Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:23170
Land van doorreis als veilig derde land. Removal order. Eiseres is uit Iran via Brazilië naar Nederland gereisd en heeft asiel aangevraagd. De aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 30a, eerste lid, van de Vw en 38, eerste lid, onder b, en 59 van de Procedureverordening. Eiseres kan volgens de minister terugkeren naar Brazilië, omdat zij door dat land is gereisd en het voor eiseres een veilig derde land is. De rechtbank oordeelt dat ze het algemene uitgangspunt van de minister dat hij niet aannemelijk hoeft te maken dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het grondgebied van het derde land niet kan volgen. De minister kan zich niet beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024. Het is aan de minister om aannemelijk te maken, of tot op zekere hoogte aannemelijk te maken, dat toelating reëel is. Dat er een removal order is, betekent nog niet dat eiseres weer wordt toegelaten tot het veilige derde land. De niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is dus niet juist. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.39663 (beroep) en NL26.39664 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Samenvatting 1. [eiseres] , eiseres, komt uit Iran en is via Brazilië naar Nederland gekomen. Hier heeft zij asiel aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie, verweerder, heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat hij de aanvraag niet in behandeling heeft genomen. De reden daarvoor is dat eiseres volgens hem kan terugkeren naar Brazilië, omdat zij door dat land is gereisd op weg naar Nederland en omdat Brazilië voor eiseres een ‘veilig derde land’ is. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing van verweerder. De rechtbank beoordeelt nu het beroep van eiseres en doet daarover uitspraak. 1.1. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond, geeft eiseres dus gelijk, en geeft verweerder opdracht om een nieuwe beslissing te nemen over de asielaanvraag van eiseres. Verweerder kon doorreisland Brazilië volgens de rechtbank niet aanwijzen als veilig derde land. De reden daarvoor is dat verweerder niet kon aannemen dat eiseres nog een paspoort en visum voor Brazilië heeft. Verweerder moet aannemelijk maken dat eiseres weer wordt toegelaten tot Brazilië maar heeft dat niet gedaan. Er is wel een ‘removal order’, wat betekent dat de luchtvaartmaatschappij die eiseres naar Nederland heeft gebracht, verplicht is haar weer terug te brengen naar Brazilië, maar dat betekent nog niet dat eiseres daar weer wordt toegelaten. De niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres is dus niet juist. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 24 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat zij niet kan worden uitgezet naar Brazilië totdat er is beslist op het beroep. 2.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Alizadeh-Afshar als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank De achtergrond van de zaak en het asielrelaas van eiseres 3. Eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1961. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat ze is gevlucht uit Iran vanwege haar religie. Ze heeft zich tot het christendom bekeerd en hierdoor problemen gekregen. Ze is vanuit Teheran naar Noord-Iran gevlucht waar ze ongeveer vier maanden heeft verbleven. Hierna is ze met de hulp van een smokkelaar via Oman, Qatar en Brazilië naar Nederland gereisd. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 38, eerste lid, onder b, van de Procedureverordening. Brazilië is volgens verweerder een veilig derde land voor haar. Brazilië voldoet aan de vereisten die gelden voor een veilig derde land. Uit recente landeninformatie blijkt namelijk dat Brazilië vreemdelingen behandelt volgens de regels van internationale mensenrechtenverdragen. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat dat dit in haar geval niet zo is. 4.1. Verweerder verwijst hierbij naar artikel 59, vijfde lid, onder b, van de Procedureverordening. Daaruit volgt dat het tegenwerpen van een veilig derde land een mogelijkheid is als de verzoeker om internationale bescherming op weg naar de Europese Unie door het veilig derde land is gereisd. Dit kan in het geval van eiseres worden aangenomen, nu uit haar verklaringen volgt dat ze voorafgaand aan haar asielaanvraag in de Europese Unie door Brazilië heen is gereisd. Redelijkerwijs kan worden verondersteld dat eiseres hierbij de mogelijkheid heeft gehad om bescherming te vragen aan de Braziliaanse autoriteiten. Verder is niet gebleken dat op voorhand vaststaat dat eiseres niet opnieuw wordt toegelaten tot Brazilië. Verweerder gelooft niet dat eiseres haar Iraans paspoort met Braziliaans visum heeft verscheurd. Er wordt daarom uitgegaan van een geldig paspoort. Tot slot loopt eiseres volgens verweerder bij terugkeer naar Brazilië geen reëel risico op ernstige schade. Het standpunt van eiseres 5. Eiseres voert het volgende aan. Volgens haar is het dossier incompleet. De geluidsopnames van de gehoren zitten niet in het dossier. En het document waarin de autoriteiten van het betrokken derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld als gevolg van de toepassing van het begrip “veilig derde land”, bevindt zich ook niet in het dossier. Verder voert eiseres aan dat verweerder op onjuiste en onvolledige wijze heeft getoetst of sprake is van een veilig derde land. De link in de voetnoot in het bestreden besluit, naar de bron waaruit blijkt dat Brazilië een veilig derde land is, werkt niet en de tekst die tevoorschijn komt is Portugees. Daarom kan deze verwijzing niet bij de besluitvorming worden betrokken. Verder maakt eiseres uit de toelichting van verweerder bij de voetnoot op dat Iraanse asielzoekers niet worden genoemd als categorie in de genoemde bron. Dat ondersteunt de stelling van eiseres dat Brazilië niet veilig zou zijn voor Iraanse asielzoekers. Uit het feit dat Iraanse asielzoekers kennelijk niet worden genoemd, dient te worden geconcludeerd dat zij kennelijk geen asiel kunnen aanvragen, wat aansluit bij hetgeen eiseres heeft verklaard. Eiseres voert verder aan dat verweerder op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Procedureverordening moet motiveren dat er een band is tussen haar en Brazilië. Daarbij is van belang dat artikel 59, vijfde lid, van de Procedureverordening een cumulatieve bepaling is. Nu niet aan het bandencriterium is voldaan, kan al hierom Brazilië niet als veilig derde land worden tegengeworpen. Dit maakt dat verweerder de aanvraag onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wat is in geschil? 6. In de gronden heeft eiseres ook het standpunt ingenomen dat de rechtbank – ondanks de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag – op grond van het arrest Ebilum een zelfstandige beoordeling dient te maken van de asielmotieven van eiseres. Ter zitting heeft eiseres dit standpunt laten vallen. Het geschil beperkt zich daarom tot de vragen of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en of de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat Brazilië een veilig derde land is voor eiseres. Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen? De geluidsopnames van de gehoren 7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd toegelicht dat hij eiseres in de voorprocedure niet bijstond als gemachtigde en daardoor geen toegang had tot de geluidsopnames van de gehoren. Hij heeft ook geen toegang tot de geluidsopnames in het procesdossier, zoals de rechtbank dat wel heeft. Nu hij niet in bezit is gesteld van de geluidsopnames, heeft hij ten onrechte geen toegang tot het volledige dossier. 7.1. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de gemachtigde van eiseres eerder contact had kunnen opnemen hierover. Daarnaast heeft eiseres niet toegelicht waarom ze de geluidsopnames nog zou willen beluisteren. Verweerder ziet hierin dus geen onzorgvuldigheid. 7.2. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Procedureverordening wordt van het persoonlijke onderhoud een geluidsopname gemaakt. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat in het kader van de beroepsprocedure ook toegang tot de opname wordt verleend. De rechtbank kan de motivering van verweerder, dat de gemachtigde van eiseres eerder contact had moeten opnemen hierover, dan ook niet volgen. Zij betrekt daarbij dat de gemachtigde van eiseres al eerder berichten in het zaaksdossier heeft geplaatst dat hij niet in het bezit is gesteld van de opnames van de gehoren. Verweerder heeft hem toen ten onrechte geen toegang tot die opnames gegeven. Dit is een zorgvuldigheidsgebrek. 7.3. De rechtbank ziet echter geen reden om te oordelen dat het beroep hierom gegrond is. Eiseres heeft namelijk niet aangevoerd dat het bestreden besluit onjuist is vanwege een onjuiste lezing van haar verklaringen tijdens de gehoren. Anders gezegd: zij heeft geen inhoudelijke argumenten gekoppeld aan het niet beschikken over de geluidsopnames. Eiseres en haar gemachtigde beschikten daarbij wel over de schriftelijke verslagen van de gehoren. Het is dan ook aannemelijk dat eiseres niet is benadeeld door het niet beschikken over de opnames. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vereisten van artikel 59, achtste lid, van de Procedureverordening 7.4. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat volgens haar op grond van artikel 59, achtste lid, onder b, van de Procedureverordening aan haar een document verschaft had moeten worden waarin de autoriteiten van Brazilië in het Portugees ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld als gevolg van de toepassing van het begrip “veilig derde land”. Verder heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat zij een korte periode geen gemachtigde heeft gehad. Het bestreden besluit is niet aan haar uitgereikt op de manier zoals dat had gemoeten in de situatie waarin iemand niet wordt bijgestaan door een gemachtigde. Eiseres wijst ter onderbouwing naar artikel 59, achtste lid, onder a, van de Procedureverordening en artikel 36, derde lid, van de Procedureverordening. Gelet hierop is het bestreden besluit volgens eiseres onzorgvuldig. 7.5. In artikel 59, achtste lid, van de Procedureverordening staat: “Wanneer het verzoek ingevolge de toepassing van het begrip “veilig derde land” niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt door de beslissingsautoriteit: a. a) de verzoeker hiervan op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 36, en b) de verzoeker een document verschaft waarin de autoriteiten van het betrokken derde land, in de taal van dat land, ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek in de Unie niet inhoudelijk is behandeld als gevolg van de toepassing van het begrip “veilig derde land” (…)” In artikel 36, derde lid, van de Procedureverordening staat: “De verzoeker wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van de beslissing en van de wijze waarop een beslissing tot afwijzing van een verzoek als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk ongegrond ten aanzien van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus, dan wel als impliciet ingetrokken, kan worden aangevochten. Die informatie kan worden verstrekt in het kader van de beslissing over een verzoek om internationale bescherming. Indien de verzoeker niet wordt bijgestaan door een juridisch adviseur, wordt die informatie verstrekt in een taal die de verzoeker begrijpt of redelijkerwijs kan worden geacht begrijpen.” 7.6. De rechtbank overweegt dat uit het zaaksdossier blijkt dat eiseres een korte periode - de rechtbank maakt uit het dossier op dat dit van 9 juli 2026 tot uiterlijk 16 juli 2026 was - geen vaste gemachtigde heeft gehad. Er staat in het bestreden besluit van 11 juli 2026 dan ook niet dat dit is verzonden via het Portaal van Advocaten, zoals gebruikelijk is als een vreemdeling een vaste gemachtigde heeft, maar dat dit is uitgereikt in persoon. In het dossier bevindt zich echter e-mailcorrespondentie tussen medewerkers van verweerder waaruit blijkt dat is geregeld dat het bestreden besluit op 14 juli 2026 door een advocaat met eiseres wordt besproken. De rechtbank neemt daarom aan dat daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 59, achtste lid, onder a, samen met artikel 36, derde lid, van de Procedureverordening. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 59, achtste lid, onder b, van de Procedureverordening heeft verweerder ter zitting het standpunt ingenomen dat het bedoelde document pas relevant is als de overdracht (aan Brazilië) doorgaat, dat dan ook zo’n document zal worden verstrekt en dat uit dit artikel niet blijkt dat dit document al verstrekt moet worden bij de uitreiking van het bestreden besluit. De rechtbank volgt dit standpunt. 7.7. De conclusie is dat er geen reden is om het beroep gegrond te verklaren omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Heeft verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat Brazilië een veilig derde land is voor eiseres? Het juridisch kader en het bandencriterium 8. Op grond van artikel 38, eerste lid, onder b, van de Procedureverordening kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een land kan worden beschouwd als een veilig derde land voor de verzoeker, tenzij het duidelijk is dat de verzoeker niet tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten. 8.1. De voorwaarden voor het beschouwen van een land als veilig derde land staan in artikel 59 van de Procedureverordening. Op grond van artikel 59, vierde lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening mag het begrip “veilig derde land” worden toegepast indien, met betrekking tot een specifieke verzoeker, het land niet op het niveau van de Unie of nationaal niveau als veilig derde land is aangewezen, mits met betrekking tot die verzoeker aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan. Op grond van artikel 59, eerste lid, van de Procedureverordening mag een derde land slechts worden aangewezen als een veilig derde land, wanneer in dat land: a. a) het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; b) onderdanen van derde landen geen reëel risico lopen op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347; c) onderdanen van derde landen worden beschermd tegen refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève en tegen verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen, zoals neergelegd in het internationaal recht; d) de mogelijkheid bestaat om doeltreffende bescherming in de zin van artikel 57 aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen. 8.2. Het zogenoemde ‘bandencriterium’ hield in dat een land alleen kan worden beschouwd als “veilig derde land” als de asielaanvrager een band heeft met dat derde land, op grond waarvan het redelijk is dat die asielaanvrager naar dat land gaat. Dit bandencriterium staat echter niet in de Procedureverordening zoals die vanaf 12 juni 2026 geldt. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Procedureverordening mag het begrip “veilig derde land” slechts worden toegepast indien: a. a) de verzoeker in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip “veilig derde land” niet op hem of haar van toepassing is; b) aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: i. i) er bestaat een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat hij of zij naar dat land gaat; ii) de verzoeker is op weg naar de Unie door het betrokken derde land gereisd, of iii) er is een overeenkomst of een regeling gesloten tussen de Unie, een of meer lidstaten, of een of meer lidstaten en derde landen enerzijds en het betrokken derde land anderzijds, op grond waarvan de gegrondheid van verzoeken om doeltreffende bescherming die in het betrokken derde land worden ingediend door verzoekers die onder die overeenkomst of regeling vallen, moet worden onderzocht. In deze zaak heeft verweerder het begrip “veilig derde land” toegepast op grond van artikel 59, vierde lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening, heeft hij onderzocht of aan de voorwaarden van het eerste lid van dit artikel is voldaan en heeft hij vervolgens op grond van het vijfde lid, aanhef en onder b, ten tweede, van dit artikel, doorreisland Brazilië voor eiseres aangewezen als “veilig derde land”. 8.3. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten of zij deze aanwijzing kan volgen. Voldoet Brazilië aan de voorwaarden van artikel 59, eerste lid van de Procedureverordening? 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat Brazilië kan gelden als veilig derde land. Verweerder heeft daarbij terecht benoemd dat vreemdelingen in Brazilië worden behandeld volgens de regels van internationale mensenrechtenverdragen en dat vreemdelingen in Brazilië asiel kunnen aanvragen. Dit leest de rechtbank ook in algemene landeninformatie en in de door verweerder genoemde bron in het bestreden besluit, een pagina van een Braziliaanse overheidssite. Hoewel eiseres terecht aanvoert dat de link in de voetnoot niet werkt, is deze informatiebron gemakkelijk vindbaar op het internet en kan die ook direct vertaald worden in het Nederlands. De gemachtigde van eiseres kon dus op eenvoudige wijze over deze informatie beschikken. Voor zover eiseres aanvoert dat er een beëdigde vertaling moet zijn van deze informatie, overweegt de rechtbank dat er geen regel bestaat waaruit dat volgt. Tot slot onderbouwt verweerder zijn standpunt ook met het Informatiebericht SUA “IB 2024/33 Beoordeling veilig derde land – Brazilië”, waarin ook een nadere motivering is opgenomen. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder niet onderbouwd betwist. De enkele stelling dat Iraniërs vanuit Brazilië worden teruggestuurd, is onvoldoende, nu zij geen concrete landeninformatie heeft genoemd waaruit dat volgt. Land van doorreis 9.1. Zoals in 8.2 al is overwogen staat het bandencriterium niet in de geldende Procedureverordening. De argumenten waarin eiseres zich beroept op dat criterium kunnen dus niet slagen. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op weg naar de Europese Unie door Brazilië is gereisd. Zij heeft immers zelf verklaard dat ze 4 à 5 dagen in Brazilië heeft verbleven voor ze naar Nederland doorreisde. (Weder)toelating tot Brazilië 9.2. Eiseres heeft in het gehoor verklaard dat zij haar paspoort heeft verscheurd in Brazilië. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat hij dat niet volgt en daarom uitgaat van een geldig paspoort. Er staat dan volgens verweerder ook niet vast dat eiseres niet opnieuw zal worden toegelaten tot Brazilië. Ter zitting heeft verweerder zich verder desgevraagd op het standpunt gesteld dat het aan eiseres is om aan te tonen dat ze niet opnieuw toegelaten zal worden tot Brazilië. Hij heeft hierbij verwezen naar het Informatiebercht SBJZ “IB 2026/21 Beoordeling veilige derde landen in de asielprocedure -bewijslast en landeninformatie.” 9.3. De rechtbank kan het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, dat hij niet volgt dat eiseres haar paspoort heeft verscheurd, niet volgen. Verweerder heeft als argumenten bij dit standpunt bijvoorbeeld genoemd dat niet in te zien valt waarom eiseres haar paspoort heeft verscheurd, dat ze vaag en summier verklaart over het visum dat in het paspoort zou staan en dat ze te weinig gedetailleerd verklaart over de smokkelaar. De rechtbank is van oordeel dat deze argumenten niet maken dat het ongeloofwaardig is dat zij haar paspoort heeft verscheurd. De laatste twee argumenten staan daar volgens de rechtbank los van. Waar het met name om gaat is dat eiseres stelt dat ze haar geldende Iraanse paspoort met het visum daarin niet meer heeft en dat verweerder niet uitlegt waarom dat niet zo zou zijn. De rechtbank betrekt hierbij dat het gangbaar is onder vluchtelingen om zich al dan niet onder dwang te ontdoen van hun identiteitsdocumenten en dat eiseres met een vals paspoort naar Nederland is gereisd. Dit betekent dat de rechtbank niet kan aannemen dat het zonder meer duidelijk is dat eiseres weer wordt toegelaten met de documenten waarmee ze eerder is toegelaten tot Brazilië. 9.4. In het IB 2026/21 heeft verweerder het volgende algemene uitgangspunt over “(Opnieuw) toelaten tot grondgebied” opgenomen: “Artikel 59, eerste, vierde en vijfde lid van de Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als veilig derde land kan worden beschouwd. Bewijs van toelating of wedertoelating van een vreemdeling tot een derde land behoort niet tot de voorwaarden voor de toepassing van het concept veilig derde land. Dat betekent dat de IND niet aannemelijk hoeft te maken dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het grondgebied van het derde land, maar wel afziet van het tegenwerpen van veilig derde land als de vreemdeling heeft aangetoond dat hij niet (opnieuw) zal worden toegelaten. (…) Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij (in weerwil van door hem verrichte inspanningen om toelating te verkrijgen) niet (opnieuw) zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen. (…)” 9.5. De rechtbank kan dit algemene uitgangspunt niet volgen. Verweerder onderbouwt het uitgangspunt dat hij niet aannemelijk hoeft te maken dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het grondgebied van het derde land met een verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). De rechtbank leest in dat arrest geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verweerder niet aannemelijk hoeft te maken dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het grondgebied van het derde land. In het arrest wordt de vraag beantwoordt of artikel 38 van de Procedurerichtlijn - op dit punt geheel vergelijkbaar met artikel 59 van de Procedureverordening - zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij een derde land als over het algemeen veilig wordt aangemerkt voor bepaalde categorieën personen die om internationale bescherming verzoeken, hoewel dat derde land, in weerwil van de juridische verplichting waaraan het gebonden is, de toelating of de wedertoelating van die personen op zijn grondgebied algeheel heeft opgeschort zonder dat er een tegengestelde ontwikkeling te verwachten is. Het Hof oordeelt dat dit niet zo is. 9.6. Uit het arrest volgt dus, simpel gezegd, dat gegarandeerde toelating niet nodig is voordat een meer algemeen geldende regeling wordt vastgesteld waarin een land als veilig land wordt aangewezen voor bepaalde categorieën van personen. Maar in deze zaak gaat het niet om zo’n meer algemeen geldende regeling, maar om een specifiek op eiseres toegespitste beschikking. De vraag of “de wedertoelating tot het derde land een cumulatieve voorwaarde is voor de vaststelling van een individuele handeling waarbij een concreet verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard bij toepassing van het begrip ‘veilig derde land’,” zoals letterlijk in de tweede vraag aan het Hof staat, beantwoordt het Hof niet. Dat is na de beantwoording van de eerste vraag - over de meer algemeen geldende regeling - niet meer nodig. De niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres is zo’n ‘individuele handeling waarbij een concreet verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard bij toepassing van het begrip ‘veilig derde land’.’ En het Hof zegt dus niets over de toepassing van de voorwaarde van (weder)toelating in dit geval. De rechtbank concludeert dat verweerder zich ten onrechte beroept op dit arrest van het Hof als onderbouwing voor het standpunt dat het niet aan hem is om aannemelijk te maken dat de vreemdeling (weer) wordt toegelaten tot het tegengeworpen veilig derde land. 9.7. Als het negende lid van artikel 59 van de Procedureverordening zo wordt uitgelegd dat toelating tot het veilige derde land een voorwaarde is voor de niet-ontvankelijkverklaring van een asielaanvraag, dan is het aan verweerder om aannemelijk te maken, of tot op zekere hoogte aannemelijk te maken, dat toelating reëel is. Het is immers in zijn algemeenheid zo, dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een omstandigheid die reden geeft of kan geven voor niet-ontvankelijkverklaring van een aanvraag, zich daadwerkelijk voordoet. De rechtbank legt vooralsnog artikel 59, negende lid, van de Procedureverordening uit zoals in de eerste zin is aangegeven. En de rechtbank constateert dat verweerder in deze zaak niet zelf op enige wijze heeft onderbouwd dat eiseres opnieuw zal worden toegelaten tot het grondgebied van Brazilië. De removal order 9.8. Tussen partijen is niet in geschil dat er een zogeheten ‘removal order’ ligt, op grond waarvan de luchtvaartmaatschappij waarmee eiseres naar Nederland is gevlogen haar ook dient terug te brengen naar Brazilië. De vraag is of die removal order meebrengt dat eiseres wordt toegelaten tot het grondgebied van Brazilië. 9.9. Op 10 juli 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zich in een uitspraak uitgelaten over terugkeer naar een “land van doorreis” als bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling heeft geoordeeld dat voor het aanmerken van een land als land van doorreis op basis van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn niet is vereist dat vaststaat dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van dat land. De Afdeling heeft verder ook overwogen dat een removal order op grond van het Verdrag van Chicago niet vrijblijvend is, en dat als betrokkene met een removal order naar een doorreisland dient terug te keren, de autoriteiten van dat land moeten onderzoeken of aan hem toegang moet worden verleend, gelet op zijn eerdere doorreis via dat land. 9.10. Gezien deze uitspraak, is de rechtbank van oordeel dat uit de removal order die er is, niet volgt dat eiseres toegang krijgt tot het grondgebied van Brazilië. De uitspraak van de Afdeling gaat over het aanmerken van een land als land van doorreis zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. Daarvoor is niet vereist dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van dat land, staat letterlijk in de uitspraak. Het vereiste van ‘toegang tot het grondgebied’, zoals dat in artikel 59, negende lid, van de Procedureverordening staat, staat ook niet in de Terugkeerrichtlijn. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt wel dat als eiseres is terugvervoerd naar Brazilië, de Braziliaanse autoriteiten moeten onderzoeken of aan haar toegang wordt verleend. Maar een onderzoek naar toelating is iets anders dan toelating tot het grondgebied. De rechtbank concludeert dan ook dat de removal order geen garantie is voor toelating tot het grondgebied van Brazilië. 9.11. De rechtbank concludeert al met al dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat eiseres nog in het bezit is van het paspoort en het visum waarmee ze eerder toelating tot het grondgebied van Brazilië verkreeg, dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij niet zal worden toegelaten tot het grondgebied van Brazilië, dat de removal order geen garantie is voor toelating tot het grondgebied van Brazilië en dat verweerder dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat alle voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres zijn vervuld. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening en artikel 30a, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en verweerder een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. 10.2. Met deze beslissing op het beroep is er geen reden meer om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Dat verzoek wijst de voorzieningenrechter daarom af. 10.3. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroep- en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2026; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. - veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u, voor zover dat ziet op het beroep, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Verordening (EU) 2024/1348. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. In de Procedureverordening wordt onder “verzoeker” verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen. Zie bijvoorbeeld deze bron van de UNHCR: https://help.unhcr.org/brazil/en/solicitacao-da-condicao-de-refudiago/ . Zie pagina’s 3 en 4 van het Rapport Aanvullend gehoor. Zie pagina’s 4 en 5 van het Rapport Aanvullend gehoor. Zie het Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:838. Richtlijn 2013/32/EU. Uitspraak van 10 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4028. Richtlijn 2008/115/EG. Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.