Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:23576
Afwijzing aanvraag verblijf bij partner, ongegrond. Geen beschermenswaardig familieleven art. 8 EVRM. Belangenafweging valt in nadeel eiseres uit. Ex-tunc toetsing, dus omstandigheden die na het besluit zijn opgetreden kunnen niet worden meegenomen. Geen bijzondere omstandigheden voor hardheidsclausule. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: Awb 25/23906 en Awb 25/12804 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaken tussen [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum],van Filipijnse nationaliteit,V-nummer: [nummer], (gemachtigde: [partner]), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. D. Post). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres met als doel ‘verblijf bij partner’. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres niet in het bezit is van een geldig mvv en dat ook niet is gebleken dat er sprake is van een situatie op basis waarvan eiseres vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar partner. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2025 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft op 26 juni 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres (haar echtgenoot), en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. De minister heeft in het besluit aangegeven dat eiseres geen mvv heeft en dat zij ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van dit vereiste. Volgens de minister is de uitzetting van eiseres niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiseres vormt samen met haar echtgenote een gezin, maar de belangenafweging tussen het belang van de Nederlandse staat en het belang van eiseres valt in het nadeel van eiseres uit. Ook vindt de minister dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Overwegingen van de rechtbank Vrijstelling griffierecht 4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Toetsingskader 5. Volgens de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag voor een tijdelijke verblijfsvergunning worden afgewezen als iemand niet over een geldige mvv beschikt die past bij het doel van het verblijf, en ook niet aan de voorwaarden voldoet om hiervan vrijgesteld te worden. Vrijstelling van het mvv-vereiste kan worden gegeven als uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM of wanneer vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig hard is voor een vreemdeling. De zogenoemde hardheidsclausule betekent dat als iemand bijzondere, persoonlijke omstandigheden heeft die op zichzelf misschien niet genoeg zijn om vrijstelling te krijgen, deze samen toch kunnen zorgen dat het onredelijk is om vast te houden aan het mvv-vereiste. Gezinsleven en privéleven 6. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening houdt met hun gezinsleven. Als eiseres moet terugkeren naar de Filipijnen, wordt het gezinsleven verbroken. Ook kan eiseres niet terug, omdat zij problemen met haar familie heeft en dit onveilig voor haar zou zijn. Uitzetting is daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM. Op de zitting heeft eiseres haar echtgenoot verteld dat zij vrijwilligerswerk doet bij een verzorgingstehuis en Nederlandse les volgt. Ook heeft zij inmiddels in Parijs het volledige inburgeringsexamen gehaald. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de minister en eiseres het met elkaar eens zijn dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar echtgenoot. Wat hen verdeeld houdt is of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank begrijpt dat de minister daarbij een belangenafweging heeft gemaakt tussen twee belangen: het belang van de persoon die in Nederland wil blijven (de vreemdeling) en het belang van Nederland om streng te zijn bij het toelaten van mensen (het restrictief toelatingsbeleid). Bij deze afweging moeten alle belangrijke feiten en omstandigheden worden meegenomen. Daarbij toetst de rechtbank ‘ex-tunc’. Dat betekent dat de rechtbank moet kijken naar de situatie zoals die was op het moment dat de minister het besluit nam, in dit geval 3 december 2025. Feiten en omstandigheden die daarna zijn opgetreden kunnen in principe niet bij de beoordeling worden betrokken, tenzij het gaat om stukken die een nadere onderbouwing zijn van een eerder ingenomen standpunt in bezwaar. De rechtbank toetst vervolgens vol of alle feiten en omstandigheden zijn meegewogen, maar toetst de uiteindelijke conclusie van de belangenafweging van de minister enigszins terughoudend. 6.2. De rechtbank vindt dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Hierbij heeft de minister alle belangen en feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging betrokken. Zo heeft de minister mogen meewegen dat eiseres op een visum kort verblijf naar Nederland is gekomen en zij dus wist dat ze niet mocht blijven. Dat eiseres ervoor heeft gekozen niet terug te keren naar de Filipijnen weegt in haar nadeel. Ook weegt mee dat sprake is van een eerste toelating. Daarmee weegt het restrictief toelatingsbeleid van de Nederlandse staat zwaar in eiseres haar nadeel. De minister weegt verder mee dat er voor eiseres en haar echtgenoot geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in de Filipijnen uit te oefenen. Eiseres heeft haar vrees voor eerwraak gerelateerd geweld namelijk niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat op de zitting naar voren is gekomen dat het contact tussen eiseres en haar familie voorzichtig positief verbeterd. Bovendien mocht de minister erop wijzen dat het eiseres altijd vrij staat om in Nederland een asielaanvraag in te dienen. Daarnaast heeft eiseres de stelling dat haar echtgenoot vanwege zijn gezondheid niet mee zou kunnen naar de Filipijnen niet nader onderbouwd. Verder mocht de minister meewegen dat eiseres sterkere banden met de Filipijnen heeft dan met Nederland. Eiseres is namelijk geboren en opgegroeid in de Filipijnen, terwijl zij nog maar een korte tijd in Nederland verblijft. De rechtbank neemt tot slot het op 2 maart 2026 behaalde basisexamen inburgering niet mee in de beoordeling, omdat eiseres dit pas gehaald heeft nadat de minister het besluit op 3 december 2025 heeft genomen. 6.3. De rechtbank begrijp dat eiseres op de zitting een beroep doet op het hebben van een privéleven in Nederland. Zij doet vrijwilligerswerk en volgt Nederlandse les. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze informatie te laat is ingebracht, omdat dit pas op de zitting naar voren komt. De rechtbank volgt de minister hierin niet. De minister heeft namelijk op de zitting een inhoudelijk standpunt kunnen innemen. De minister stelt zich in het besluit op het standpunt dat geen sprake is van privéleven. De minister heeft erop mogen wijzen dat de informatie op de zitting niet nader is onderbouwd met stukken. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat zelfs als eiseres dit wel met stukken zou onderbouwen, dit niet maakt dat sprake is van strijd met het recht op privéleven. Eiseres heeft dit privéleven namelijk opgebouwd terwijl zij geen zekerheid had over haar verblijfsstatus. Dan kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn van strijd met het recht op privéleven. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat daar geen sprake van is, omdat van bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake is. 6.4. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgronden slagen niet. Hardheidsclausule 7. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de minister de hardheidsclausule ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd buiten toepassing heeft gelaten. Er is namelijk sprake van bijzondere persoonlijke omstandigheden die afwijken van het mvv-vereiste rechtvaardigen. Op de zitting heeft de echtgenoot van eiseres uitgebreid verteld over de enorm positieve rol die eiseres speelt in zijn leven. Hij heeft zijn leven dankzij haar op de rit en kan daarom niet zonder haar. Zij kunnen hun gezinsleven vanwege de medische situatie van de echtgenoot niet voortzetten in de Filipijnen. Bovendien is het voor eiseres onveilig om terug te keren naar de Filipijnen. 7.1. De rechtbank oordeelt dat deze gronden er niet toe leiden dat de minister gehouden was de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank overweegt dat de informatie die de echtgenoot van eiseres op de zitting heeft verteld niet nader is onderbouwd met stukken. Maar zelfs al zou dit wel zijn onderbouwd met stukken, dan is het onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiseres en haar echtgenoot dat eiseres in Nederland kan blijven, maar deze wens geldt voor velen en is daarom onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken. Verder is het niet onredelijk hard om te verwachten dat eiseres naar de Filipijnen gaat om daar een mvv aan te vragen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit voor haar, eventueel gezamenlijk met haar echtgenoot, niet mogelijk is. Daarbij mocht de minister erop wijzen dat het voor eigen rekening en risico komt dat eiseres met een visum naar Nederland is gekomen en geen mvv heeft aangevraagd in de Filipijnen. Dat eiseres aangeeft dat het onveilig is, is eveneens onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiseres dit niet onderbouwd met stukken en kan zij, als zij dat wenst, een aparte asielaanvraag indienen. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Evenredigheidsbeginsel 8. Eiseres voert daarnaast aan dat het onevenredig is dat zij moet voldoen aan het mvv-vereiste. Op de zitting heeft de echtgenoot van eiseres toegevoegd dat dit ziet op de onveiligheid van eiseres bij terugkeer naar de Filipijnen. 8.1. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de nadelige gevolgen heeft meegenomen en gemotiveerd waarom hij, ondanks die omstandigheden, toch tot het besluit is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de voor eiseres nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De beroepsgrond slaagt niet. Hoorplicht 9. Verder voert eiseres aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. 9.1. De rechtbank stelt voorop dat de minister eiseres in principe moet horen in bezwaar. Maar als duidelijk is dat het bezwaar niets verandert aan de beslissing, dan hoeft de minister eiseres niet te horen. In dit geval heeft eiseres in bezwaar niet verzocht om gehoord te worden. Ook heeft eiseres haar stellingen in bezwaar niet nader onderbouwd met stukken. Het bezwaar was daarmee een herhaling van zetten. Daarom bestond er op voorhand geen redelijke twijfel dat de bezwaren niet tot een ander besluit zouden leiden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. 10.1. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep in de zaak met nummer Awb 25/23906 ongegrond. De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek in de zaak met nummer Awb 25/12804 af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra, griffier, op 19 augustus 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Machtiging tot voorlopig verblijf. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Zie bijvoorbeeld het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527 en 23 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2516. Artikel 8 van het EVRM. Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.