Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:23397
Asiel Somalië, niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Mogadishu onvoldoende gemotiveerd, uit het EUAA-rapport van oktober 2025 volgt dat het aantal veiligheidsincidenten is toegenomen, dat de aanwezigheid en activiteiten van Al-Shabaab zijn geïntensiveerd en dat Al-Shabaab verantwoordelijk was voor het merendeel van de geregistreerde veiligheidsincidenten, minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser, gelet op zijn individuele omstandigheden, bij terugkeer naar Mogadishu geen verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld, beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 25/17407 (beroep) AWB 25/17408 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1998, van Somalische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser (gemachtigde: mr. A.B.J. Reimink), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.S. Hartog). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen het besluit van de minister waarin de herhaalde asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, [de persoon], de broer van eiser, en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026. 4.1. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. Achtergrond 5. Eiser heeft eerder op 5 juli 2021 een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tot de minderheidsstam Shaanshi behoort. Hij woonde illegaal in Saoedi-Arabië, maar werd daar opgepakt en vervolgens eind 2019 uitgezet naar Somalië. Eiser stelt dat hij in de negatieve belangstelling staat van Al-Shabaab. Eiser stelt verder dat hij zich in Somalië niet staande kan houden, omdat hij daar niet heeft gewoond, geen machtige stam heeft die hem kan beschermen en er geen overheid is die hem kan beschermen tegen Al-Shabaab. 5.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 november 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 april 2023 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Daarmee staat dat besluit in rechte vast. Asielrelaas 6. Op 20 september 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser stelt aan onderhavige aanvraag ten grondslag dat Al-Shabaab hem zal vermoorden bij terugkeer naar Somalië. Eiser vreest wegens het behoren tot de Shaanshi stam dat hij problemen zal ervaren met meerderheidsstammen. De Shaanshi stam heeft geen macht en wordt onderdrukt door andere grotere stammen en door Al-Shabaab. Ook vreest eiser voor de persoon [naam], bij wie eiser in Mogadishu woonde na zijn gedwongen uitzetting vanuit Saoedi-Arabië, omdat hij eiser dwong om te werken voor Al-Shabaab. Daarbij is de veiligheidssituatie in Mogadishu verslechterd en de invloed van Al-Shabaab daar toegenomen. Besluitvorming 7. Het relaas bevat volgens de minister het volgende asielmotief: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst. 7.1. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dat eiser uit Somalië komt is volgens de minister niet genoeg voor vluchtelingschap. Eiser heeft niet onderbouwd welke problemen hij zal ervaren wegens het behoren tot een minderheidsstam. Ook is in de vorige procedure niet aannemelijk geacht dat tijdens het verblijf van eiser in Somalië dusdanige discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam heeft plaatsgevonden, dat eiser bij terugkeer ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt. Eiser heeft aangegeven dat daar in de tussentijd niets aan is veranderd. Ook volgt uit openbare bronnen dat minderheidsgroepen en alle clans zich kunnen vestigen in Mogadishu. 7.2. Volgens de minister loopt eiser ook geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Uit beschikbare landeninformatie volgt dat de overheid de macht heeft in Mogadishu. Voor Mogadishu neemt de minister een relatief lage mate van willekeurig geweld aan. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt waarom hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij betrekt de minister dat eisers problemen met Al-Shabaab in de vorige procedure niet geloofwaardig zijn geacht. 7.3. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat het gaat om een opvolgende aanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard. Oordeel van de rechtbank Goede procesorde 8. Eiser heeft op de zitting verwezen naar het recente EUAA -rapport ‘Somalia: Displacement in Mogadishu’ van 29 mei 2026. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit rapport wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens de minister heeft eiser verwijtbaar laat een beroep gedaan op dit rapport, nu de beroepsgronden pas na dit rapport op 31 mei 2026 zijn ingediend en geen melding maken van het rapport. Daarnaast stelt de minister dat eiser niet heeft toegelicht welke onderdelen van het rapport relevant zijn en tot welke conclusies deze zouden moeten leiden. Ook daarom moet het rapport buiten beschouwing blijven. 8.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door eiser op de zitting aangehaalde rapport buiten beschouwing te laten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in zaken in de algemene asielprocedure als vaste werkwijze hanteert om geen verweer uit te brengen maar eerst op de zitting inhoudelijk te reageren op de beroepsgronden. Nu de minister eerder geen standpunt heeft ingenomen over de beroepsgronden, ziet de rechtbank niet in waarom het eiser niet vrij zou staan zijn standpunt op de zitting in reactie op het verweer van de minister nader te onderbouwen met recente landeninformatie. Daarbij doet volgens de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 strijd met de goede procesorde zich pas voor als die nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. De minister heeft op de zitting immers verklaard kennis te hebben genomen van het rapport en heeft zich daarover, subsidiair, inhoudelijk uitgelaten. Bovendien weegt mee dat in asielzaken een ex-nunc toetsing plaatsvindt. Van de minister mag daarom worden verwacht dat hij, mede aan de hand van de meest actuele informatie, motiveert waarom terugkeer van eiser niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade. De minister is dan ook gehouden om dit rapport zelf bij de beoordeling te betrekken. Ook tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om het door eiser overgelegde rapport buiten beschouwing te laten. Niveau van willekeurig geweld in Mogadishu 9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister voor Mogadishu ten onrechte een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn hanteert. Uit het rapport van de EUAA ‘Country Guidance: Somalia’ (mei 2025) volgt dat Mogadishu gekenmerkt blijft door een hoog niveau van willekeurig geweld, waarbij Al-Shabaab regelmatig aanslagen uitvoert op burgers en overheidsdoelen met jaarlijks honderden slachtoffers tot gevolg. De EUAA gaat in haar ‘Country Guidance: Somalia’ (oktober 2025), die van na het ambtsbericht 2025 dateert, voor Mogadishu uitdrukkelijk uit van een hoog niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 maart 2026 . 9.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 maart 2026. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het EUAA-rapport van oktober 2025 geen aanleiding geeft tot een wijziging van de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister geeft namelijk een andere interpretatie aan de cijfers van de EUAA, omdat de EUAA ook slachtoffers van clan-gerelateerd geweld heeft meegenomen. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 10 juni 2026. De rechtbank acht deze motivering ontoereikend. Uit het EUAA-rapport volgt immers dat het aantal veiligheidsincidenten is toegenomen, dat de aanwezigheid en activiteiten van Al-Shabaab zijn geïntensiveerd en dat Al-Shabaab verantwoordelijk was voor het merendeel van de geregistreerde veiligheidsincidenten. De rechtbank verwijst hiervoor naar de volgende passages uit het EUAA-rapport van oktober 2025: “Mogadishu remained under the control of FGS security institutions although Al-Shabaab maintained its capacity to carry out attacks in the region, through the agents of its Amniyat intelligence service (…) In March 2025, reports indicated a significant increase of Al-Shabaab’s activity across several other suburbs. During the reference period, the Aden Adde International Airport areas, along with government and military facilities, were frequently targeted by the group with mortar attacks, coupled with IED targeted explosions and bombings. (…) ACLED recorded 955 security incidents in Benadir region between 1 April 2023 and 31 July 2025 (an average of 7.9 incidents per week), resulting in 962 fatalities (representing approximately 30 fatalities per 100 000 inhabitants). Al-Shabaab was involved in the majority of the recorded incidents, carrying out more than 160 attacks against civilians. (…) Despite the high number of fatalities, which includes also combatants, and looking at all the indicators, it cannot be concluded that mere presence in Benadir/Mogadishu would be sufficient to establish a real risk of serious harm under Article 15(c) QD/QR. Given the number of security incidents and fatalities, the persistent presence of Al-Shabaab in the region and the nature of the attacks (e.g. attacks in public spaces), it can be concluded that indiscriminate violence is taking place in Benadir/Mogadishu at a high level.” 9.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat uit moet worden gegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt. Individuele omstandigheden 10. Eiser meent verder dat hij met zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Eiser heeft zijn gehele leven tot aan zijn gedwongen vertrek in Saoedi-Arabië gewoond en afgezien van zijn broer in Nederland woont zijn hele familie daar nog. Eiser is lid van Shaanshi een kleine en kwetsbare clan, beschikt niet over een sociaal netwerk in Mogadishu en kan dus niet terugvallen op clanbescherming. De onveiligheid in Mogadishu maakt dat hij een zeer verhoogd risico loopt. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 2 april 2026 . 10.1. Uit het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat bij de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn twee fases moeten worden onderscheiden. De minister moet in de eerste fase alle relevante feitelijke omstandigheden van het geval verzamelen en onderzoeken en daarna in de tweede fase vaststellen bij welk soort in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn omschreven ernstige schade deze omstandigheden eventueel passen. Het is in eerste instantie aan eiser om door middel van zijn verklaringen en documentatie en in samenwerking met de minister alle elementen ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming naar voren te brengen. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser, gelet op zijn individuele omstandigheden, bij terugkeer naar Mogadishu geen verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank volgt het standpunt van de minister niet dat de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn geconcretiseerd. Eiser heeft immers concrete risicofactoren benoemd en toegelicht welke risico's daaruit voor hem voortvloeien. Zo is in de door eiser aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Roermond overwogen dat in het algemeen ambtsbericht van juni 2023 op bladzijde 76 is vermeld dat er weinig concrete informatie beschikbaar is over eventuele problemen die terugkeerders in Somalië kunnen ondervinden. In algemene zin komt uit de bronnen het beeld naar voren dat de mate waarin terugkeerders risico lopen in Somalië sterk samenhing met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk, aldus het ambtsbericht. Ook overwoog de rechtbank dat terugkeerders uit westerse landen doorgaans eenvoudig herkenbaar zijn in Somalië. Dit zou met name gelden voor terugkeerders die vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hebben verbleven. Zij hadden vaak moeite om zich de Somalische dagelijkse gewoontes eigen te maken, waardoor zij met discriminatie en uitsluiting te maken konden krijgen. In het ambtsbericht is vermeld dat dit beeld in grote lijnen overeenkomt met het beeld uit eerdere openbare bronnen, namelijk dat terugkeerders uit westerse landen dikwijls gewoontes meenamen die onbekend waren in Somalië, en in de Somalische samenleving als on-islamitisch of on-Somalisch konden worden gezien. Terugkeerders uit het westen zouden verder herkenbaar zijn aan een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen of hun houding. Zij konden daarom moeite hebben met het integreren in de Somalische samenleving, aldus het ambtsbericht. De strekking van het algemeen ambtsbericht van maart 2025 komt overeen met die van het algemeen ambtsbericht van juni 2023. Op bladzijde 117 is in het ambtsbericht van maart 2025 bovendien vermeld dat volgens een vertrouwelijke bron de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid was dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen. 10.3. Eiser heeft altijd in Saoedi-Arabië gewoond en heeft tot zijn uitzetting eind 2019 nooit in Somalië geleefd. Hoewel dit weliswaar niet het ‘westen’ is zoals genoemd in het ambtsbericht, is het wel aannemelijk dat eiser in Somalië opvalt omdat hij minder bekend is met de lokale gebruiken. Ook beschikt eiser niet over een netwerk in Somalië en behoort hij tot een minderheidsclan. Tegen bovengenoemde achtergrond is de stelling van de minister dat eiser bescherming kan krijgen van zijn clan onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande lag het, mede in het licht van het arrest X en Y, op de weg van de minister om nader te onderzoeken en deugdelijk te motiveren waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Bij de nieuwe beoordeling moet de minister ook het door eiser aangehaalde EUAA-rapport ‘Somalia: Displacement in Mogadishu’ van eind mei 2026 betrekken. Daarnaast is de rechtbank ambtshalve bekend met het op 29 mei 2026 verschenen EUAA-rapport ‘Somalia: Security Situation’. Daarin wordt onder meer het volgende vermeld: "All this notwithstanding, the overall security situation in Mogadishu (Benadir) experienced a further decline in the overall number of security events and resulting fatalities – 354 and 225 respectively – in line with later periods. Reportedly, within Mogadishu, Al-Shabaab focused more on military targets than on mass civilian casualties." Ook deze informatie moet de minister betrekken bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in Mogadishu en de vraag van welk niveau van willekeurig sprake is als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank geeft de minister zes weken voor een nieuwe beoordeling. 12. Nu in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. 13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 25/17407, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; en, - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 25/17408, - wijst het verzoek af. De rechtbank en voorzieningenrechter, in alle zaken, - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. griffier rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad. Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347. Zaaknummer: NL22.25978. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000. European Union Agency for Asylum. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:37, r.o. 2.3. en 2.3.1. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:NL:RBDHA:2026:8167. ECLI:NL:RBDHA:2026:16507. Pagina 88. ECLI:NL:RBDHA:2026:7555. ECLI:EU:C:2023:843. Uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927. Algemene wet bestuursrecht. Pagina 18. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.