Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:23231
bewaring, art. 59a eerste lid Vw, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.45285 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, v-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 7 augustus 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026, door middel van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingebewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en een significant onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. De voorbereiding van de maatregel 5. Eiser vindt dat de minister de maatregel onzorgvuldig heeft voorbereid door eiser niet door een arts te laten onderzoeken voordat hij in bewaring werd gesteld. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat het niet goed ging met eiser op de dag van hij in bewaring is gesteld. Zo is er een calamiteitenmelding gedaan. Dat het niet goed ging met eiser, betekent echter nog niet dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel en uit de maatregel zelf blijkt dat er aandacht was voor de psychische gesteldheid van eiser. Niet kan worden vastgesteld dat de situatie zodanig was dat eiser niet in staat was te worden gehoord. Eiser en zijn gemachtigde hebben dat ook niet gesteld. 5.1. De rechtbank stelt daarnaast vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel blijkt dat, gelet op eiser zijn medische situatie, het EBV -team ter plaatse is gekomen. Dit team heeft eiser onder begeleiding overgebracht naar het detentiecentrum in Rotterdam. Daarnaast zijn de medische dienst en de wachtcommandant van het Detentiecentrum in Rotterdam na afloop van het gehoor geïnformeerd. Daarbij is verzocht om maatregelen te treffen om de veiligheid van eiser te waarborgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende aandacht is geweest voor eisers medische situatie. 6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling voor het overige niet heeft bestreden. 7. Van onrechtmatigheden in het voortraject is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank gaat hierna, onder 11.1., in op de vraag of de medische situatie van eiser voor de minister reden had moeten zich een lichter middel op te leggen. Grondslag 8. Eiser stelt dat de bewaring op een onjuiste grondslag is opgelegd, nu de minister in het kader van de AMBV nog geen claim heeft gelegd. Hoewel meerdere landen in de maatregel worden genoemd, is nog geen claimverzoek door een van deze landen geaccepteerd. 8.1. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaan concrete aanwijzingen dat eiser onder de werkingssfeer van de AMBV valt, omdat er uit Eurodac is gebleken dat de vingerafdrukken van eiser in Denemarken (19-11-2023), Finland (04-12-2023), Zweden (07-02-2024), Denemarken (05-04-2024), Zweden (06-05-2024), Duitsland (23-07-2024), Finland (07-10-2024), Zweden (05-12-2024) en in Duitsland (07-07-2026) zijn geregistreerd. Daarvoor is, anders dan eiser stelt, niet vereist dat concreet vaststaat naar welk land de vreemdeling kan worden overgedragen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2022 volgt dat voor het aannemen van een concreet aanknopingspunt voor overdracht van de vreemdeling op grond van de Dublinverordening, niet vereist is dat al een claim, claimakkoord of overdrachtsbesluit voorligt. De rechtbank is van oordeel dat deze rechtspraaklijn, vanwege de overeenkomstige systematiek, ook na de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact blijft gelden en eveneens van toepassing is op de Asiel- en migratiebeheerverordening. Er bestaat volgens de rechtbank dus een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de AMBV. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregel op de juiste grondslag is opgelegd. Gronden 9. De gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Lichter middel 10. Eiser voert aan dat zijn medische situatie voor de minister aanleiding had moeten zijn om van bewaring af te zien en een lichter middel op te leggen. Eiser stelt suïcidaal te zijn en psychische problemen te hebben. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank nader onderzoek te doen naar de wijze waarop vreemdelingen in de isoleercel van het detentiecentrum in Rotterdam worden behandeld. 11. De rechtbank stelt voorop dat de minister er, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht vanuit is gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. 11.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser kenbaar gemaakte medische omstandigheden door de minister voldoende zijn meegewogen in de maatregel. Eiser is erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het Detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. Van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland kan worden gezegd dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om onderzoek te doen naar de behandeling van vreemdelingen in een isoleercel in het Detentiecentrum in Rotterdam. Daarnaast is in de maatregel opgemerkt dat als er gevaar voor suïcide dreigt er in het detentiecentrum Rotterdam extra aandacht aan eiser zal worden gegeven. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser in het detentiecentrum medische zorg ontvangt en gelet op zijn suïcidaliteit in een observatiecel heeft verbleven. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid en zicht op overdracht 12. Eiser stelt dat er geen zicht is op overdracht, omdat er nog geen claim is gelegd. Daarnaast stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, omdat alleen bij Duitsland een claimverzoek is ingediend. Volgens eiser had de minister bij alle landen genoemd onder 8.1., een claimverzoek moeten indienen. 13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat er zicht op overdracht bestaat. Uit de enkele omstandigheid dat er nog geen claim is gelegd, kan op dit moment niet worden afgeleid dat op voorhand vaststaat dat zicht op overdracht niet bestaat. De minister mag immers op het moment van het opleggen van de bewaring aan de hand van aanknopingspunten onderzoeken bij welk land het claimverzoek moet worden neergelegd. De minister heeft van deze mogelijkheid tot onderzoek gebruik gemaakt. De minister heeft namelijk op 12 augustus 2026 een claimverzoek bij Duitsland ingediend. De minister heeft ter zitting toegelicht dat Duitsland dit claimverzoek heeft afgewezen en dat nu onderzocht wordt via een second opinion of Duitsland toch verantwoordelijk is. Als dat niet het geval is, zal er bij een ander land een claimverzoek worden ingediend. Tijdens de zitting is toegelicht dat de minister dit voortvarend zal doen en gebonden is aan de termijnen zoals genoemd in artikel 45 van de AMBV. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Conclusie en gevolgen 14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Asiel- en migratiebeheerverordening. Zie artikel 44 van de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw. Extra Beveiligd Vervoer. Eurodac is een Europees IT-systeem dat een centrale database bevat met vingerafdrukken van asielzoekers, personen die illegaal de buitengrenzen van het Schengengebied hebben overschreden en personen die illegaal in het Schengengebied verblijven. Hiermee kunnen de EU-landen en de Schengenlanden vingerafdrukken vergelijken. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:1040, r.o 1. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 26 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22783) en de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1647). Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).