Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:23582
afwijzing aanvraag werk als zelfstandige; zelfstandige mvv-vereiste Turkije, standstillbepalingen, ingegaan op usp Afdeling juli 2025 RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43929 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 15 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben de rechtbank vooraf laten weten niet naar de zitting te zullen komen. (Totstandkoming van) het bestreden besluit 3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser stelt een onderneming ( [bedrijf] ) in Nederland te runnen. Op 28 december 2023 heeft hij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel om arbeid als zelfstandige te verrichten in Nederland. 3.1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Volgens verweerder komt eiser niet op grond van artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Ook komt eiser niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft genoemd die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is. Daarnaast is volgens verweerder niet gebleken dat eiser een geslaagd beroep kan doen op artikel 6 of 7 van Besluit 1/80 van de Associatieraad van de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Besluit 1/80). Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien om eiser met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 3.71, derde lid, van het Vb vrijstelling te verlenen van het mvv-vereiste. Het op 1 oktober 2022 opnieuw ingevoerde zelfstandige mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is ook niet in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand was gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Aanvullend Protocol; Associatieovereenkomst). Het tegenwerpen van het mvv-vereiste is verder niet onevenredig in eisers situatie, aldus verweerder. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers een aanscherping is in de zin van artikel 41, eerste lid van het Aanvullend Protocol. Tussen partijen is wel in geschil of voor deze aanscherping een wettelijke basis bestaat, of de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, of het mvv-vereiste geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen, of het mvv-vereiste verder gaat dan noodzakelijk om die doelen te verwezenlijken en of tegenwerping van het mvv-vereiste in eisers geval evenredig is. Daarnaast is in geschil of het discriminatieverbod is geschonden en of sprake is van schending van de hoorplicht. De standstillbepaling 5.1. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraken van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935 en 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171, de eerste vier van de hierboven onder 4 weergegeven vragen bevestigend heeft beantwoord. De rechtbank volgt de Afdeling hierin en neemt de betreffende overwegingen over. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank waarnaar eiser verwijst in zijn beroepsgronden, ofwel door de Afdeling zijn vernietigd ofwel geen gelijk geval betreffen (dat laatste geldt voor de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 15 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13381, zie ook hierna onder 6). Eiser heeft ook gesteld dat voormelde Afdelingsuitspraken niet kunnen worden gevolgd omdat in die uitspraken geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat eisers onderneming bij vertrek van eiser naar Turkije uit het register van de Kamer van Koophandel (KvK) wordt uitgeschreven en dat het vanuit Turkije onmogelijk wordt om een uittreksel van de KvK te overleggen en daarmee te voldoen aan het documentatievereiste. Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze stelling van eiser niet tot het daarmee door hem beoogde doel. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Noord-Holland van 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7341, blijkt immers dat verweerder op vragen van de rechtbank in die zaak en andere vergelijkbare zaken heeft geantwoord dat de KvK altijd eerst een voornemen om een onderneming uit te schrijven kenbaar maakt bij de ondernemer. De ondernemer kan vervolgens zijn zienswijze geven. Tegen een eventuele uitschrijving staan rechtsmiddelen open. Bovendien blijkt uit die uitspraak dat de KvK aan verweerder heeft laten weten dat een verklaring van een ondernemer dat hij in het buitenland verblijft in afwachting van een mvv-procedure géén reden is voor de KvK om over te gaan tot uitschrijving van de onderneming uit het handelsregister. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededelingen van verweerder te twijfelen en ziet ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de KvK in deze zaak anders zou handelen. Zij ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat eiser voor een onmogelijke bewijslast wordt gesteld ten aanzien van het overleggen van een uittreksel uit de KvK. Verder overweegt de rechtbank dat de Afdeling in voormelde uitspraken heeft overwogen dat verweerder mag verlangen dat een vreemdeling de in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) genoemde stukken overlegt, voor zover die vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als een vreemdeling een steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij over een bepaald stuk of bepaalde stukken niet de beschikking kan krijgen en verweerder de aanvraag desondanks niet voorlegt voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zal verweerder dit moeten motiveren. Uit voormelde uitspraak van zittingsplaats Noord-Holland blijkt dat verweerder in antwoord op vragen van de rechtbank heeft toegelicht dat een verklaring kan zijn dat het een vanuit het buitenland opgestarte onderneming betreft. Aan de hand van die verklaring zal verweerder vervolgens beoordelen of de vreemdeling redelijkerwijs de beschikking had kunnen krijgen over de vereiste stukken. De rechtbank leidt hieruit af dat gegevens en bescheiden waartoe de vreemdeling geen toegang kan krijgen, niet hoeven te worden verstrekt. De rechtbank volgt de uitspraak van zittingsplaats Noord-Holland ook op het punt dat van een vreemdeling kan worden verwacht dat hij een onderbouwd ondernemingsplan inbrengt als nog geen sprake is van een bestaande onderneming of als de vreemdeling zijn ondernemingsactiviteiten in Nederland heeft gestaakt als gevolg van zijn vertrek naar Turkije voor het aanvragen van een mvv. De vreemdeling kan dan mogelijk geen stukken overleggen van een bestaande of actieve onderneming, maar hij kan zijn ondernemingsplan wel onderbouwen met andere stukken, zoals branchegegevens van de specifieke markt waarop de onderneming zich richt, intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers en stukken ter staving van de competenties van de ondernemer. De door eiser aangevoerde stelling van eiser dat het onmogelijk is om vanuit het buitenland een bankrekening te openen dan wel een btw-nummer te verkrijgen, leidt niet tot het ander oordeel. Eiser heeft immers al een bankrekening en een btw-nummer en bovendien worden een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer niet genoemd in bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc als stukken die bij een dergelijke aanvraag over moeten worden gelegd. 5.2. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tegenwerping van het mvv-vereiste in zijn geval niet evenredig is. In dat kader is van belang dat eiser, net als de vreemdeling in voormelde zaken van de Afdeling, geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het in zijn geval niet redelijk zou zijn om te verwachten dat hij in Turkije een mvv aanvraagt. Eiser was ook niet op zitting om vragen die de rechtbank hierover had, te beantwoorden. 5.3. Uit het voorgaande volgt dat de aanscherping bestaande uit de herinvoering van het zelfstandige mvv-vereiste vanaf 1 oktober 2022 (ook in eisers geval) niet in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Er zijn namelijk dwingende redenen van algemeen belang aanwezig, de maatregel is geschikt om de doelen te verwezenlijken, de maatregel gaat niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel en daarnaast is niet gebleken dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in eisers geval onevenredige gevolgen heeft. De beroepsgrond faalt. Het discriminatieverbod 6. Ten aanzien van eisers beroep op het discriminatieverbod, overweegt de rechtbank in lijn met voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025 dat de omstandigheid dat de aanscherping bestaande uit de herinvoering van het zelfstandige mvv-vereiste gerechtvaardigd is, uitsluit dat die maatregel onevenredig en discriminatoir is. Er is daarom geen strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Ook kan het beroep van eiser op artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet slagen, alleen al omdat eiser niet heeft toegelicht welke specifieke rechten of vrijheden die in dat verdrag zijn vermeld, volgens hem worden geschonden. Eisers beroep op voormelde uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 15 juli 2024, faalt omdat het in die zaak, anders dan in deze zaak, ging over het inburgeringsvereiste en het dus geen gelijk geval betreft. De beroepsgrond faalt. De hoorplicht 7. Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem, gelet op wat hij heeft aangevoerd, had moeten horen in bezwaar. Verweerder had dit volgens eiser ook moeten doen omdat niet uit te sluiten viel dat eiser tijdens de hoorzitting nieuwe gezichtspunten naar voren zou hebben gebracht. 7.1. Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval sprake, nu eiser in de bezwaarprocedure geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, ondanks dat in het primaire besluit op het ontbreken daarvan uitdrukkelijk was gewezen. Van een situatie waarin er nog onduidelijkheden bestonden over het te beoordelen feitencomplex en het gehoor uitkomst kon bieden om informatie boven tafel te krijgen, was dus geen sprake. Eiser heeft in zijn gronden van bezwaar ook niet toegelicht waarom hij wenste te worden gehoord. De enkele mogelijkheid dat tijdens een gehoor nog nieuwe gezichtspunten naar voren zouden kunnen worden gebracht, is onvoldoende om te horen. Verweerder heeft in deze zaak dan ook van horen af kunnen zien. De beroepsgrond faalt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.