Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:23186
Marokko. Terugkeerbesluit derdelander Oekraïne. Partner en dochter met Spaans verblijfsrecht/nationaliteit. Met een aanvullende motivering is voldoende rekening gehouden met familieleven en belang van het kind, als bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Het beroep is gegrond, maar rechtsgevolgen blijven in stand. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41252 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [datum], van Marokkaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. C.R. Stouten). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne, die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn). Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit. Hij vindt het besluit in strijd met het belang van het kind en het recht op familie- en gezinsleven, omdat hij een partner heeft met een Spaans verblijfsrecht en omdat zijn dochter nadien de Spaanse nationaliteit heeft verkregen. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser mede aan de hand van zijn beroepsgronden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit mocht opleggen. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat rekening is gehouden met het familieleven van eiser. Het beroep is daarom ten aanzien van dat punt gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat de minister het motiveringsgebrek later heeft hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Bij het bestreden besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft eiser opgedragen om Nederland te verlaten en terug te keren naar Marokko. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 2.1. Op 2 februari 2026 heeft de minister de motivering van het besluit aangevuld. Eiser heeft tweemaal aanvullende gronden ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de partijen deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank stelt vast dat eiser is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht. Waar gaat deze zaak over? 4. Eiser en zijn partner hadden een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne toen de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is met zijn partner naar Nederland gekomen en zij hebben facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. In dit verband heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Eiser en zijn partner hebben een dochter gekregen op 17 januari 2024. 4.1. Bij besluit van 31 mei 2023 is de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hier geen beroep tegen ingesteld. Bij besluit van 28 augustus 2023 heeft de minister eiser bericht dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming eindigt en is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister dit besluit ingetrokken en bericht dat eiser facultatieve tijdelijke bescherming krijgt tot 4 maart 2024. Op 21 februari 2024 is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft eiser bij brief van 30 mei 2024 bericht over de bevriezingsmaatregel, waarbij is aangegeven dat eiser tijdelijk langer gebruik mag blijven maken van de rechten die hij onder de Richtlijn had. Bij uitspraak van 21 mei 2025 is het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 vernietigd door deze rechtbank en zittingsplaats. 4.2. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft herhaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en heeft aangegeven dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt op 4 september 2025. Eiser is aangezegd dat hij mag blijven werken totdat uitspraak is gedaan op zijn beroep en dat hij na deze uitspraak vier weken heeft om te vertrekken uit Nederland. 4.3. Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit. Hierna gaat de rechtbank in op wat namens hem is aangevoerd in dit verband. Wat is het oordeel van de rechtbank? Reikwijdte van toetsing 5. De rechtbank overweegt dat zij het bestreden besluit ex tunc moet toetsen, omdat het een reguliere procedure betreft. Dat wil zeggen dat de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 25 augustus 2025 moet toetsen aan de hand van de feiten en (aangevoerde) omstandigheden van dat moment. Voordat het bestreden besluit werd genomen heeft eiser onderbouwd dat zijn partner en dochter in Spanje een verblijfsrecht hebben. Ook is toen gesteld dat de dochter recht heeft op de Spaanse nationaliteit, omdat zij daar is geboren. Ter onderbouwing is voor het besluit een naturalisatieaanvraag overgelegd. In beroep is onderbouwd dat aan haar de Spaanse nationaliteit is verleend. De rechtbank betrekt dit in haar beoordeling, omdat het een onderbouwing vormt van een eerder ingenomen standpunt. Nadere motivering 6. De rechtbank overweegt verder dat de minister de motivering van het bestreden besluit van 25 augustus 2025 heeft aangevuld met de brief van 2 februari 2026. De rechtbank is van oordeel dat deze brief niet is aan te merken als een besluit. De rechtsgevolgen van het besluit van 25 augustus 2025 zijn met de nadere motivering niet gewijzigd en ook is geen sprake van een intrekking, vervanging of wijziging van dat besluit. De rechtbank verwijst naar uitspraken van de Afdeling. Dit laat onverlet dat de rechtbank de nadere motivering zal betrekken bij de beoordeling van het beroep. Rechtmatigheid van het terugkeerbesluit 7. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- en gezinsleven en het belang van het kind. De minister moet hiermee rekening houden, op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Dit artikel mag niet restrictief worden uitgelegd volgens het arrest Ararat. De minister heeft een onderzoeksplicht. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Deze onderzoeksplicht ziet volgens eiser ook op familie- en gezinsleven. Ter onderbouwing daarvan wijst eiser op een uitspraak van zittingsplaats Roermond van 10 september 2025. Volgens eiser was de minister daarom verplicht tot toetsing aan artikel 8 van het EVRM, artikel 7 en 24 van het Handvest en artikel 20 van de VWEU. Eisers partner en dochter hebben een Spaans verblijfsrecht. Volgens eiser staat gezinsleven met hen in de weg aan een terugkeerbesluit, op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister kon niet volstaan met de tegenwerping dat eiser een verblijfsaanvraag moet indienen. Het terugkeerbesluit scheidt eiser van zijn partner en dochter en breekt de omgang met en zorg voor zijn dochter. Het is daarom in strijd met het recht op gezinsleven en maakt inbreuk op een mogelijke verblijfsaanspraak. Op zitting heeft eiser in dit verband gesteld dat mogelijk sprake is van legaal verblijf, omdat hij een declaratoir verblijfsrecht heeft als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Daartoe heeft eiser verder gesteld dat hij de kostwinnaar is, dan wel een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt, en dat zijn dochter genoodzaakt is om de Unie te verlaten als eiser terug moet naar Marokko. Volgens eiser is het terugkeerbesluit daarom ook in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Illegaal verblijf in Nederland 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser illegaal in Nederland verblijft. De eerder aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming is beëindigd. Eiser heeft dit niet betwist. Zijn asielaanvraag is buiten behandeling gesteld en er is niet gebleken van een andere verblijfsaanvraag. Evenmin is in geschil dat eiser niet beschikt over een verblijfsvergunning in een andere lidstaat of dat hij elders een verblijfsprocedure aanhangig heeft. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat hij mogelijk een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht heeft. Uit dit arrest volgt een verplichting voor eiser als derdelander, om aan te tonen dat de aan het Unieburgerschap ontleende rechten van zijn dochter haar zouden worden ontzegd door het terugkeerbesluit. De enkele stelling van eiser dat zijn dochter genoodzaakt is om de Unie te verlaten als hij terugkeert naar Marokko, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat zijn partner niet voor hun dochter kan zorgen. Daartoe is de enkele stelling dat eiser de kostwinnaar is, dan wel in Nederland een uitkering ontvangt, onvoldoende. Uit de door eiser verschafte gegevens blijkt dat zijn partner verblijfsrecht heeft in Spanje en dat zijn dochter inmiddels de Spaanse nationaliteit heeft. Daarom staat niet vast dat de dochter van eiser genoodzaakt is om de Unie in zijn geheel te verlaten, omdat zij ook met haar moeder, de partner van eiser, naar Spanje kan. Ook de enkele verwijzing naar artikel 20 van het VWEU slaagt daarom niet. Non-refoulement 7.2. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft dit niet betwist en het is de rechtbank evenmin gebleken in het dossier van eiser. Daarom is vertrek of uitzetting naar Marokko niet in strijd met non-refoulement. Familie- en gezinsleven en belang van het kind 7.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister echter in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met het gestelde familie- en gezinsleven van eiser. De minister heeft in het licht van de, voor het bestreden besluit aangevoerde omstandigheden, niet kunnen volstaan met de motivering dat eiser een verblijfsaanvraag kan indienen, als hij meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM. 7.4. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De reden daarvoor is dat de minister in de brief van 2 februari 2026 het motiveringsgebrek heeft hersteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de brief van 2 februari 2026 deugdelijk gemotiveerd dat het familie- en gezinsleven van eiser en het belang van het kind, niet in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eiser, in het licht van het verblijfsrecht van zijn partner en dochter in Spanje, zijn verblijf in Spanje kan regulariseren. De minister heeft mogen stellen dat eiser, zijn partner en dochter, buiten Nederland invulling kunnen geven aan het gestelde gezinsleven. Zij kunnen elkaar namelijk bezoeken in Spanje, of in Marokko. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat aan eiser geen inreisverbod is opgelegd. Het terugkeerbesluit belet eiser in beginsel niet om zijn verblijf in Spanje te regulariseren of om zijn partner en dochter daar te bezoeken vanuit Marokko. De rechtbank volgt eiser om deze reden niet in de verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond. In die zaak was namelijk een inreisverbod opgelegd aan de vreemdeling, zodat dit in de weg stond aan bezoek aan of verblijf bij familie in Frankrijk. Daarnaast heeft de minister in de aanvullende motivering mogen stellen dat eiser het belang van het kind niet nader heeft toegelicht. Ook in beroep heeft eiser niet concreet gemaakt waarom het belang van het kind zich verzet tegen de oplegging van het terugkeerbesluit, dan wel tegen (het regulariseren van) verblijf in Spanje. Daarmee is voldaan aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, doordat de minister rekening heeft gehouden met het belang van het kind en het gestelde familie- en gezinsleven. 8.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de overige beroepsgronden niet kunnen slagen. In het arrest Ararat is geoordeeld dat in het kader van uitzetting in elke fase een actuele refoulementbeoordeling moet worden gemaakt en dat in die context een onderzoeksplicht geldt. In die zin mag artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet restrictief worden uitgelegd. Dit volgt ook uit de Afdelingsuitspraak waarnaar eiser heeft verwezen. Refoulement geldt namelijk als absoluut verbod, terwijl het belang van het kind en het familie- en gezinsleven als gewaarborgde rechten gelden in de zin van artikel 7 en 24 van het Handvest. Dat betekent dat een refoulementrisico zich altijd verzet tegen uitzetting. Het belang van het kind en familie- en gezinsleven verzetten zich echter niet in absolute zin tegen uitzetting. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom deze gewaarborgde rechten zich niet verzetten tegen oplegging van het terugkeerbesluit aan eiser. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in de enkele stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat hij dit niet nader heeft onderbouwd. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt in zijn argument dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd. De minister heeft dit echter hersteld met zijn aanvullende motivering. Daarom heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Eiser moet daarom terugkeren naar Marokko. 10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet de vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Als bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. ECLI:NL:RBDHA:2025:8944. Vgl. de Afdelingsuitspraak van 5 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:440.