Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:23405
Bewaring – geen gehoor – ongegrond). RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.45655 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E. Schoneveld), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling 1. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is omdat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet gehoord is. 2. De rechtbank stelt vast dat eiser op 10 augustus 2026 om 19:36 uur in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarvoor is om 19:15 uur volgens het proces-verbaal van gehoor M110 (als bedoeld in art. 5.8 Vb 2000) aan eiser gevraagd of hij in gesprek wilde gaan met de verbalisant over het voornemen om hem in bewaring te stellen. Betrokkene heeft geweigerd zijn cel uit te komen, waardoor er geen gehoor heeft plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in het geschil dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling niet is gehoord, maar wel of eiser hiertoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. 3. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat er een poging is gedaan tot het afnemen van een gehoor als bedoeld in artikel 5.8 van het Vb en dat het hem niet duidelijk was waarvoor de verbalisant op dat moment naar zijn cel kwam. Gemachtigde van eiser voert hiertoe aan dat uit het proces-verbaal van gehoor ( M110 ) volgt dat bij deze poging geen tolk aanwezig was. Hierdoor was het voor eiser niet duidelijk dat hij gehoord zou worden en dat hij door te weigeren uit zijn cel te komen hiervan heeft afgezien. Uit het dossier volgt volgens gemachtigde van eiser bovendien dat eiser bij eerdere verhoren op diezelfde dag wel zijn medewerking heeft verleend. 4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden en zijn zienswijze naar voren te brengen. Dat eiser daarvan geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn risico. Hiertoe voert verweerder aan dat eiser tijdens de eerdere verhoren met behulp van een beëdigde de tolk erop is gewezen dat hij later nog gehoord zou worden voorafgaand aan de inbewaringstelling. Uit het proces-verbaal van gehoor ( M110 ) volgt dat eiser zelf geweigerd heeft om mee te gaan op het moment dat de verbalisant dit gehoor wilde afnemen. Dat daar op dat moment geen tolk bij was, doet niet af aan het feit dat eiser in de gelegenheid gesteld is om gehoord te worden. 5. De rechtbank stelt voorop dat artikel 5.8, eerste lid, van het Vb vereist dat de vreemdeling voorafgaand aan inbewaringstelling wordt gehoord. Van deze bepaling kan slechts in uitzonderingsgevallen worden afgeweken. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder daarom in de gelegenheid gesteld om de feitelijke context, zoals beschreven in de M110 , te verifiëren en te voorzien van nadere toelichting. Uit deze gegeven nadere toelichting volgt dat, zoals beschreven in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek ( M105 ), eiser om 18:19 uur op zijn rechten is gewezen en met een beëdigde tolk is medegedeeld dat er later nog een gehoor zou plaatsvinden. Toen de verbalisant eiser vervolgens om 19:15 uur van zijn cel wilde halen om het gehoor te starten heeft eiser zich omgedraaid en aangegeven niet mee te werken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en heeft hij daar zelf geen gebruik van willen maken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring wegens het ontbreken van het gehoor onrechtmatig is. Toetsingskader 6. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel overweegt verweerder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. 8. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. 9. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en dat zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Ambtshalve toets 10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie 11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.