokale bestuurders aan tot actieve deelname aan de gewelddadigheden tegen de Tutsi’s en burgers kregen zonder enige wettelijke grondslag steun van militairen bij aanvallen op Tutsi’s. Via de radio werd de boodschap verspreid dat de oorlog de “verantwoordelijkheid van iedereen was” en werd eenieder opgeroepen om “het leger te helpen om het werk af te maken.” Het genocidale beleid van de overheid was daarmee gebaseerd op de wijdverspreide en onjuiste veronderstelling dat alle Tutsi’s vanzelfsprekend aanhangers zouden zijn van de RPF en bereid zouden zijn de RPF te steunen bij zijn militaire opmars. Deze boodschap bereikte uiteindelijk ook Mbazi. In Mbazi bleef de situatie aanvankelijk relatief vreedzaam en vochten Hutu’s en Tutsi’s gezamenlijk tegen aanvallers van buitenaf. Dat veranderde op 19 april 1994. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat in die periode schoten waren te horen van zware wapens en dat hij via de radio hoorde dat troepen van de RPF in Butare waren. De verdachte, gevraagd naar de situatie in april 1994, heeft hierover als volgt verklaard: “Het was een hele slechte situatie. De Inkotanyi waren op het punt om onze regio te bezetten.” In diezelfde periode sloeg de situatie in Mbazi om en laaide het geweld tegen de Tutsi-bevolking op. Uit het dossier is op geen enkele wijze gebleken dat de aangevallen Tutsi’s in Mbazi een actieve rol speelden bij de vijandelijkheden tussen de RPF en de FAR. De Tutsi’s van de Abagarama en de Abakora genoten dan ook bescherming onder het internationaal humanitair recht. Toch werd het de Tutsi’s in het algemeen verweten dat zij aanhangers zouden zijn van de RPF. Deze visie werd ook met het publiek gedeeld tijdens de vergadering op 21 april 1994 in het stadion van Byiza. De burgemeester maakte hier duidelijk dat eenieder moest doen wat nodig was om het gevaar dat van de Tutsi’s uit zou gaan, te elimineren. Eén dag later vond de plunder- en vernietigingstocht bij de Abagarama en Abakora plaats als manifestatie van dit gedachtengoed. Getuige [getuige 7] verklaart hierover bij de rechter-commissaris: “RC: Ik zit nog steeds met de vraag waarom juist deze huizen werden geplunderd, in Kanyaruhinda. GT: In Kanyaruhinda zijn alleen huizen van Tutsi’s geplunderd. RC: Klopt het dan dat het er ook om ging dat het huizen waren van Tutsi’s die al gevlucht waren? GT: Ja, want die Tutsi’s werden toen gezien als vijanden.” Zoals reeds is vastgesteld was de verdachte, samen met andere leden van het lokale bestuur, aanwezig bij de vergadering op 21 april 1994 en bij de daaropvolgende plunder- en vernietigingstocht. In hun hoedanigheid als lokale bestuurders voerden zij het beleid van de interim-regering uit en zagen zij toe op implementatie daarvan. Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het conflict tussen de RPF en de FAR een wezenlijke rol heeft gespeeld in de mogelijkheid en de beslissing van de verdachte om deel te nemen aan de plunder- en vernietigingstocht, de wijze waarop deze misdrijven zijn begaan en het doel dat daarmee gediend werd. Dat maakt dat er sprake is van de vereiste nexus tussen het gewapende conflict en de aan de verdachte ten laste gelegde misdrijven. Politiek van stelselmatige terreur Zoals de rechtbank reeds heeft vastgesteld, was de genocide tegen de Tutsi-bevolking geen spontane uitbarsting van etnisch geweld, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking met het doel die bevolkingsgroep te vernietigen. De genocide werd door de interim-regering gelegitimeerd door de dreiging die uitging van de RPF te benadrukken en de Tutsi’s gelijk te stellen aan de RPF. Het gewapend conflict tussen de RPF en de FAR werd gebruikt als dekmantel voor de misdrijven die tegen de Tutsi’s werden gepleegd. Bestuurders implementeerden het anti-Tutsibeleid van de interim-regering en zetten burgers aan tot het aanvallen van Tutsi’s. Dit beleid resulteerde onder meer in de plunder- en vernietigingstocht die op 22 april 1994 heeft plaatsgevonden in de cellules Kanyaruhinda en Gatobotobo. Hiermee is vast te komen staan dat de door de verdachte gepleegde oorlogsmisdrijven zijn gepleegd terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, te weten de Tutsi’s. Conclusie Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 22 april 1994 in Mbazi, tezamen en in vereniging met anderen de wetten en gebruiken van de oorlog, zoals bedoeld in artikel 8 Wos, heeft geschonden door Tutsi-eigendommen te plunderen en te vernietigen. Dit vond plaats met verenigde krachten en die feiten waren uiting van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen de Tutsi-bevolking. 4.3.4. Ten aanzien van feit 3: opruiing tot genocide 4.3.4.1. Juridisch kader De tenlastelegging is met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde toegesneden op artikel 131 Sr in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringswet. Artikel 131 Sr luidt: “Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.” Artikel 1 van de Uitvoeringswet luidt: “1. Hij die met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk: 1°. leden van de groep doodt; 2°. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt; 3°. aan de groep levensvoorwaarden oplegt die op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn gericht; 4°. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de groep te voorkomen; 5°. kinderen van de groep gewelddadig overbrengt naar een andere groep, wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.” Of een handeling te kwalificeren is als opruiing tot genocide hangt af van de beantwoording van de volgende vragen: was sprake van een genocidaal oogmerk bij de verdachte ten tijde van zijn of haar handelen; is de groep jegens wie is opgeruid een beschermde groep in de zin van de Uitvoeringswet; betrof het een ‘directe’ oproep tot genocide; is voldaan aan het vereiste dat de opruiing in het openbaar plaatsvond? Uit de jurisprudentie volgt dat opruiing tot genocide ziet op het rechtstreeks aanzetten tot het plegen van genocide, of door toespraken, uitroepen of bedreigingen op openbare plaatsen of tijdens openbare bijeenkomsten, of door de verkoop of verspreiding, het te koop aanbieden of het tentoonstellen van geschreven materiaal of drukwerk op openbare plaatsen of tijdens openbare bijeenkomsten, of door het openbaar tentoonstellen van spandoeken of affiches, of via enig ander middel van audiovisuele communicatie. Het delict opruiing heeft een bijzonder opzetvereiste. Het opzet moet gericht zijn op alle bestanddelen van het delict waartoe wordt opgeruid. Het onderscheidende element van genocide is het oogmerk een beschermde groep als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Voor opruiing tot genocide is vereist dat de opruier zelf het oogmerk op genocide heeft gehad. De opruier moet als oogmerk hebben gehad dat degenen die opgeruid worden daadwerkelijk genocide gaan plegen. Zonder direct bewijs van een genocidaal oogmerk, dient de rechtbank uit de omstandigheden af te leiden of dit oogmerk bij de verdachte aanwezig was op het moment van de ten laste gelegde handelingen. Uit de jurisprudentie volgt dat bij de vaststelling of sprake is van een genocidaal oogmerk, de volgende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen: het algemene kader waarin de feiten zich hebben voorgedaan; de omstandigheid dat de beschermde groep systematisch het slachtoffer is geworden van andere onrechtmatige handelingen; de schaal waarop de misdrijven zijn gepleegd; systematisch treffen van slachtoffers vanwege hun lidmaatschap van een bepaalde groep; de herhaling van vernietigende en discriminatoire handelingen; het aantal slachtoffers; de wijze waarop de misdrijven zijn gepleegd; het gebied waarin de dader actief was; het evidente opzet van de dader om zijn slachtoffers van het leven te beroven; de ernst van de gepleegde genocidale handelingen; de frequentie van de genocidale handelingen in een bepaald gebied; het algemene politieke kader waarin de misdrijven zijn gepleegd; uitlatingen gedaan door pleger ten aanzien van de positie en/of het lot van de beschermde groep. Indirect bewijs kan niet snel leiden tot vaststelling van een genocidaal oogmerk. Uit de omstandigheden zal onomstotelijk moeten komen vast te staan dat er geen andere verklaring mogelijk is dan dat de opruiing geschiedde met een genocidaal oogmerk. De Uitvoeringswet betreft implementatiewetgeving van het Genocideverdrag. Het Genocideverdrag stelt alleen rechtstreekse (“ direct ”) opruiing strafbaar. Hoewel dit geen bestanddeel is van artikel 131 Sr, is ook in het Nederlandse strafrecht vereist dat er een duidelijke relatie bestaat tussen de opruiende woorden en het strafbare feit. Bij de beoordeling daarvan, komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard. Artikel 131 Sr vereist dat de uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Uit de jurisprudentie volgt dat hiervan sprake reeds sprake kan zijn, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn uitlatingen ter kennis van het publiek zouden komen. 4.3.4.2. Beoordeling rechtbank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte, al dan niet tezamen met anderen, heeft opgeruid tot genocide. In de tenlastelegging wordt deze verdenking nader geconcretiseerd tot twee feitelijkheden. Ten eerste het zingen en/of laten zingen van een of meer liederen over het uitroeien van, dan wel het plegen van geweld tegen, de Tutsi-bevolking. Als voorbeeld van een dergelijk lied wordt het lied “Tubatsembatsembe” genoemd. Ten tweede het zeggen en/of uitdragen dat (alle) Tutsi’s moesten worden vermoord of uitgeroeid. Hiervoor is reeds is vastgesteld dat de verdachte aanwezig was tijdens de plunder- en vernietigingstocht op 22 april 1994. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat tijdens die tocht het lied “Tubatsembatsembe” is gezongen, een lied dat een genocidale strekking heeft en betekent “laten we hen allemaal uitroeien” of “we gaan hen allemaal uitroeien”. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat tijdens de plunder- en vernietigingstocht door het zingen van dit lied mondeling en in het openbaar is aangezet tot het plegen van genocide. De vraag is echter of de verdachte daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Om antwoord te geven op deze vraag dient eerst te worden beoordeeld of kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf handelingen heeft verricht die als opruiend kunnen worden gekwalificeerd. Uit het dossier komt geen eenduidig beeld naar voren met betrekking tot de specifieke gedragingen van de verdachte. Hoewel een aantal getuigen heeft verklaard dat de verdachte “Tubatsembatsembe” heeft gezongen of andere uitlatingen heeft gedaan die als opruiend kunnen worden gekwalificeerd, vinden deze verklaringen slechts zeer beperkt steun in het dossier. Verschillende getuigen hebben bovendien expliciet verklaard dat zij de verdachte niet hebben horen of zien meezingen, of hem andere opruiende uitlatingen hebben horen doen tijdens de aanvalstocht op 22 april 1994. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft meegezongen met het lied “Tubatsembatsembe” dan wel dat hij enige andere uitspraken heeft gedaan die als opruiend kunnen worden gekwalificeerd. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte door middel van andere gedragingen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de opruiing. De officier van justitie heeft hiertoe beargumenteerd dat de verdachte een belangrijke rol speelde in de organisatie van het trommelen tijdens de plunder- en vernietigingstocht en dat de verdachte bij die tocht aanwezig was in zijn hoedanigheid als responsable . De rechtbank volgt deze redenering niet. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opdracht heeft gegeven een trommel te halen. Dat twee getuigen hierover verklaren, acht de rechtbank onvoldoende om tot deze vaststelling te komen. Deze verklaringen staan namelijk haaks op verklaringen van andere getuigen en ondersteunen elkaar onderling slechts beperkt. Doordat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte concrete handelingen heeft verricht of uitingen heeft gedaan die direct verband hielden met het doen van opruiende uitspraken, is er naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de (overige) aanvallers. De enkele omstandigheid dat de verdachte, op dat moment de responsable van Gatobotobo, aanwezig was op het moment dat door anderen werd opgeruid tot genocide door (onder andere) het lied “Tubatsembatsembe” te zingen, is onvoldoende om te concluderen dat hij daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat zij niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het zingen van het lied “Tubatsembatsembe” dan wel op enige andere wijze uitlatingen heeft gedaan of laten doen die als opruiing tot genocide kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank zal om die reden de verdachte vrij spreken van het hem onder 3 tenlastegelegde. 4.3.5. Ten aanzien van feit 4: genocide 4.3.5.1. Juridisch kader De tenlastelegging is met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde toegesneden op artikel 1, eerste lid, onder 1 en 2 (oud) van de Uitvoeringswet genocideverdrag. Hierin is het volgende bepaald: “1. Hij die met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk: 1°. leden van de groep doodt; 2°. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt; (…) wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.” Het misdrijf genocide onderscheidt zich van andere internationale misdrijven door het vereiste van een genocidaal oogmerk. Het genocidale oogmerk vormt een hoge opzetgraad; ontbreekt het genocidale oogmerk, dan is geen sprake van genocide. Het oogmerk moet zijn gericht op de (gedeeltelijke) vernietiging van een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging. Deze opsomming is limitatief. ‘Vernietiging’, in de zin van het Genocideverdrag, ziet op de fysieke of biologische uitroeiing van de groep. Zoals de rechtbank onder 4.3.4.1. uiteen heeft gezet, dient zij, wanneer direct bewijs van een genocidaal oogmerk ontbreekt, uit de omstandigheden af te leiden of bij de verdachte het genocidaal oogmerk aanwezig was op het moment van de ten laste gelegde handelingen. Naast het oogmerk op de (gedeeltelijke) vernietiging van een beschermde groep, dient er, voor zover in deze zaak van belang, ook sprake te zijn van opzet op het doden en toebrengen van zwaar lichamelijk of geestelijk letsel. Indien genocide wordt gepleegd door meerdere personen, dient voor een bewezenverklaring te worden vastgesteld dat de verdachte zelf opzet had op het plegen van het misdrijf. In de onderhavige zaak is het plegen van genocide door middel van het doden van leden van de groep ten laste gelegd, en/of door middel van het toebrengen van zwaar lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep. ‘Doden’ ziet op een handeling die de dood van een persoon tot gevolg heeft. Dit houdt een opzettelijke, maar niet noodzakelijkerwijs met voorbedachten rade gepleegde handeling in. Indien er geen bewijs van een stoffelijk overschot kan worden overgelegd, kan het overlijden van het slachtoffer indirect worden afgeleid uit ander bewijsmateriaal. Niet is vereist dat slachtoffers individueel worden geïdentificeerd. Of sprake is geweest van het ‘toebrengen van zwaar lichamelijk of geestelijk letsel’ hangt af van de omstandigheden van het geval. Voorbeelden van het toebrengen van zwaar lichamelijk of geestelijk letsel zijn foltering, verkrachting en niet-dodelijk fysiek geweld dat misvorming of ernstig letsel veroorzaakt. Voorbeelden van zwaar geestelijk letsel zijn intense angst of paniek, intimidatie of bedreiging. Niet is vereist dat het letsel onherstelbaar of permanent is. 4.3.5.2. Beoordeling rechtbank De vaststellingen die hierna volgen, rustten in overwegende mate op de verklaringen van twee getuigen, [getuige 4] en [getuige 7] . In paragraaf 4.3.1.3 is reeds stilgestaan bij de betrouwbaarheid van deze getuigen. Voor zover relevant voor het onder 4 tenlastegelegde, staat de rechtbank nader stil bij de betrouwbaarheid van deze getuigen op feit-specifieke onderdelen. Gebeurtenissen in het stadion Op 25 april 1994 bevonden zich enkele duizenden Tutsi’s in het stadion van Byiza. In de Butare -uitspraak van het ICTR is het aantal vastgesteld op 3.000; in de contextrapportage wordt gesproken over 5.000 tot 7.000 personen; getuige [getuige 4] schat het aantal Tutsi’s op 8.000, op het veld en in de klaslokalen van de school langs het stadion. Op de tribune, die zich aan de lange zijde van het veld, aan de noordoostkant, bevond, zaten vooral oudere mensen die geen kracht meer hadden, vrouwen en kinderen. De Tutsi’s op het veld waren omsingeld door een groep van duizenden Hutu’s. Sommigen van hen droegen bananenbladeren. De Hutu’s hadden de Tutsi’s op het veld omsingeld en stonden dicht naast elkaar, aan alle kanten van het stadion, om zo ontsnappingen te voorkomen. Getuige [getuige 7] spreekt van twee rijen, getuige [getuige 4] heeft het over één lijn. Sommigen van de Hutu’s droegen traditionele wapens, zoals machetes en knotsen: getuigen [getuige 7] en [getuige 4] droegen een machete. In en rond het stadion waren ook militairen aanwezig, onder leiding van een zekere [naam 8] . De militairen waren ’s ochtends vroeg al aanwezig, toen er schoten klonken en het lawaai van handgranaten. [naam 8] is nadien weggegaan en ’s middags weer teruggekomen met andere militairen. Die middag zijn de militairen gaan schieten op de Tutsi’s op het veld. Ook werden er handgranaten gegooid vanachter de tribune, die op het veld terechtkwamen. De Hutu’s verzamelden stenen, gaven die door en gooiden die – op het moment dat het schieten begon en de Tutsi’s in beweging kwamen – naar de Tutsi’s. Niet iedereen die door de granaten of door de schoten was geraakt, werd meteen gedood. Op een gegeven moment gingen Hutu’s op bevel van [naam 8] het veld op om te zorgen dat overlevenden alsnog gedood werden, met een machete of knots. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat de burgemeester ook aanwezig was: “Hij was buiten het veld en zei: ‘goed gedaan, goed gedaan. Kom morgen terug om deze mensen te begraven.’.” In de dagen erna zijn de lichamen van de gedode Tutsi’s in een put of grote kuil voor slachtafval gegooid, en in drie andere kleine kuilen. Zoals hiervoor al vastgesteld: na de genocide werden in de buurt van het stadion de stoffelijke resten van 3.194 lichamen opgegraven uit een 13-meter diep massagraf. Op drie andere locaties werden 504, 376 en 176 lichamen geborgen. Aanwezigheid en gedragingen van de verdachte De verdachte was die middag in het stadion. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat de verdachte dicht bij hem stond, naar schatting op één à anderhalve meter afstand van de getuige, die zich aan de korte zijde van het stadion bevond, aan de zuidoostkant, rechts naast een gebouw (destijds ‘Dejebe’, thans een internaat voor meisjes). Getuige [getuige 4] heeft over een ander moment die dag, toen het geweld (opnieuw) oplaaide, verklaard dat hij de verdachte heeft gezien naast de tribune, op de plek waar zich nu een blauwe toegangsdeur bevindt. De getuige heeft verklaard dat hij op drie of vijf meter afstand stond van de verdachte en zei hier over: “Ik stond heel dichtbij [verdachte] ”. De verdachte liep voor de rij (of tussen de twee rijen) met Hutu’s heen en weer, aan de kant van het veld, sprak de Hutu’s in de rij aan en gaf hen het bevel dicht bij elkaar te staan. Hij zei dat niemand mocht ontsnappen en gaf de opdracht om elke Tutsi die dat zou proberen te doden. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat de verdachte “wist wat de plannen waren”, dat elke Tutsi die probeerde uit het stadion te ontsnappen gedood moest worden en dat de verdachte tegen de Hutu’s zei: “niet bang zijn, deze mensen gaan dood”. Getuige [getuige 7] verklaart over dit moment als volgt: “Hij stond dichtbij, dus hij hoefde niet harder te gaan praten. [..] Ik zag hem zoals hij altijd is geweest. Serieus. Rustig. Een man die niet zomaar dingen ging uitroepen.” Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat de verdachte gewapend was met een handgranaat, die hij in zijn hand droeg. Toen de militairen begonnen met schieten, is de verdachte in de richting van de tribune gelopen of gerend, naar de weg achter de tribune. De getuige heeft ontploffingen van granaten gehoord vanuit de kant van de tribune, maar heeft niemand – ook de verdachte niet – een granaat zien gooien. Later heeft getuige [getuige 7] de verdachte opnieuw gezien, dit keer zonder handgranaat. Dat de verdachte in het bezit was van een handgranaat, wordt bevestigd door getuige [getuige 4] . Hij heeft verklaard dat de verdachte meerdere handgranaten droeg, ook bij zijn ceintuur. Kort nadat de militairen begonnen te schieten heeft de verdachte een van de handgranaten op het veld – waar Tutsi’s zich hadden verzameld – van het stadion gegooid. Na het gooien van de granaat is de verdachte naar de tribune gegaan en daar achter gaan staan. Nadere bewijsoverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen De rechtbank onderkent de verschillen die tussen de verklaringen van getuige [getuige 4] en getuige [getuige 7] bestaan, zoals de wijze waarop de groep Hutu’s de Tutsi’s op het veld omsingelden of het aantal handgranaten waarover de verdachte beschikte. Die verschillen acht de rechtbank echter van ondergeschikt belang. De rechtbank onderkent ook dat de getuigen hebben verklaard de verdachte op verschillende plekken in het stadion te hebben gezien: getuige [getuige 7] zag de verdachte aan de korte kant van het veld, getuige [getuige 4] zag hem dichter bij de tribune, aan de lange kant. De twee verklaringen leveren dan ook geen volledig beeld op van wat de verdachte op die dag in het stadion heeft gedaan en op welk moment. De verklaringen van de twee getuigen weerspreken elkaar echter niet, zeker wanneer bedacht wordt dat de verdachte zich bewoog van de ene plek naar de andere. Een lopend verhaal, waarbij gedetailleerd kan worden beschreven wat de verdachte gedurende elk moment van die dag heeft gedaan, laat zich niet zonder meer reconstrueren uit de verklaringen. Dat is ook veelgevraagd, meer dan dertig jaar na dato, en bovendien zou het een eis stellen die het strafrecht niet kent om tot een bewezenverklaring te komen. Wat wel overeenkomt is dat beide getuigen de verdachte in het stadion plaatsen, in de middag van 25 april 1994, vlak voor en tijdens het moment waarop de Tutsi’s op het veld worden beschoten door de daar aanwezige militairen. Dat is veelzeggend. Zwaar weegt ook dat de getuigen allebei verklaren dat de verdachte een handgranaat voorhanden had en dat getuige [getuige 7] de verdachte heeft zien lopen in de richting van de tribune, waar getuige [getuige 4] heeft gezien dat de verdachte een handgranaat gooide. Hoewel de mogelijkheid om de verklaringen van de getuigen te toetsen aan andere (objectieve) gegevens beperkt is, zijn onderdelen van de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 7] niettemin in lijn met wat uit andere bron bekend is over het stadion en de gebeurtenissen aldaar op 25 april 1994. De situatieschetsen die deze getuigen hebben getekend en hun beschrijving van het stadion, de tribune en de gebouwen eromheen komen overeen – voor zover die gebouwen nog aanwezig zijn – met de informatie uit het proces-verbaal van bevindingen van de schouw. Ook komen hun verklaringen over de gebeurtenissen op die dag en het verloop ervan en de nasleep, onderling overeen en zijn die verklaringen te verenigen met informatie uit andere bronnen, zoals die zijn opgenomen in de context-rapportage. Voor wat betreft de verklaringen over de aanwezigheid van de verdachte in het stadion en zijn handelen daar is dat anders: voor de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 7] geldt dat die onderling slechts gedeeltelijk overeenkomen en ook geen steun vinden in een andere bron. De namen die de getuigen noemen als degenen die in de buurt van de verdachte stonden ( [naam 9] en [naam 10] ) bevestigen hun lezing niet. [naam 10] is niet door de rechter-commissaris gehoord. Getuige [getuige 7] heeft blijkens zijn verklaring [naam 9] die dag niet gezien. En terwijl getuige [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte naast [naam 9] stond, en [naam 9] ook een handgranaat heeft gegooid, heeft [naam 9] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdachte niet in het stadion heeft gezien. Dit staat echter niet in de weg aan het oordeel dat de rechtbank de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 7] bruikbaar acht voor het bewijs. Dat [naam 9] heeft verklaard de verdachte die dag niet gezien te hebben, hoeft niet te betekenen dat de verdachte niet in het stadion was, mede gelet op de omvang van het stadion en aanwezigheid van duizenden mensen, en doet op zichzelf ook geen afbreuk aan de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 7] . Al met al vormen de verklaringen van deze twee getuigen naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs om de ten laste gelegde feitelijke handelingen bewezen te verklaren. Dat de verdachte op 25 april 1994 in het stadion van Byiza was, staat voor de rechtbank vast, net zoals vaststaat dat hij Hutu’s heeft bevolen geen Tutsi’s te laten ontsnappen. De verdachte was daar op het moment dat er stenen naar de Tutsi’s werden gegooid en er op hen geschoten werd. Vaststaat ook dat de verdachte over (in ieder geval) één handgranaat beschikte en dat hij die handgranaat naar de op het veld aanwezige Tutsi’s heeft gegooid. Alternatieve lezing verdachte De verdachte heeft elke betrokkenheid bij de gebeurtenissen in het stadion op 25 april 1994 ontkend. Hij heeft – kort samengevat – verklaard dat hij die dag thuis was en dat hij ’s middags, toen hij knallen en explosies hoorde, naar een nabij gelegen heuvel is gegaan, vanaf waar hij kon zien wat er zich in het stadion afspeelde. Later die dag is hij naar het huis van [naam 7] gegaan. Die verklaring wordt niet ondersteund door de verklaringen van getuigen die in deze zaak zijn gehoord. Getuige [getuige 9] , een buurman die volgens de verdachte met hem op de heuvel stond, heeft verklaard de verdachte die dag niet te hebben gezien. De vrouw van de verdachte, die destijds thuis was, heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren waar de verdachte die dag was. De (alternatieve) lezing van de verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat de verdachte deze hiervoor genoemde feitelijke handelingen heeft uitgevoerd in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, te weten de aanwezige Hutu’s en militairen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het geweld bestond uit het met vuurwapens schieten alsook het met granaten en stenen gooien op Tutsi’s, terwijl zij omsingeld waren en het voor hen vrijwel onmogelijk was om aan deze situatie te ontsnappen. Hierna werden de Tutsi’s die nog in leven waren door middel van traditionele wapens, met machetes en knotsen, vermoord. De aanvallers wisten wat van hen werd verwacht doordat bevelen van [naam 8] werden doorgegeven. Het grootschalige geweld kon slechts plaatsvinden door de aanwezigheid van militairen en duizenden Hutu’s die gezamenlijk het plan, om de aanwezige Tutsi’s te vermoorden, uitvoerden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte aanwezig was in het Byiza stadion toen het geweld tegen de Tutsi’s plaatsvond. Hij heeft een actieve bijdrage geleverd aan het geweld. Als responsable sprak hij immers de gewapende Hutu’s toe, spoorde hij hen aan en beval hij hen geen Tutsi te laten ontsnappen. Bovendien heeft hij zelf, toen de militairen begonnen te schieten, een handgranaat gegooid. De rechtbank is van oordeel dat door aldus te handelen de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het geweld tegen de Tutsi’s in het Byiza stadion op 25 april 1994. Genocidaal oogmerk Het genocidale karakter van het geweld dat is uitgeoefend op de Tutsi’s in het stadion blijkt allereerst uit het verloop van de dagen voorafgaand aan de gebeurtenissen op 25 april 1994. De oproep in hetzelfde stadion op 21 april 1994 om te doen wat nodig was om het gevaar – de Tutsi-bevolkingsgroep – te vernietigen, de plunder- en vernietigingstocht een dag later en het verzamelen van Tutsi’s in het stadion terwijl zij in de veronderstelling waren daar te worden beschermd, vormen de opmaat naar het geweld dat plaatsvond in het stadion. De schaal, duur en de wijze waarop de Tutsi’s zijn vermoord op 25 april 1994 – het ging om duizenden slachtoffers; mannen, vrouwen en kinderen – bezegelt het oordeel dat het toegepaste geweld ten doel had de Tutsi-bevolkingsgroep als zodanig te vernietigen. De gebeurtenissen in Mbazi sloten aan bij wat op grotere schaal door heel Rwanda op dat moment plaatsvond. Het opsporen en vermoorden van Tutsi's begon op 7 april 1994 en verspreidde zich vervolgens over het hele land, waarbij door middel van radio-uitzendingen werd opgeroepen te strijden tegen de gemeenschappelijke vijand: de Tutsi's. De Tutsi's waren in die periode enkel op basis van hun etniciteit systematisch slachtoffer van grootschalig dodelijk geweld. Hiervoor is reeds vastgesteld dat de verdachte aanwezig is geweest tijdens de vergadering van burgemeester [naam 3] op 21 april 1994, waar [naam 3] onder meer heeft gezegd dat onkruid eerst op een hoop geveegd moet worden voordat het verbrand wordt. Ook luisterde de verdachte in die periode naar verschillende radiostations, waarop anti-Tutsigedachtegoed werd verspreid. De rechtbank overweegt dat het gelet hierop niet anders kan dan dat de verdachte bekend was met het anti-Tutsigedachtegoed van de interim-regering. Dit weerhield hem er niet van om een dag na de vergadering in het Byiza stadion deel te nemen aan de plunder- en vernietigingstocht. Evenmin weerhield dit hem ervan om op 25 april 1994 aanwezig te zijn toen het grootschalige geweld tegen de Tutsi’s in het Byiza stadion plaatsvond, en actief deel te nemen aan het geweld door de aanwezige Hutu’s aan te sporen, hen te bevelen geen Tutsi’s te laten ontsnappen en door zelf een handgranaat te gooien. Het was voor de verdachte duidelijk dat de Tutsi’s in het stadion dood zouden gaan en desondanks heeft hij op deze wijze gehandeld. In het licht van deze bevindingen is er naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat de verdachte zijn handelingen in het Byiza stadion op 25 april 1994 heeft gepleegd met het oogmerk om de Tutsi-bevolkingsgroep als zodanig te vernietigen. Voor zover door de verdediging is bepleit dat de verdachte geen genocidaal oogmerk kan hebben gehad, aangezien hij Tutsi-familieleden had, en ook Tutsi familieleden in het stadion heeft verloren, en de Tutsi’s in zijn cellule juist probeerde te beschermen, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheden op zichzelf niet uitsluiten dat de verdachte de verweten feiten heeft gepleegd. Hoewel dit tegenstrijdig lijkt, kwam het vaker voor. Talrijke andere daders die zijn veroordeeld voor betrokkenheid bij de genocide hadden familieleden en vrienden die Tutsi waren of hebben Tutsi’s het leven gered. Hetgeen hierover door de verdediging is aangevoerd, doet niet af aan wat hiervoor door de rechtbank is vastgesteld. 4.4. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1. Plundering hij, op 22 april 1994 in Cellules Kanyaruhinda en Gatobotobo in Secteur Mbazi, te Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, wetten en/of gebruiken van de oorlog heeft geschonden, te weten - het internationaal humanitair gewoonterechtelijke verbod op plundering; - artikel 4 lid 2 sub (g) van het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten, door opzettelijk in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Rwanda, te weten tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF), - een of meer matrassen, tafels, stoelen, kledingstukken, bonen, etenswaren en/of andere huishoudelijke en/of persoonlijke goederen en/of - een of meer geiten, koeien, kippen, konijnen en/of andere dieren en/of - een of meer dakpannen, golfplaten, deuren, ramen, die toebehoorden aan een of meer personen van de Abagarama en/of de Abakora, behorende tot de Tutsi-bevolkingsgroep, die niet aan de vijandelijkheden deelnamen, te plunderen, - terwijl die feiten plundering inhielden en - terwijl die feiten werden gepleegd met verenigde krachten en - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. 2. Vernietiging hij, op 22 april 1994, in Cellules Kanyaruhinda en Gatobotobo in Secteur Mbazi, te Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, een wet en/of gebruik van de oorlog heeft geschonden, te weten - het internationaal humanitair gewoonterechtelijke verbod op vernietiging van goederen van de tegenpartij, door opzettelijk in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Rwanda, te weten tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF), goederen, die geheel of ten dele toebehoorden tot de tegenpartij in het niet-internationaal gewapend conflict, te weten burgers behorende tot de Abagarama en/of de Abakora, behorende tot de Tutsi bevolkingsgroep, te beschadigen en onbruikbaar te maken, namelijk door - huizen en/of omheiningen in brand te steken en/of - huizen en/of delen van huizen kapot te maken , terwijl deze vernietiging van goederen van de tegenpartij niet dringend vereist was als gevolg van dwingende omstandigheden van het conflict, - terwijl die feiten inhielden het met verenigde krachten vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde en - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. 4. Genocide hij, op 25 april 1994 in (de omgeving van) het stadion Byiza in Secteur Mbazi, te Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk een etnische groep, te weten de Tutsi-bevolkingsgroep, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk leden van die groep, heeft gedood en/of aan leden van die groep zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft toegebracht door - terwijl die leden van die groep zich in en/of in de directe nabijheid van het stadion Byiza bevonden - - stenen naar die leden van die groep te gooien en - het stadion te (laten) omsingelen en te (laten) beletten dat die leden van die groep het stadion zouden verlaten en - handgranaten in het stadion te gooien en tot ontploffing te brengen en - met vuurwapens op die leden van die groep te schieten en - met machetes en/of (andere) traditionele wapens op die leden van die groep in te slaan Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 6 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7 De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben integrale vrijspraak bepleit en zich verder niet nadrukkelijk uitgelaten over de strafoplegging. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten Van april tot juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord. Deze genocide heeft de mensheid geschokt, vanwege de grootschaligheid ervan, en de korte tijd waarin en de brute manier waarop de massamoorden hebben plaatsgevonden. Het geweld ontstond niet spontaan. Voorafgaand aan de genocide vonden voorbereidingen plaats en werden Hutu’s systematisch aangezet tot haat en geweld tegen Tutsi’s. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte, met anderen, heeft deelgenomen aan een plunder- en vernietigingstocht gericht op huizen van de Tutsi-gemeenschappen Abagarama en Abakora in de cellules Kanyaruhinda en Gatobotobo in Rwanda op 22 april 1994. Huizen en eigendommen werden geplunderd en vernietigd door een grote groep personen die van huis naar huis door de Tutsi-gemeenschappen trok. Huizen en omheiningen werden in brand gestoken. Tijdens de plundertocht werd het lied ‘Tubatsembatsembe’, gezongen, een lied met een genocidale strekking. Het kan niet anders dan dat dit voor de gemeenschap zeer angstaanjagend is geweest. Voor zover de Tutsi-overlevenden van de Abagarama en de Abakora na de genocide terug konden keren naar hun woonplaats, keerden zij terug naar de vernietigde resten van hun geplunderde woningen. De rechtbank beschouwt de plunder- en vernietigingstocht nadrukkelijk in de context van de Rwandese genocide: de slachtoffers werden eerst van hun bezittingen beroofd en vervolgens het slachtoffer van dodelijk geweld. Drie dagen later, op 25 april 1994, is de verdachte aanwezig geweest in het Byiza stadion, waar zich op dat moment tussen de 5.000 en 7.000 Tutsi-ontheemden ophielden. Hen was door de autoriteiten verteld dat zij veilig zouden zijn in het stadion. De verdachte heeft aan de Hutu’s die in het stadion aanwezig waren de opdracht gegeven dicht bij elkaar te gaan staan en geen enkele Tutsi uit het stadion te laten ontsnappen. Tutsi’s die probeerden te ontsnappen, moesten van de verdachte worden gedood. Bewezen is ook dat de verdachte een granaat in de richting de Tutsi’s op het veld heeft gegooid. Een groot deel van de Tutsi’s die zich in het stadion van Byiza bevonden, is op die dag op zeer gewelddadige wijze om het leven gekomen. Dit heeft tot op de dag van vandaag veel impact op degenen die het wel hebben overleefd en op de nabestaanden. Dat de feiten zijn gepleegd vanuit een genocidaal oogmerk, waarbij iemands (vermeende) groepsidentiteit bepaalde of hij of zij overleefde en dat onder de slachtoffers met name weerloze burgers te betreuren zijn die een veilig heenkomen zochten, rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan. De verdachte was in 1994 een man die aanzien genoot in zijn omgeving. Hij was leraar op een school, voorzitter van de JDR, maar bovenal was hij de responsable van de cellule Gatobotobo in Mbazi. Dit brengt met zich mee dat de verdachte zich rekenschap kon geven van de ernst en de consequenties van de gebeurtenissen in Rwanda in die periode en dat hij zich bewust moet zijn geweest van de rol en de invloed die hij had als lokaal bestuurder. In plaats van zich afzijdig te houden, heeft de verdachte zich in een korte periode in april 1994 – in een tijdsbestek van slechts enkele dagen – aan meerdere zeer ernstige feiten schuldig gemaakt. De verdachte heeft vóór en tijdens het onderzoek op de terechtzitting verklaard dat hij onschuldig is. Op de verschillende naar voren gebrachte belastende verklaringen heeft hij geen of geen plausibele reactie gegeven. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026, waaruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld is voor enig misdrijf. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia-rapportage van 20 november 2024 en de verschillende, in het kader van de voorlopige hechtenis opgemaakte reclasseringsrapportages. De verdediging heeft benadrukt dat de verdachte veel Tutsi-familieleden is kwijtgeraakt en dat hij nog elke dag last heeft van herbelevingen en trauma’s die hij heeft opgelopen als gevolg van de genocide en de periode daarna. De verdachte is vrijwel direct na zijn aanhouding depressief en suïcidaal geworden. Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de verdachte zelf naar voren heeft gebracht gedurende de inhoudelijke behandeling van de zaak. Strafmaat De rechtbank heeft de bewezen verklaarde feiten gekwalificeerd als misdrijven die een schending inhouden van de wetten en gebruiken van de oorlog en als genocide. Het strafmaximum voor deze feiten is een levenslange gevangenisstraf, dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van (destijds) maximaal twintig jaar. Oorlogsmisdrijven en genocide behoren tot de ernstigste delicten die het Nederlandse en internationale strafrecht kent. Op deze strafbare feiten kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. Alleen dan kan immers voldoende worden tegemoetgekomen aan het belang van nabestaanden en slachtoffers, en ook van de internationale gemeenschap. Bij het bepalen van de duur van die straf bieden andere Nederlandse strafzaken betreffende internationale misdrijven slechts beperkt houvast voor het bepalen van, omdat dergelijke zaken veelal zeer zaakspecifiek zijn en zich niet eenvoudig laten vergelijken. De rechtbank betrekt bij het bepalen van de straf de doelen die gewoonlijk aan de strafoplegging worden verbonden. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, staan de strafdoelen vergelding en generale preventie op de voorgrond. De straf moet een reactie zijn die passend is bij de mate waarin de rechtsorde is geschonden en tot uitdrukking brengen hoe onaanvaardbaar de schending van het recht is geweest. De vraag is of kan worden volstaan met de oplegging van de maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaar of dat een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd, zoals door het openbaar ministerie is geëist. De rechtbank stelt voorop dat een levenslange gevangenisstraf alleen in uitzonderlijke gevallen en met grote terughoudendheid moet worden opgelegd, aangezien het de zwaarste straf is die het Wetboek van Strafrecht kent. Daarbij overweegt de rechtbank dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet – zonder meer – strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Van enige bijzondere omstandigheid waarom dat in dit geval anders zou zijn, is de rechtbank niet gebleken, zodat daarin geen belemmering is gelegen om tot oplegging van deze straf te komen. De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat in dit geval een tijdelijke gevangenisstraf onvoldoende recht zou doen aan de uitzonderlijke ernst van de bewezenverklaarde feiten. Deze feiten hebben de maatschappij diep geschokt en een enorme inbreuk gemaakt op de rechtsorde – die van Rwanda en die van de internationale gemeenschap als geheel. Het handelen van de verdachte – zijn deelname aan de plunder- en vernietigingstocht; zijn deelname aan het geweld tegen de Tutsi’s in het stadion, die belet werden te ontsnappen aan dat geweld – getuigt van een dermate groot gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid en voor het leven als zodanig, dat slechts een levenslange gevangenisstraf recht doet aan het immense leed dat is toegebracht aan de (directe) slachtoffers en nabestaanden. Redelijke termijn Gelet op de aard van de straf heeft een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen matigende invloed. 8 De vorderingen van de benadeelde partijen De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding: - [benadeelde 1] , primair voor een bedrag van 21.840.000 RWF, bestaande uit 11.340.000 RWF aan materiële schade en 10.500.000 RWF aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [getuige 6] , primair voor een bedrag van 5.500.000 RWF, bestaande uit immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 2] , primair voor een bedrag van 22.931.000 RWF, bestaande uit 10.431.000 RWF aan materiële schade en 12.500.000 RWF aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 3] , primair voor een bedrag van 19.560.000 RWF, bestaande uit 7.060.000 RWF aan materiële schade en 12.500.000 RWF aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 4] , primair voor een bedrag van 17.650.000 RWF, bestaande uit 7.150.000 RWF aan materiële schade en 10.500.000 RWF aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 5] , primair voor een bedrag van 59.500.000 RWF, bestaande uit immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 6] , primair voor een bedrag van 27.500.000 RWF, bestaande uit immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 7] , primair voor een bedrag van 500.000 RWF, bestaande uit immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; - [benadeelde 8] , primair voor een bedrag van 18.500.000 RWF, bestaande uit immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag; Subsidiair hebben de benadeelde partijen verzocht de schadevergoeding op grond van de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank, die haar gelet op het Rwandese recht toekomt, per benadeelde partij vast te stellen. De benadeelde partijen geven de rechtbank daarbij ten aanzien van de immateriële schadevergoeding forfaitaire bedragen per verwantschapsrelatie (echtgenoot, ouders, kinderen etc.) in overweging. Die bedragen zijn gebaseerd op internationale jurisprudentie in vergelijkbare Rwandese zaken. Meer subsidiair hebben de benadeelde partijen verzocht, indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces, de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren zodat zij die bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarin de procespartijen op voorhand standpunten hebben ingenomen over het juridisch kader omtrent de vorderingen tot schadevergoeding. 8.1. Rechtsmacht Zowel de advocaten van de benadeelde partijen, als het openbaar ministerie hebben zich op de terechtzitting – naar aanleiding van een recente uitspraak van deze rechtbank waarin immuniteit van jurisdictie aan de orde was – uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen beroep op functionele immuniteit toekomt en dat de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen rechtsmacht toekomt. Door de verdediging is geen beroep op functionele immuniteit van de verdachte gedaan. De rechtbank overweegt dat de vraag of de verdachte functionele immuniteit toekomt, onderdeel is van de vraag of de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen in deze zaak. In dat kader dient de rechtbank op grond van artikel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 13a van de Wet algemene bepalingen eventueel ook toepassing te geven aan volkenrechtelijke immuniteiten van jurisdictie. Daaronder wordt begrepen de immuniteit van een functionaris van de staat die overheidshandelingen heeft verricht in de uitoefening van zijn of haar publieke functie, de zogenoemde functionele immuniteit. De uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter mag niet in strijd komen met de op Nederland rustende volkenrechtelijke verplichtingen van immuniteit van jurisdictie die zich in het ongeschreven volkenrecht hebben ontwikkeld. De Hoge Raad heeft bepaald dat indien de Nederlandse rechter ter zake van een hem voorgelegd geschil in beginsel rechtsmacht toekomt, hij dat geschil heeft te berechten, ook als de verweerder een vreemde staat is. Dat is slechts anders indien de vreemde staat tijdig een gegrond beroep op immuniteit van jurisdictie doet. Daarbij moet dat verweer – op straffe van verval van het recht daartoe – vóór alle verweren ten gronde worden gevoerd. Voor een ambtshalve onderzoek naar de vraag of de omstandigheden van het gegeven geval een dergelijk beroep rechtvaardigen, is geen plaats. Met andere woorden, indien de vreemde staat in rechte verschijnt, moet hij een uitdrukkelijk en tijdig beroep doen op een (vermeend) aan hem toekomende immuniteit van jurisdictie. Gebeurt dat niet, dan wordt hij geacht de rechtsmacht van de Nederlandse rechter stilzwijgend te hebben aanvaard. Dat is slechts anders indien de vreemde staat niet in rechte verschijnt, in dat geval dient de rechter wél ambtshalve te onderzoeken of de vreemde staat immuniteit van jurisdictie toekomt. De immuniteit die functionarissen van de staat toekomt is een afgeleide van de immuniteit die een vreemde staat toekomt. Gelet op dit afgeleide karakter is er geen reden de vraag of de rechter ambtshalve onderzoek dient te doen naar omstandigheden die een beroep op functionele immuniteit van jurisdictie rechtvaardigen anders te beantwoorden dan dat de Hoge Raad heeft gedaan in de hiervoor (in de voetnoten) aangehaalde arresten. Dat betekent dat ook een verdachte die zich als functionaris van de staat beschouwt uitdrukkelijk en tijdig een beroep dient te doen op een hem (vermeend) toekomende immuniteit van jurisdictie. In het onderhavige geval staat vast dat door of namens de verdachte op geen enkel moment in de strafprocedure een beroep is gedaan op een hem eventueel toekomende functionele immuniteit. Nu de verdachte in rechte is verschenen rust er op de rechtbank ook geen ambtshalve verplichting tot onderzoek daarnaar. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen stilzwijgend heeft aanvaard en komt zij reeds gelet daarop niet toe aan de beoordeling van de vraag of aan de verdachte überhaupt een beroep op functionele immuniteit zou toekomen. 8.2. De beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen De benadeelde partijen hebben beargumenteerd – aan de hand van deskundigenrapporten –dat de aansprakelijkheid van de verdachte volgt uit een algemeen beginsel in het Rwandese recht, inhoudende dat degene die door een onrechtmatige daad schade veroorzaakt, gehouden is deze schade te vergoeden. Bij de vergoeding van die schade geldt het beginsel van réparation intégrale. Dit houdt in dat de schade volledig moet worden vergoed. Hieronder valt niet alleen concrete (materiële) schade maar ook immateriële schade zoals psychisch leed en de aantasting van de menselijke waardigheid. De benadeelden hebben – kort gezegd – aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de verdachte jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, doordat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en zij daardoor materiële en/of immateriële schade hebben geleden. Namens de benadeelden is gemotiveerd gesteld dat de vorderingen niet zijn verjaard. De omstandigheid dat de verdachte zich samen met anderen aan de ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt, doet geen afbreuk aan zijn individuele aansprakelijkheid en schadeplichtigheid. Ter onderbouwing van de vorderingen is namens de benadeelden gewezen op onder andere hun eigen getuigenverklaringen, psychologische rapportages en (Rwandese) jurisprudentie. Voor wat betreft de hoogte van de vorderingen is ten aanzien van de gevorderde materiële schade aansluiting gezocht bij een Rwandese uitspraak van 30 november 2001 waarin vergelijkbare vormen van schade zijn gevorderd. Ten aanzien van de immateriële schade is door de benadeelden aansluiting gezocht bij een Belgische uitspraak van 29 juni 2005 en een Zweedse uitspraak van 15 februari 2017 waarin schadevergoedingen zijn toegekend aan slachtoffers die tijdens de Rwandese genocide ernstig psychisch en lichamelijk letsel hebben opgelopen. Tot slot is het door de benadeelden gevorderde verlies van naasten onderbouwd middels een Rwandese uitspraak van 17 april 2001. 8.2.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Rwandese recht voldoende inzichtelijk is geworden en heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met beperking van de gijzeling tot één dag. 8.2.2. Het standpunt van de verdediging Primair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is door de verdediging gesteld dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert wegens de wijze waarop de vorderingen zijn ingediend, waardoor de verdediging onvoldoende tijd heeft gekregen om het juridisch kader en overgelegde jurisprudentie te bestuderen, op zoek te gaan naar een eventuele eigen deskundige voor contra-expertise en de opgegeven deskundigen te bevragen. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert wegens de vele onbeantwoorde vragen over de toepassing van het Rwandese recht waardoor de vorderingen niet behoorlijk kunnen worden beoordeeld. Meest subsidiair heeft verdediging gesteld dat artikel 51f, tweede lid, Sv niet van toepassing is op de vorderingen tot affectieschade en het legaliteitsbeginsel in de weg staat aan toepassing van artikel 36f Sr. 8.2.3. Het oordeel van de rechtbank Op de vorderingen van de benadeelde partijen is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Dat houdt ook in dat de rechtbank op de voet van artikel 10:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de regels van het internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepast. In dit geval dient de beoordeling van de vorderingen te geschieden naar Rwandees burgerlijk recht. Dit volgt, nu de (gestelde) schadeveroorzakende gebeurtenissen vóór 11 januari 2009 plaatsvonden, de datum waarop de sindsdien toepasselijke Rome II-verordening (Verordening EG, nr 864/2007) in werking is getreden, uit artikel 3 (oud) Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (hierna: WCOD). Gelet op dit artikel worden verbintenissen uit onrechtmatige daad beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de daad plaatsvindt. Dit leidt tot de conclusie dat bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen het Rwandese recht van toepassing is. De (gestelde) schadeveroorzakende gebeurtenissen waar de benadeelde partijen hun vordering op hebben gestoeld, hebben zich immers voorgedaan in Rwanda. De toepasselijkheid van het Rwandese recht heeft gedurende de behandeling van de zaak ook niet ter discussie gestaan. Ingevolge artikel 7 (oud) WCOD strekt de toepasselijkheid van het Rwandese recht zich uit tot: de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid; de gronden voor uitsluiting, beperking en verdeling van de aansprakelijkheid; het bestaan en de aard van schade die voor vergoeding in aanmerking komt; de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan; de mogelijkheid tot overdracht of overgang van het recht op schadevergoeding; de personen die uit eigen hoofde recht hebben op schadevergoeding; de aansprakelijkheid van een opdrachtgever voor handelingen van degene die voor hem optreedt; de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van de termijn en van zijn stuiting of schorsing. Ter voorbereiding op de behandeling van de aangekondigde vorderingen heeft de rechtbank de benadeelde partijen in de gelegenheid gesteld om op voorhand de vorderingen schriftelijk toe te lichten en uiteen te zetten welk juridisch kader van toepassing is. Nu de verdediging heeft bepleit dat de wijze waarop dit is verlopen, noopt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vorderingen van de benadeelde partijen, zet de rechtbank hieronder het tijdsverloop van de indiening van de vorderingen en de onderliggende stukken uiteen. Op 28 juni 2024 heeft [benadeelde 6] zich gevoegd in het strafproces als benadeelde partij, bijgestaan door zijn advocaten mr. Van Spanje en mr. Nevels (hierna: de advocaat van de benadeelde partij). Op de pro forma-zitting van 18 februari 2025 is medegedeeld door de advocaat van de benadeelde partij dat zij negen benadeelden bijstond en voornemens was namens hen vorderingen tot schadevergoeding in te dienen. Verder werd op die zitting door haar meegedeeld dat de vorderingen werden voorbereid en werd geprobeerd inzicht te krijgen in het toepasselijke Rwandese recht. Op 9 december 2025 heeft de advocaat van de benadeelde partij de rechtbank bericht dat het Rwandese recht van toepassing is op de vorderingen. Op de pro forma-zitting van 18 december 2025 heeft de rechtbank de advocaat van de benadeelde partijen verzocht een standpunt in te dienen ten aanzien van het toepasselijk juridisch kader voor de volgende zitting. Op die zitting, de pro forma-zitting van 10 februari 2026, heeft de advocaat van de benadeelde partij meegedeeld dat het nog niet was gelukt een rapport ten aanzien van het toepasselijke Rwandese recht te laten opstellen, maar dat werd gezocht naar mogelijkheden hiertoe. Verder deelde zij mee dat het vooralsnog haalbaar leek om de vorderingen tot schadevergoeding een maand voor de inhoudelijke behandeling in te dienen. Op de pro forma-zitting van 24 april 2026 is door de advocaat van de benadeelde partij meegedeeld dat zij zich uiterlijk op 8 mei 2026 zou uitlaten over het toepasselijk juridisch kader en zij in ieder geval een aantal vorderingen kon indienen voor 17 mei 2026. Op 8 mei 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partij telefonisch contact opgenomen met de rechtbank waarin akkoord werd gevraagd op het doen toekomen van het juridisch kader op 10 mei 2026. Op 10 mei 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partij haar standpunt omtrent het juridisch kader naar het Rwandese recht (494 pagina’s) doen toekomen aan de rechtbank. Naar aanleiding van de reactie van de verdediging, is op 9 juni 2026 een aanvulling hierop (1207 pagina’s) en op 12 juni 2026 een inhoudsopgave van die aanvulling toegezonden aan de rechtbank. Tussen 16 mei 2026 en 8 juni 2026 heeft de rechtbank – op verschillende momenten – de vorderingen tot schadevergoeding ontvangen. Daarin waren de gevorderde bedragen nog niet geconcretiseerd. De omvang van de vorderingen is op 12 juni 2026, vijf dagen voor de inhoudelijke behandeling, door de advocaat van de benadeelde partijen aan de rechtbank toegezonden. De vraag is of, gelet op het voorgaande, de beoordeling van de vorderingen op een zorgvuldige wijze kan plaatsvinden binnen dit strafgeding. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De wetgever heeft met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering binnen het strafproces beoogd binnen het strafproces te voorzien in een laagdrempelige én eenvoudige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. De procedure tot voeging van een benadeelde partij ex artikel 51f Sv heeft een aan de strafzaak accessoir karakter en is geen gaaf substituut voor een reguliere procedure bij de burgerlijk rechter. De procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit is ondervangen via artikel 361, derde lid Sv op grond waarvan de rechtbank al dan niet op verzoek van de verdachte de vordering van de benadeelde partij geheel of ten dele niet ontvankelijk kan verklaren indien de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze bepaling dient, in het licht van artikel 6, eerste lid EVRM, aldus te worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkheid verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. De rechtbank is van oordeel dat door het late stadium waarop het standpunt van de benadeelde partijen over het toepasselijk juridisch kader, de aanvulling daarop, de vorderingen tot schadevergoeding en de omvang van de schade zijn ingediend, de verdediging zeer beperkt de gelegenheid heeft gehad om verweer tegen de vorderingen te voeren. De verdediging heeft – ondanks het bovengenoemde – in haar reactie op het standpunt van de benadeelde partijen omtrent het toepasselijk juridisch kader van 5 juni 2026 ruim dertig vragen gesteld met betrekking tot het Rwandese recht. Ten tijde van de terechtzitting waren verschillende van deze vragen nog onbeantwoord en heeft de verdediging, naar aanleiding van de aanvullende toelichting van de advocaat van de benadeelde partijen, aanvullende vragen gesteld ten aanzien van (onder andere) causaliteit, hoofdelijke aansprakelijkheid, de verhouding tussen strafrechtelijke aansprakelijkheid en civiele aansprakelijkheid, alsook de verhouding met het Rwandese erfrecht. Hoe het Rwandese recht moet worden toegepast op de vorderingen is dan ook ten zeerste in geschil. Gelet op artikel 10:2 BW heeft de rechtbank gepoogd de inhoud van het Rwandese recht vast te stellen en toe te passen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het Rwandees recht is niet eenvoudig kenbaar. In 2019 is alle van oorsprong koloniale wetgeving in Rwanda ingetrokken, waaronder het Rwandese Burgerlijk Wetboek, zonder (kenbaar) overgangsrecht. Sindsdien is civiele aansprakelijkheid gebaseerd op algemene beginselen van het verbintenissenrecht. Door de intrekking van het Rwandese Burgerlijk Wetboek is er naar het oordeel van de rechtbank te veel onduidelijkheid om de diverse geschilpunten naar geldend Rwandees recht te beslechten, waaronder die geschilpunten die zien op causaliteit en hoofdelijke aansprakelijkheid. Recente, openbaar toegankelijke bronnen die op deze leerstukken zien zijn er niet of nauwelijks, hetgeen deels is te verklaren door het intrekken van Burgerlijk Wetboek in 2019. De rechtbank heeft gepoogd zich hierover nader te laten voorlichten door een andere deskundige dan door de namens de benadeelde partij ingeschakelde deskundige. Gebleken is dat die mogelijk er wel is, maar dat het uitbrengen van een deskundigenbericht om een tijdrovende aangelegenheid is. Dit zou met zich brengen dat het onderzoek ter terechtzitting heropend moet worden teneinde de rechtbank in staat te stellen nader onderzoek te (laten) doen naar deze vragen over het Rwandese recht. Vervolgens zouden partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op de bevindingen van de rechtbank, temeer nu de verdediging ten tijde van de inhoudelijke behandeling nog een groot aantal vragen had over het toepasselijk recht. Dit alles zou tot onaanvaardbare vertraging van de uitkomst van de strafzaak leiden en het accessoire karakter van de procedure tot voeging van een benadeelde partij in het strafproces ver te buiten gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beoordeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Wel kunnen zij hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen, opdat die vorderingen daar in een reguliere civielrechtelijke procedure kunnen worden beoordeeld. 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 47 - en 57 van het Wetboek van Strafrecht; en - 8 ( - oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht; en - 1 ( - oud) van de Uitvoeringswet Genocideverdrag. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4. bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit plundering inhield, met verenigde krachten is gepleegd en uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2 : medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit het met verenigde krachten vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken van enig goed inhield en uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 4 : medeplegen van opzettelijk en met het oogmerk een etnische groep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen, leden van die groep te doden en/of leden van die groep zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel toe te brengen; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf ; de vordering van de benadeelde partij; bepaalt dat de benadeelde partijen: [benadeelde 1] ; [getuige 6] ; [benadeelde 2] ; [benadeelde 3] ; [benadeelde 4] ; [benadeelde 5] ; [benadeelde 6] ; [benadeelde 7] en [benadeelde 8] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Snoeijer, voorzitter, mr. K.C.J. Vriend, rechter, mr. E.R.F. van Engelen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Copier en S.J.H. Oosterloo LL.M., griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 augustus 2026. Proces-verbaal opgemaakt op 11 januari 2024 (LERFA19009 – 00828), p. 1650 opsporingsdossier: “ [verdachte] is na de genocide vertrokken uit Rwanda en heeft in 1998 een asielaanvraag in Nederland ingediend. In 2010 heeft [verdachte] de Nederlandse nationaliteit verkregen.” Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3, p. 39. Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998 en recenter Hoge Raad 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842. Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9053; gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:313; en gerechtshof Den Haag 27 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:246. Zie onder meer rechtbank ’s-Gravenhage 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI244, onder hoofdstuk 6; rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4929, onder hoofdstuk 8 punt 13; gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686, onder hoofdstuk 9; gerechtshof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, onder 9.2 en rechtbank Den Haag 15 december 2027, ECLI:NL:RBDHA:2017:14782, onder 8.4. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 27 en p. 29. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 30. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 29. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 29. Deskundigenrapport F.X. Nsanzuwera, 27 oktober 2024. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 37. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 37. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 38 en p. 40. Het ‘risico op zelfcensuur’, zoals Longman dit noemt, vindt tevens bevestiging in de aan het dossier gevoegde deskundigenrapportages van F. Reyntjens d.d. 4 november 2024, p. 7 en F.X. Nsanzuwera d.d. 27 oktober 2024, p. 47. Deskundigenrapport dr. T. Longman, januari 2026, p. 14. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 40. Rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292, r.o. 8.10. Zie het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, opgemaakt op 12 september 2025, p. 6 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt op 27 juni 2025, p. 9 en p. 10. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 6. Zie voor de feitelijke vaststelling hieromtrent paragraaf 4.3.2. MDR-Power was een afsplitsing van de MDR waarin anti-Tutsigedachtegoed werd gepropageerd, zie hiervoor Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 39. Opsporingsdossier, p. 5579-5581. Deskundigenrapport dr. T. Longman, 13 juli 2025, p. 23. Deskundigenrapport F.X. Nsanzuwera, 27 oktober 2024, p. 44. TIG staat voor travaux d’intérêt général , dit is vergelijkbaar met een werkstraf. Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686; rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292. Rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292. ICTR, Prosecutor v. Nyiramasuhuko et al., Case No. ICTR-98-42-T, Trial Chamber Judgement, 24 juni 2011, para. 244-245. ICTR, Prosecutor v. Nyiramasuhuko et al., Case No. ICTR-98-42-T, Trial Chamber Judgement, 24 juni 2011, para 243. ICTR, The Prosecutor v. Nahimana et al ., Case No. ICTR-99-52-T, Trial Chamber Judgement, 3 december 2003, para 114; gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686. Rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292; ICTR, The Prosecutor v. Nahimana et al ., Case No. ICTR-99-52-T, Trial Chamber Judgement, 3 december 2003, para 114. Rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292. Zie onder meer ICTR, The Prosecutor v. C. Kayishema , Case No. ICTR-95-1-T, Trial Chamber Judgement, 21 mei 1999, para. 522-526; The Prosecutor v. Bagosora et al (Military I), Case No.: ICTR-98-41-T, Trial Chamber Judgement and Sentence, 18 december 2008, par. 2117, voetnoot 2338: “ Furthermore, every judgement rendered by this Tribunal concerning genocide has recognized that the Tutsi ethnicity is a protected group .” Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686. Rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292; ICTR, Prosecutor v. Karemera, Ngirumpatse and Nzirorera, Case No. ICTR-98-44-AR73(C), Decision on Prosecutor’s Interlocutory Appeal of Decision on Judical Notice, Appeals Chamber, 16 juni 2006, para. 35. Contextrapportage onderzoek Desoto, p. 4863. Dit betreft een quote uit de ICTR Trial Testimony van André Guichaoua. ICTR, Prosecutor v. Nyiramasuhuko et al., Case No. ICTR-98-42-T, 24 juni 2011, para 892. Na de machtsovername door president Habyarimana werden politieke partijen verboden en dienden alle Rwandezen lid te worden van één politieke partij: de MRND. Nadat een grondwetswijziging werd doorgevoerd in 1991, werd het in Rwanda mogelijk om politieke partijen op te richten. De MDR was de eerste oppositiepartij die na deze wijziging werd opgericht. De nieuwe MDR legde een claim op de erfenis van Grégoire Kayibanda’s sociale revolutie van 1959. ICTR, The Prosecutor v. Nahimana et al ., Case No. ICTR-99-52-A, Appeals Chamber Judgement, 28 november 2007, para. 539. Kamerstukken II 1951-1952, 2258, nr. 3, p. 9. Zie ook Hoge Raad 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418, par. 10.2. Zie ook de Memorie van Toelichting bij de Wim, Kamerstukken II, 2001 - 2002, 28 337, nr. 3, p. 6. Gerechtshof Den Haag 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686. Gerechtshof Den Haag 12 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:934; gerechtshof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973. ICTY, Prosecutor v. Tadić , IT-94-1-AR72, Appeals Chamber Decision, 2 oktober 1995, para. 70. ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, IT-04-84-T, Trial Chamber Judgement, 3 april 2008, para. 49; Gerechtshof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973. Gerechtshof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973; ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, IT-04-84-T, Trial Chamber Judgement, 3 april 2008, para. 60. ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, IT-04-84-T, Trial Chamber Judgement, 3 april 2008, para. 49, 60. ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, IT-04-84-T, Trial Chamber Judgement, 3 april 2008, para. 60. Gemeenschappelijk artikel 3 van de Geneefse Conventies stelt dat in geval van een niet-internationaal gewapend conflict de volgende personen als beschermde personen gelden: “personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak.” ICTY, Prosecutor v. Tadic , IT-94-1-AR72, Appeals Chamber Decision, 2 oktober 1995, para. 70; ICTY, Prosecutor v. Kunarac , IT-96-23 en IT-96-23/1-T, Trial Chamber Judgement, para. 568. ICTY, Prosecutor v. Kunarac , IT-96-23 en IT-96-23/1, Appeals Chamber Judgement, 12 juni 2002, para. 57 en 58. ICTR, Prosecutor v. Akayesu , ICTR 96-4-A, Appeals Chamber Judgement, 1 juni 2001, para. 444; gerechtshof Den Haag 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2191. gerechtshof Den Haag 12 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:934; gerechtshof Den Haag 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2191; ICC, The Prosecutor v. Bosco Ntaganda, Case No. ICC-01/04-02/06, Trial Chamber Judgement, 8 juli 2019; ICTY, Prosecutor v. Kunarac , IT-96-23 en IT-96-23/1, Appeals Chamber Judgement, 12 juni 2002, para. 59. ICTY, Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-AR73.3, Decision on Joint Defence Interlocutory Appeal of Trial Chamber Decision on Rule 98bis Motions for Acquittal, 11 maart 2005, para. 37-38; ICTY, Prosecutor v. Delalic et al., Case No. IT-96-21-T, Trial Chamber Judgement, 16 november 1998, para. 315; ICTY, Prosecutor v. Tihomir Blaskic, Case No. IT-95-14-A, Appeals Chamber Judgement, 29 juli 2004, para. 147-148. ICC, The Prosecutor v. Jean-Pierre Bemba Gombo , Case No. ICC-01/05-01/08, Trial Chamber Judgement, 21 maart 2016, para. 114; ICRC, Customary IHL Database, online, regel 52 (‘Pillage’), https://ihl-databases.icrc.org/en/customary-ihl/v1/rule52: “Rule 52. Pillage is prohibited. State practice establishes this rule as a norm of customary international law applicable in both international and non-international armed conflicts.” ICTY, Prosecutor v. Kordic and Cerkez, Case No. IT-95-14/2-A, Appeals Chamber Judgement, 17 december 2004, para. 79. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 49. ICTY, The Prosecutor v. Naletilic and Martinovic , Case No. IT-98-34-T, Trial Chamber Judgement, 31 maart 2003, para. 616; ICTY, Prosecutor v. Delalic et al., Case No. IT-96-21-T, Trial Chamber Judgement, 16 november 1998, para. 587; ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 56. ICRC, Commentary on Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, and relating to the Protection of Victims of Non-International Armed Conflicts (Protocol II), commentary of 1987, online, art. 4, para. 4542, https://ihl-databases.icrc.org/en/ihl-treaties/apii-1977/article-4/commentary/1987?activeTab=1949GCs-APs-and-commentaries. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 49. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 54. Zie Kamerstukken II 1950-1951, 2258-3 (Memorie van Toelichting Wos), p. 9, waar de wetgever ten aanzien van plundering overwoog dat voor de invulling van plundering aansluiting gezocht dient te worden bij het begrip plundering als omschreven in artikel 153 (thans: 156) van het Wetboek van Militair Strafrecht. De wetgever merkt hierbij op dat de toepasselijkheid van deze bepaling niet tot de gevallen in het Wetboek van Militair Strafrecht bedoeld, beperkt mogen worden geacht, nu het oorlogsmisdrijf ook kan worden gepleegd door niet-militairen. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 54. Zie voor een vergelijkbaar juridisch kader gerechtshof Den Haag 9 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2245. ICRC, Customary IHL Database, online, regel 50 (‘Destruction and Seizure of Property of an Adversary’), https://ihl-databases.icrc.org/en/customary-ihl/v1/rule50: “ State practice establishes this rule as a norm of customary international law applicable in both international and non-international armed conflicts .” ICTY, Prosecutor v. Kordic and Cerkez, Case No. IT-95-14/2-A, Appeals Chamber Judgement, 17 december 2004, para. 76; ICTY, Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-AR73.3, Decision on Joint Defence Interlocutory Appeal of Trial Chamber Decision on Rule 98 bis Motions for Acquittal, Appeals Chamber, 11 maart 2005, para. 26-27, 29. ICTY, Prosecutor v. Strugar, Case No. IT-01-42-T, Trial Chamber Judgement, 31 januari 2005, para. 291. De zaak Strugar zag op een internationaal gewapend conflict, maar zie ICTY, Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 38: “In its Decision on Motions for Acquittal of 27 September 2004, the Chamber held that, in the context of non-international armed conflicts, customary international law prohibits the wanton destruction of towns or villages, the plunder of public or private property, and the destruction of institutions dedicated to religion. The Chamber also considered that the elements of the above mentioned crimes under Article 3 of the Statute were identical, regardless of whether the crimes were committed in an international or non-international armed conflict. The Appeals Chamber affirmed the Chamber’s findings with regard to customary international law’s prohibition of crimes stipulated in Article 3(b), (d) and (e) of the Statute, when they are committed in the context of an internal armed conflict, but did not make any determination as to the elements of those crimes.” ICTY, Prosecutor v. Strugar, Case No. IT-01-42-T, Trial Chamber Judgement, 31 januari 2005, para. 292-293. ICTY, Prosecutor v. Strugar, Case No. IT-01-42-T, Trial Chamber Judgement, 31 januari 2005, para. 293; ICTY, Prosecutor v. Kordic and Cerkez, Case No. IT-95-14/2-A, Trial Chamber Judgement, 26 februari 2001, para. 346; ICTY, The Prosecutor v. Naletilic and Martinovic , Case No. IT-98-34-T, Trial Chamber Judgement, 31 maart 2003, para. 579. ICTY, Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 43. ICTY, Prosecutor v. Strugar, Case No. IT-01-42-T, Trial Chamber Judgement, 31 januari 2005, para. 294; ICTY, Prosecutor v. Strugar, Case No. IT-01-42-A, Appeals Chamber Judgement, 17 juli 2008, para. 331. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 42 en 44. Zie onder meer ICC, The Prosecutor v. Germain Katanga, Case No. ICC-01/04-01/07, Trial Chamber Judgement, 7 maart 2014, para. 891; ICC, The Prosecutor v. Bosco Ntaganda, Case No. ICC-01/04-02/06, Trial Chamber Judgement, 8 juli 2019, para. 1152; ICC, Prosecutor v. Dominic Ongwen , Case No. ICC-02/04-01/15, Trial Chamber Judgement, 4 februari 2021, para. 2775. ICRC, Customary IHL Database, online, regel 50 (‘Destruction and Seizure of Property of an Adversary’), https://ihl-databases.icrc.org/en/customary-ihl/v1/rule50. ICC, Prosecutor v. Ali Muhammad Ali Abd-Al-Rahman (“Ali Kushayb”), Case No. ICC-02/05-01/20, Trial Chamber Judgement, 6 oktober 2025, para. 726. ICC, The Prosecutor v. Bosco Ntaganda, Case No. ICC-01/04-02/06, Trial Chamber Judgement, 8 juli 2019, para. 1160. ICTY, The Prosecutor v. Hadzihasanovic and Kubura, Case No. IT-01-47-T, Trial Chamber Judgement, 15 maart 2006, para. 46. gerechtshof ‘s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686; rechtbank Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, op 13 mei 2026 opgemaakt, p. 31 en p. 43. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] bij de rechter-commissaris, op 26 november 2025 opgemaakt, p. 31. Deze overweging is in lijn met wat het ICC eerder hierover heeft overwogen, zie ICC, Prosecutor v. Dominic Ongwen , Case No.