Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:23217
De rechtbank is van oordeel dat IB 2025/38 in strijd is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025. Er is onvoldoende gewaarborgd dat minderjarigen op de hoogte zijn van hun recht om te worden gehoord als zij hierover niet rechtstreeks worden geïnformeerd. Ook is het volledig uitsluiten van het fysiek horen van minderjarigen in de Dublinprocedure niet in overeenstemming met de voornoemde uitspraak. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23206 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser mede namens zijn minderjarige dochter [naam], V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. L. Sinoo), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft daarnaast de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.23207). 1.2. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de dochter van eiser, de gemachtigde van eiser, J. Singh (40605) als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening . Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). Omdat de asielaanvraag in deze zaak is geregistreerd vóór 12 juni 2026 zijn de regels van de AMBV in deze zaak nog niet van toepassing en gelden nog steeds de regels in de Dublinverordening. 3.1. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan op 9 februari 2026 op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft dit verzoek op 9 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. 3.2. De minister heeft met het besluit van 23 april 2026 de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat Frankrijk hiervoor verantwoordelijk is. Standpunt van eiser 4. Eiser voert aan dat uit het besluit niet blijkt dat de minister enig onderzoek heeft gedaan, dan wel rekening heeft gehouden met de belangen van zijn minderjarige dochter. Het feit dat de minister heeft nagelaten haar op te roepen voor het Dublingehoor benadrukt dit. In de aanvullende zienswijze is expliciet aangegeven dat [naam] (hierna te noemen: dochter) wenst te worden gehoord. In het bestreden besluit wordt verder niet geduid waarom zijn dochter deze mogelijkheid is ontnomen. De enkele opmerking in het voornemen dat eiser wel is gehoord, is daartoe onvoldoende. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3901). Tijdens de zitting heeft eiser gespecificeerd dat volgens hem IB 2025/38 niet in overeenstemming is met de rechtspraak van de Afdeling. De dochter heeft recent haar adoptiemoeder verloren die leed aan een hersentumor en dreigt nu ook het contact met haar broer en zussen te verliezen. Ook wenst zij in het kader van de rouwverwerking het graf van haar moeder in Nederland te bezoeken. Een overdracht aan Frankrijk waarbij zij uit haar vertrouwde omgeving wordt gehaald is niet in haar belang. Eiser verwijst daarbij naar een rapportage van Centrum Verborgen Verlies van 3 juni 2026. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat wordt miskend dat zijn dochter een geslaagd beroep kan doen op artikel 9 en 10 van de Dublinverordening. De gezinsband tussen zijn dochter en haar broer en zussen is afdoende aangetoond. Eiser heeft daarvan een Family Registration Certificate (FRC) overgelegd die online is aangevraagd bij de Pakistaanse Nadra. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud hiervan. Eiser merkt verder op dat in het besluit wordt gesteld dat zijn dochter geen deel uit kan maken van ‘twee gezinnen’, maar dat het onduidelijk is waar de minister dit standpunt op baseert. Dit gaat voorbij aan de bijzondere situatie van de dochter. Zij heeft immers een gezinsband met haar adoptievader, maar ook met haar broer en zussen. Al het voorgaande moet ertoe leiden dat de minister toepassing geeft aan artikel 17 van de Dublinverordening. In dit kader is ook van belang dat de dochter regelmatig het graf van haar moeder in Nederland bezoekt en zij hier naar school gaat en bezig is met het leren van de Nederlandse taal en een overdracht naar Frankrijk een negatieve impact zal hebben op haar. Artikel 9 en 10 van de Dublinverordening 5. Uit artikel 9 van de Dublinverordening blijkt dat wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen. 5.1. Ingevolge artikel 10 van de Dublinverordening is een lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, indien een gezinslid van een verzoeker in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen. 5.2. De rechtbank merkt op dat de broer en zussen van de dochter niet vallen onder een van de categorieën van de definitie van “gezinslid” als beschreven in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling ter zitting dat de broer en zussen van de dochter vallen onder de laatste twee gedachtestreepjes van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. In het dossier bevinden zich namelijk geen aanknopingspunten dat de broer of zussen van de dochter verantwoordelijk voor haar zijn. Alleen al hierom kan eiser geen geslaagd beroep doen op artikel 9 en 10 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet. Horen en de belangen van het minderjarige kind 6. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU-Handvest , gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het IVRK , hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het IVRK met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht. 6.1. De hiervoor genoemde uitgangspunten hebben ook zijn weerslag gekregen in de Dublinverordening. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat het belang van het kind in Dublinprocedures vooropstellen. Uit het derde lid volgt dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten in het bijzonder rekening houden met onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, is de situatie van een minderjarige onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid. Die situatie valt onder verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. 6.2. De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3900) – kort samengevat – is overwogen dat uit het voornoemde juridische kader een verplichting voor de minister volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen. Met de werkwijze dat een ouder of wettelijk vertegenwoordiger de minister kan verzoeken om een begeleide minderjarige vreemdeling rechtstreeks te horen, is onvoldoende gewaarborgd dat begeleide minderjarige vreemdelingen op de hoogte zijn van de mogelijkheid om de minister te verzoeken om al dan niet rechtstreeks te worden gehoord. Om deze minderjarigen een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, is het essentieel dat de minderjarigen zelf op de hoogte raken van die mogelijkheid. Om het belang van het kind concreet en specifiek te kunnen toetsen, moet de minister in ieder geval het kind de gelegenheid hebben geboden om zijn of haar mening vrijelijk te uiten. De minister heeft op grond van artikel 24, tweede lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het IVRK, een verplichting om passende maatregelen te nemen om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Als een begeleide minderjarige vreemdeling na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld de minister niet verzoekt om een rechtstreeks gehoor, kan de minister volstaan met het horen van de ouders of een wettelijke vertegenwoordiger. Omdat de minister in het beleid heeft opgenomen dat een begeleide vreemdeling tussen de twaalf en vijftien jaar de minister kan verzoeken om een rechtstreeks gehoor, moet ook voldoende gewaarborgd zijn dat die vreemdeling daarover is geïnformeerd. 6.3. In het Informatiebericht (IB) 2025/38 staat, voor zover relevant, dat in Dublingehoren de volgende vragen dienen te worden gesteld: “ Uw kind heeft ook de gelegenheid om zelf te verklaren. Wil uw kind ook zelf iets delen? Dat kan bijvoorbeeld zijn of haar mening zijn over een mogelijke terugkeer naar *Dublinland of over iets anders voor hem of haar belangrijk is. Dit kunt u bespreken met uw kind(eren) en ook uw advocaat. Als uw kind dat wil, kan hij dat wat hij of zij belangrijk vindt, alleen schriftelijk aan de IND laten weten. Dit kunt u dan met de correcties en aanvullingen aan de IND toezenden. Vanwege de strikte termijnen die gelden binnen de Dublinprocedure is er geen ruimte voor uitstel of een persoonlijk gesprek met een IND-medewerker. ” 6.4. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven werkwijze in het IB 2025/38 niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Met de mededeling aan de ouder of wettelijk vertegenwoordiger dat zijn of haar minderjarig kind ook de gelegenheid heeft om zelf te verklaren, is onvoldoende gewaarborgd dat de minderjarige voldoende is geïnformeerd over deze gelegenheid. Om dit voldoende te waarborgen moet de minister deze minderjarige rechtstreeks voorzien van alle informatie (in zijn of haar eigen taal) over het recht om te worden gehoord. Door de huidige werkwijze praat de minister vooral over het hoofd van de minderjarige in plaats van met de minderjarige. De rechtbank wijst in dit kader op de vaste praktijk in het civiele jeugdrecht inhoudende dat met minderjarigen wordt gecommuniceerd op een wijze die voor hen begrijpelijk is zonder tussenkomst van hun ouders en wettelijke vertegenwoordigers. Om deze minderjarigen een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, is het essentieel dat de minderjarigen zelf op de hoogte raken van die mogelijkheid en dit is met de werkwijze in IB 2025/38 onvoldoende gewaarborgd. 6.5. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook het uitsluiten van een persoonlijk gesprek met de IND-medewerker niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Weliswaar heeft de Afdeling overwogen dat het in de gelegenheid stellen om te worden gehoord niet noodzakelijkerwijs ziet op fysiek horen, maar het volledig uitsluiten van fysiek horen in alle Dublinzaken is niet in overeenstemming met het kader dat is weergegeven in r.o 6 en 6.1. Het is immers voorstelbaar dat een minderjarige niet voldoende in staat is zijn of haar visie schriftelijk te geven. In dat geval moet er een mogelijkheid zijn voor de minderjarige om fysiek te worden gehoord. Daar komt bij dat de wensen en belangen van de minderjarige uiteen kunnen lopen met die van zijn of haar ouder of wettelijk vertegenwoordiger. Met het louter de mogelijkheid bieden om schriftelijk te worden gehoord, is onvoldoende gewaarborgd dat een minderjarige in vrijheid zijn of haar eigen wensen en belangen naar voren kan brengen. 6.6. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het IB 2025/38 in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat de minister in de situatie van eiser conform het IB 2025/38 heeft gehandeld. In het aanmeldgehoor is aan eiser medegedeeld dat zijn dochter in de gelegenheid wordt gesteld om zelf te verklaren. Hij kan dit bespreken met zijn dochter en zijn advocaat. Zijn dochter kan alleen schriftelijk verklaren over wat zij belangrijk vindt. Dit kan met de correcties en aanvullingen worden verzonden. Aan eiser is verder medegedeeld dat vanwege de strikte termijnen die gelden binnen de Dublinprocedures geen ruimte is voor uitstel of een persoonlijk gesprek met een IND-medewerker. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de (eventuele bijzondere) belangen van de minderjarige dochter. Omdat het niet duidelijk is wat de dochter zou hebben verklaard als zij die mogelijkheid had en of de minister dan wel gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich te trekken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding en het motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 7. Alleen al hierom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Dit betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven. 7.1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. 7.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).