Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:23189
Asiel - Turkije - seksueel misbruik - biseksualiteit - atheïsme - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56818 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], eiser, geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. H. Meijerink), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. C.R. Schoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is opgegroeid in een islamitisch gezin. Eiser is in zijn jeugd misbruikt door twee van zijn neven. Op het moment dat het misbruik naar buiten kwam zijn de bedreigingen vanuit eisers neven richting hem begonnen. Eiser geeft aan mede door het misbruik atheïstisch te zijn geworden. In 1997 is eiser door zijn neven aangereden en in 2010 heeft er een mishandeling plaatsgevonden die door eisers neven in gang is gezet. De bedreigingen zijn hierna doorgegaan. Zo is eisers schoonfamilie lastiggevallen vanwege zijn atheïsme en omdat de neven willen dat eiser gaat scheiden van zijn vrouw. In 2018 is eiser drie keer aangeklaagd voor het toebrengen van schade aan andermans spullen en diefstal, waarbij hij twee keer is vrijgesproken en één keer is veroordeeld. Eiser hangt een gevangenisstraf van acht jaar boven het hoofd. Eiser vreest daarom bij terugkeer de gevangenis in te moeten en vreest voor zijn neven en schoonfamilie. Eiser stelt verder biseksueel te zijn en relaties met mannen te hebben gehad in Turkije. Eisers vrouw is hierachter gekomen omdat de neef van eiser een gerucht heeft verspreid en eisers vrouw de telefoon van eiser controleerde. Eiser kan zijn biseksuele gerichtheid bij terugkeer niet uiten zoals hij wenst omdat de maatschappij en de broers van eisers vrouw dit niet zouden accepteren. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Seksueel misbruik; Problemen met neven; Problemen door atheïsme; Gestelde seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen; Veroordeling vanwege het plegen van commune delicten. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven 1, 2 en 4 geloofwaardig zijn. De minister acht de veroordeling vanwege het plegen van commune delicten deels geloofwaardig. De minister acht de problemen met eisers neven en de gestelde seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten die de asielmotieven volledig onderbouwen. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over deze asielmotieven geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 4.2. Volgens de minister blijkt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. De problemen die voortvloeien uit het atheïsme zijn niet van dusdanige aard dat eiser zijn leven in Turkije niet meer kan leven zoals hij dat wil. De minister vindt tot slot dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is en eiser terug moet keren naar Turkije. Zienswijze 5. Eiser benoemt in de gronden dat de zienswijze als uitdrukkelijk herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank oordeelt dan ook dat de enkele verwijzing naar de zienswijze, zonder concreet te maken waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd. Heeft de minister asielmotief 3 (problemen met neven) ten onrechte niet geloofwaardig geacht? 6. De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 3 niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig verklaart over de mishandeling. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat eisers neef een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou hebben gekregen en anderzijds dat er niks met de aangifte is gedaan omdat er geen bewijs was. Dat eiser stelt dat hij het moeilijk vindt om te verklaren en het niet goed heeft begrepen, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft zijn verklaringen namelijk niet gecorrigeerd of aangevuld in de correcties en aanvullingen. De minister heeft verder niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers verklaringen, dat zijn neef achter de aanrijding zou zitten, niet aannemelijk zijn. Zo heeft eiser zijn neef zelf niet gezien en behoorde de auto waarmee hij is aangereden ook niet toe aan zijn neef. Eisers stelling dat zijn neef heeft toegegeven achter de aanrijding te zitten en dat eiser dit ook ten overstaan van de politie heeft verklaard, maakt het oordeel niet anders. De minister heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser het voorgaande niet met zijn verklaringen, maar ook niet op andere wijze heeft kunnen onderbouwen. De minister heeft eiser verder niet ten onrechte tegengeworpen dat de verklaringen, dat zijn neven achter de veroordelingen zouden zitten, niet aannemelijk zijn. Zo heeft de minister erop kunnen wijzen dat het niet logisch is dat eiser twee keer is vrijgesproken als zijn neven achter de veroordelingen zouden zitten. De minister heeft hierbij ook niet ten onrechte betrokken dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn neven een dergelijke macht hebben en dat eiser geen bewijs heeft aangeleverd dat zij achter de aanklachten zitten. 6.1. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het seksuele misbruik. Hoewel dit asielmotief geloofwaardig is bevonden, heeft de minister de daaruit voortvloeiende problemen van eiser met zijn neven niet geloofwaardig geacht. Dat eiser stelt dat hij het misbruik naar buiten heeft gebracht en het logisch is dat de neven dan wraak wilden nemen, heeft de minister niet hoeven volgen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de minister niet ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser door zijn neven is aangereden en mishandeld noch dat zij achter de veroordeling van eiser zaten. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister asielmotief 5 (biseksualiteit en ondervonden problemen) ten onrechte niet geloofwaardig geacht? 7. De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 5 niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 7.1. In de eerste plaats mocht de minister tegenwerpen dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving. Eiser is meermaals gevraagd naar zijn gevoelens op het moment dat hij erachter kwam dat hij op mannen viel. Eiser antwoord eerst dat hij er ‘gelukkig’ van werd en dat het ‘gewoon prettig’ was. Als vervolgens wordt doorgevraagd verklaart eiser dat hij in een soort waan leefde en dat hij aan het genieten was om de problemen te vergeten. De minister heeft dit als summier en oppervlakkig mogen aanmerken. Daarbij mocht de minister ook betrekken dat eiser pas op latere leeftijd, op zijn twintigste, erachter kwam dat hij biseksueel was. De minister mocht dan ook meer van eiser verwachten, mede gelet op eisers verklaringen dat hij in Turkije een relatie van meerdere jaren heeft gehad met een man. De rechtbank volgt eiser niet dat de minister meer rekening had moeten houden met het seksuele misbruik van eiser of dat de minister daar meer op had moeten doorvragen. Eiser is bevraagd naar hoe oud hij was toen hij verlangens kreeg. Hij heeft verklaard dat hij tot aan zijn dienstplicht daar niet aan heeft gedacht, dat hij voor zijn twintigste koud tegenover seks stond en dat hij, voordat hij naar clubs ging, niet bij zijn seksuele gerichtheid had stilgestaan. Voor zover eiser stelt dat het seksuele misbruik invloed heeft gehad op zijn vermogen om te verklaren over zijn seksuele gerichtheid, heeft de minister dat onvoldoende mogen vinden. Dit is namelijk niet met stukken nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. 7.2. Daarnaast mocht de minister tegenwerpen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer inzicht kon verschaffen in hoe het voor hem voelde dat hij zijn biseksuele gerichtheid geheim moest houden en niet kon uiten. Eiser is hier tijdens het aanvullend gehoor meermaals naar gevraagd. Eiser antwoord eerst dat hij het voor zijn vrouw geheimhield, omdat het anders nieuwsgierigheid zou opwekken. Vervolgens verklaart eiser dat hij alles achter zich wilde laten, dingen wilde vergeten en wilde focussen op zijn gezin. Nadat nogmaals is gevraagd hoe dit voor eiser voelde geeft hij aan dat dit een ‘psychische impact’ had en hij daardoor geen ‘vreugdevol leven’ kon leiden. De minister heeft dit als summier en oppervlakkig mogen aanmerken. Deze verklaringen komen bovendien niet overeen met eisers verklaringen dat hij het niet erg vond dat hij niet eerlijk kon zijn over de afspraken die hij met [naam 3] heeft gemaakt. Dat eiser stelt dat hij altijd heeft moeten zwijgen over het seksuele misbruik en het daardoor lastig vindt om te verklaren over het uiten van zijn biseksuele gerichtheid, heeft de minister niet voldoende hoeven vinden. De minister heeft erop mogen wijzen dat eisers familie wist van het seksuele misbruik en eiser in Turkije hierover met een psychiater heeft gepraat . De beroepsgrond slaagt niet. 7.3. Verder mocht de minister tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het voor hem voelde dat de familie van [naam 2] zijn biseksuele gerichtheid accepteerde, terwijl zijn familie dit niet deed. De minister heeft eiser - in tegenstelling tot wat hij betoogt - meermaals gevraagd hoe het voor hem voelde dat zijn familie zijn seksualiteit niet accepteerde, maar de familie van [naam 2] of andere gezinnen wel. Eiser verklaart dat zijn familie afstand van hem heeft genomen en dat hij in angst heeft geleefd , als de hoormedewerker nogmaals vraagt naar zijn gevoelens, verklaart eiser dat hij met de dood werd bedreigd en dat steun vanuit elk gezin anders is. Eisers stelling dat uit zijn verklaringen pijnlijk duidelijk wordt hoe het bij andere families eraan toe ging en hoe het er bij zijn familie aan toe ging, maakt het voorgaande niet anders. Hieruit volgt namelijk niet dat de minister de verklaringen over eisers gevoelens niet oppervlakkig heeft kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet. 7.4. Ook mocht de minister tegenwerpen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer inzicht kon verschaffen in zijn relatie met [naam 3]. Eiser heeft ongeveer vijf of zes jaar een liefdesrelatie met [naam 3] gehad , maar verklaart oppervlakkig en summier over [naam 3]. Zo verklaart eiser dat [naam 3] een open en eerlijk persoon is. Als eiser vervolgens wordt gevraagd om specifieke dingen van zijn persoonlijkheid te beschrijven verklaart eiser dat hij de waarheid sprak, van zichzelf hield en hygiënisch was. Daarna wordt gevraagd hoe de relatie eruitzag en eiser verklaart dat ze gelukkig waren. Ook verklaart eiser dat hij helemaal verliefd was op [naam 3], maar ook liefde had. Nadat om een toelichting is gevraagd verklaart eiser dat hij zich ook liefdevol bij [naam 3] voelde en het altijd leuke momenten waren. De minister heeft dit niet ten onrechte als summiere en oppervlakkige verklaringen aangemerkt. Dat eiser ook heeft verklaard dat [naam 3] geen problemen met de buitenwereld had, hield van zwemmen en bepaalde dingen in zijn jeugd had meegemaakt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Ook deze verklaringen blijven aan de oppervlakte. De beroepsgrond slaagt niet. 7.5. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet voor de hand liggend verklaart over hoe zijn familie en schoonfamilie achter zijn biseksualiteit kwamen. Eiser verklaart dat zijn familie en schoonfamilie achter zijn biseksualiteit kwamen doordat [naam 4] (eisers neef) dit aan hen heeft verteld. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet voor de hand ligt dat de familie en schoonfamilie zijn neef geloofden. Te meer omdat eiser ook heeft verklaard dat zijn vader de beschuldigingen van zijn neven nooit geloofde en eiser tot zijn dood heeft beschermd. Eiser heeft daarnaast enerzijds verklaard dat hij met zijn vader het gesprek is aangegaan over zijn biseksualiteit en dat zijn vader dacht dat het beter was geworden nadat eiser was getrouwd. Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij hierover niet heeft gesproken met zijn ouders. Dat eiser bij de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij niet met zijn vader heeft gesproken over zijn biseksualiteit, maakt dit niet anders. Eiser heeft namelijk geen reden gegeven voor de correctie op het aanvullend gehoor. De minister heeft daarom ook mogen concluderen dat eiser hierover wisselend heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet. 7.6. De minister werpt verder niet ten onrechte aan eiser tegen dat hij wisselend verklaart over hoe zijn echtgenote zijn telefoonberichten heeft kunnen lezen. Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij erg voorzichtig was en de berichten in zijn telefoon verwijderde. Eiser was zo voorzichtig omdat hij wist dat het risico bestond dat er ernstige dingen konden gebeuren als zijn gezin erachter zou komen. Later verklaart eiser juist dat hij het wel vertrouwde en zijn vrouw niet achterdochtig was en dat hij de berichten daarom niet had verwijderd. Dat eiser in beroep stelt dat zijn vrouw pas achterdochtig werd nadat [naam 4] het had verteld en hij simpelweg vergeten was het bericht te wissen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Dit maakt namelijk nog niet dat het aannemelijk is dat eiser eerst heel voorzichtig was en daarna het allemaal wel vertrouwde. De beroepsgrond slaagt niet. 7.7. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij geen inzicht geeft in hoe hij zich bij terugkeer naar Turkije zou willen uiten en hoe hij zich bij die uiting zal voelen. Eiser verklaart dat als het in Turkije toegestaan zou zijn, hij zou leven zoals hij wil en mensen of de natuur niets aandoet. De minister heeft dit summier en algemeen mogen vinden. Ook is eiser meermaals gevraagd hoe hij zich zou voelen als hij zich bij terugkeer naar Turkije zou kunnen uiten. Eiser verklaart vervolgens dat hij niet denkt dat dit bij terugkeer kan, dat er een onderhuidse islamofobie is. Als de hoormedewerker nogmaals vraagt hoe het zou voelen als hij zich bij terugkeer wel zou kunnen uiten antwoord eiser dat het niet gaat, dat er geen vrijheid is. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser hiermee geen inzicht in zijn gevoelens geeft. Ook hetgeen eiser aanvoert over de brief van zijn vrouw maakt het voorgaande niet anders. De minister heeft erop mogen wijzen dat de brief geen objectieve verifieerbare bron vormt en dat er daarom niet de waarde aan kan worden gehecht die eiser daar graag aan gehecht wil zien. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister asielmotief 6 (plegen van een commuun delict) ten onrechte deels geloofwaardig geacht? 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 6 niet ten onrechte deels geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser is veroordeeld, maar niet dat het strafrechtelijk proces oneerlijk is verlopen. De rechtbank stelt voorop dat de minister de door eiser overgelegde (kopieën van) documenten heeft betrokken in de besluitvorming. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat uit de twee vrijspraken blijkt dat hij vals is beschuldigd. Daarvoor wordt allereerst verwezen naar dat wat onder 6. al is overwogen. De stelling van eiser dat zijn neven geen macht nodig hebben om een valse aangifte te doen en te beschuldigen van diefstal maakt het oordeel niet anders. Hieruit volgt namelijk niet dat sprake is geweest van een oneerlijk strafrechtelijk proces. Daar komt bij dat de minister het ongerijmd mocht vinden dat eiser zijn documenten van zijn afgewezen hoger beroep niet kan overleggen. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft? 9. In het bestreden besluit is door de minister geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden in Turkije omdat hij atheïst is. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat dit niet betekent dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de problemen sprake is van een zodanige ernstige beperking in de bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk zou zijn om op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat uit landeninformatie volgt dat atheïsten niet in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten en dat de Turkse grondwet voorziet in vrijheid van religieuze overtuiging en discriminatie verbiedt op basis van religieuze gronden. Eiser heeft zijn stelling dat zijn atheïsme wel problemen kan opleveren in Turkije niet onderbouwd. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat de vrees voor de schoonfamilie niet wordt gevolgd, omdat eiser heeft verklaard dat zijn schoonfamilie nog steeds bij hem op bezoek kwam. De minister mocht daarbij betrekken dat hij warrig en wisselend verklaart over hoe dat is gegaan. Eiser heeft in het schriftelijke gehoor namelijk verklaard dat hij tot zijn vertrek bij zijn vrouw en zoon heeft gewoond , maar in het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij tussen 2015 en zijn vertrek eind 2019 bij zijn broer woonde. Vervolgens heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij soms tijdelijk kortere periodes bij zijn jongere broer verbleef. Maar ook dat hij tussen 2015 en 2019 afwisselend bij zijn vrouw en in het dorp waar zijn vader verbleef woonde. Tussen eind 2019 en september 2020 zou hij dan weer bij een vriend verblijven, maar stiekem zijn familie bezoeken. Tot slot heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij wel bij zijn gezin woonde, maar ergens anders sliep. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat de minister hier meer op door had moeten vragen. De minister heeft eiser in het nader gehoor uitgebreid de gelegenheid gegeven om hierover duidelijkheid te verschaffen. De minister heeft deze verklaringen dan ook niet ten onrechte als wisselend en warrig aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt? 10. Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een persoonlijk reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Turkije wel te vrezen heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verwijzingen in deze uitspraak naar regelgeving betreffen steeds de tekst van vóór 12 juni 2026. Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvullend gehoor van 11 juli 2024, p. 23. Nader gehoor, p. 18. Nader gehoor, p. 7. Aanvullend gehoor van 11 juli 2024, p. 22. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 8. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 8-9. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 18 Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 19. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 22. Nader gehoor, p. 17 en aanvullend gehoor van 11 juli 2024, p. 10-11. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 7 en 17. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 11. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 11 en 12. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 20. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 23. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 16. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, alinea 5, p. 16. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 16. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 10. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 22. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, derde alinea, p. 22. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 27. Aanvullend gehoor van 22 april 2025, p. 28. Zie paragraaf C2/3.2 van de Vc. Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025, p. 67. Schriftelijk gehoor, p. 38. Aanmeldgehoor, p. 6. Nader gehoor, p. 13. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.