Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:23141
Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL26.44275 (eiser) NL26.44278 en NL26.44639 (eiseres) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], V-nummer: [v-nummer:], [naam], V-nummer: [v-nummer:] samen: eisers (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregelen en de vraag of aan eisers een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eisers ongegrond zijn. De maatregelen zijn op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eisers op 4 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser zijn via een beeldverbinding vanuit het Justitieel Complex in Zeist verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat aan de bewaringsmaatregelen vooraf ging 3. Eisers zijn eind december 2009 met hun zoon, dochter en (schoon)moeder naar Nederland zijn gekomen. Zij hebben verschillende aanvragen gedaan om een verblijfsrecht in Nederland te krijgen en hebben daarover gerechtelijke procedures gevoerd. Eisers hebben nooit een verblijfsvergunning gehad. Zij zijn meerdere keren gewezen op hun plicht uit Nederland te vertrekken en terug te gaan naar Armenië. Eisers hebben wel verschillende periodes procedureel rechtmatig verblijf gehad, zij mochten dan de uitkomst van een procedure afwachten. Ook heeft eiser een aantal malen uitstel van vertrek gehad om medische redenen. Voor een overzicht wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. Twee beroepen van eiseres 4. Uit het dossier van eiseres zijn twee bewaringsmaatregelen opgenomen. Uit het dossier blijkt dat de bewaringsmaatregel van 4 augustus 2026 elektronisch is ondertekend, maar dat dit door een fout in het systeem digitaal niet op de juiste wijze is afgehandeld. Daarom is de maatregel van bewaring op 5 augustus 2026 opnieuw elektronisch ondertekend. Tijdens de zitting is toegelicht dat beide beschikkingen aan eiseres zijn uitgereikt en dat ook van beide beschikkingen de wettelijk verplichte kennisgeving is gedaan. Omdat de kennisgeving als beroep wordt aangemerkt, zijn er vervolgens twee beroepen geregistreerd. De rechtbank stelt vast dat beide maatregelen inhoudelijk identiek zijn. De rechtbank ziet de maatregel van 5 augustus 2026 als een (niet-inhoudelijke) aanvulling op die van 4 augustus 2026, waarop de eerste kennisgeving al betrekking had. De rechtbank zal het tweede beroep niet-ontvankelijk verklaren, omdat al op het eerste beroep wordt beslist. Getuigen 5. Eisers hebben tijdens de zitting gevraagd om hun dochter en een medewerker van INLIA als getuige te horen. Na een toelichting van het verzoek, heeft de rechtbank besloten eerst de beroepen op de zitting te behandelen. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank toegelicht geen vragen te hebben voor de getuigen. Eisers hebben daarop aangegeven hun verzoek niet langer te handhaven. De aan eisers opgelegde maatregelen 6. De minister heeft de maatregelen van bewaring opgelegd omdat volgens hem een onderduikrisico bestaat en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijken of belemmeren. De minister overweegt dat eisers: a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij zij zich gedurende enige tijd aan het toezicht hebben onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie bewegen; b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven; c) niet of niet voldoende meewerken aan het vaststellen van hun identiteit en nationaliteit; h) te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer; q) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r) geen vaste woon- of verblijfplaats hebben; s) niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Aan eiser werpt de minister ook tegen dat hij: n) zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van de vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw. p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vw heeft gehouden. 3.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Volgens de minister kan een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend worden toegepast. Consulaire bijstand 7. Volgens eisers hebben zij verzocht om contact met de consulaire vertegenwoordiging van Armenië en heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting. De rechtbank stelt vast dat eiseres tijdens de ophouding heeft aangegeven geen contact te willen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van Armenië. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring heeft eiseres vervolgens aangegeven niet te weten of ze contact wil. Aan het eind van dat gehoor is nogmaals gewezen op haar recht op consulaire bijstand, maar niet blijkt dat zij daarom heeft gevraagd. Ook uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 augustus 2026 blijkt niet dat zij om consulaire bijstand heeft gevraagd. Voor wat betreft eiseres is er daarom geen schending van het recht op consulaire bijstand. 7.1. Voor wat betreft eiser geldt het volgende. In het proces-verbaal van ophouding is opgenomen dat eiser gebruik wil maken van zijn recht op consulaire bijstand. Dit staat ook in het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel. Dit lijkt echter in tegenspraak met wat eiser heeft geantwoord tijdens het gehoor. Eiser is gevraagd of hij contact wil met de ambassade of consulaat van Armenië en daarop heeft hij geantwoord dat nog niet te willen. Gevraagd is waarom hij dat niet wil en daarop heeft eiser aangegeven dat hij vroeger veel problemen heeft gehad met ambtenaren en daarom geen contact wil met hen. Tijdens de zitting is aan eiser gevraagd of hij heeft verzocht om consulaire bijstand. Hij kon op die vraag geen eenduidig antwoord geven. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat eiser later, na het opleggen van de maatregel, om consulaire bijstand heeft gevraagd. Dit blijkt niet uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 augustus 2026. Voor de rechtbank staat gelet op het voorgaande daarom niet vast dat eiser om consulaire bijstand heeft gevraagd. Ook als er vanuit moet worden gegaan dat eiser wél consulaire bijstand wenste en daardoor op de minister de plicht rustte om contact op te nemen met de consulaire of diplomatieke vertegenwoordiging van Armenië, betekent dit nog niet dat de bewaring onrechtmatig is. Van onrechtmatigheid is pas sprake als na een belangenafweging blijkt dat de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Daarvan is in dit geval geen sprake, gelet op het oordeel van de rechtbank zoals dat hierna wordt gegeven. Grondslag 8. De rechtbank stelt vast dat eisers geen rechtmatig verblijf hebben. Hun aanvragen om een verblijfsvergunning zijn afgewezen en er geldt geen uitstel van vertrek op medische gronden meer. Eisers is in 2010 al een vertrekplicht opgelegd en later zijn terugkeerbesluiten opgelegd, waarin is aangegeven dat eisers Nederland moeten verlaten en moeten terugkeren naar Armenië. De terugkeerbesluiten staan in rechte vast. 8.1. In het laatste besluit over een verblijfsvergunning is aangegeven dat eisers meteen terug moeten naar Armenië. Er is schorsende werking onthouden aan een verzoek om een voorlopige voorziening, waardoor eisers de uitspraak op het door hen ingestelde beroep en de ingediende voorlopige voorziening niet in Nederland mogen afwachten. Volgens eisers had deze schorsende werking niet onthouden kunnen worden. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve moet toetsen of aan de vereisten voor bewaring is voldaan, maar wel binnen de grenzen van het geding moet blijven. Eisers vragen de rechtbank om ook (een deel van) de besluiten van 3 augustus 2026 te toetsen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat de bewaringsrechter niet de rechtmatigheid van een ander besluit mag toetsen. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure uitgaat van de juistheid van de besluiten van 3 augustus 2026. 8.2. Het voorgaande betekent dat eisers vallen onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregelen zijn op de juiste grondslag opgelegd. Rechtsbijstand 9. De rechtbank oordeelt dat eisers goed zijn geïnformeerd over hun recht op gratis rechtsbijstand. Zij hebben meteen een kopie van de maatregel gekregen met de informatiebrief ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ in de Armeense taal. In deze informatiefolder is opgenomen dat recht bestaat op gratis rechtsbijstand. Eisers hebben de Armeense informatiefolder met ChatGPT laten vertalen en stellen dat uit de folder niet blijkt dat recht bestaat op gratis rechtsbijstand omdat dat onderdeel niet was aangevinkt. De rechtbank volgt dit niet. In het informatieblad is alleen sprake van aankruisvakjes bij de gronden, de redenen waarom de maatregel is opgelegd, en niet bij de passage over rechtsbijstand. Tijdens de zitting heeft de beëdigde tolk de betreffende passage vertaald, waaruit blijkt dat is opgenomen dat recht bestaat op gratis rechtsbijstand. Gronden 9.1. Volgens eisers stelt de minister ten onrechte dat sprake is van een onderduikrisico. Eiser vindt verder dat hij niet goed geïnformeerd is over de maatregel, omdat in de aan hen verstrekte Armeense informatiefolder geen goed overzicht is gegeven van de van toepassing zijnde gronden. De rechtbank oordeelt dat de gronden die aan eiser kunnen worden tegengeworpen (zie ook hierna), ook uit de Armeense informatiefolder blijken. Van een informatie gebrek is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. 9.2. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister grond p laten vervallen. De rechtbank overweegt dat voor de gronden a, b, c en h kan worden volstaan met een motivering waaruit de feitelijke juistheid blijkt. Eisers hebben deze gronden inhoudelijk niet betwist. De verklaring van eisers dat zij als asielzoekers naar Nederland zijn gekomen en dat zij de uitkomst van de procedures tegen de laatste afwijzende beslissing in Nederland willen afwachten, is vanuit het perspectief van betrokkenen begrijpelijk, maar maakt deze gronden niet feitelijk onjuist. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de niet betwiste gronden a, b, c en h ten onrechte aan eisers zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. 9.3. Eisers betwisten de gronden n, q, r en s. Voor wat betreft grond n geldt dat deze alleen aan eiser is tegengeworpen. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft eiser verklaard dat hij zich niet aan de artikel 56-maatregel heeft gehouden, omdat eisers eerder, in 2012, vreselijke ervaringen in Ter Apel hebben gehad. Daarom zijn ze in 2016 naar INLIA gegaan. De rechtbank gaat er gelet op dit antwoord vanuit dat eiser destijds de artikel 56-maatregel heeft ontvangen en zich daar niet aan heeft gehouden, hetgeen betekent dat de minister deze grond aan hem mocht tegenwerpen. Voor de gronden q, r en s geldt dat een nadere motivering vereist is. De minister heeft deze gronden naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en nader toegelicht. Zoals uit de bijlage blijkt hebben eisers meerdere aanvragen ingediend, die niet hebben geleid tot een verblijfsvergunning (grond q). Eisers hebben verklaard ongeveer € 20,- op zak en € 100 tot € 150,- op hun kamer te hebben, waarmee sprake is van onvoldoende middelen van bestaan (grond s). Eisers staan niet ingeschreven in de basisregistratie personen en een verblijf bij INLIA wordt in beginsel niet aangemerkt als een vaste woon- of verblijfplaats. Dat eisers al tien jaar bij INLIA verblijven, betekent niet per definitie dat zij zich ook daadwerkelijk beschikbaar zullen houden voor vertrek (grond r). 9.4. De rechtbank stelt ten slotte vast dat grond j in de maatregel van eiser niet is aangekruist, maar wel is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grond niet aan eiser worden tegengeworpen, omdat de beschikking van 3 augustus 2026 geen kennelijke ongegrondverklaring of niet-ontvankelijkverklaring van een asielaanvraag betreft. 9.5. De rechtbank stelt vast dat er voldoende gronden zijn die de maatregel kunnen dragen en dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat een risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. Lichter middel 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen lichter middel had hoeven toepassen. Dat in 2022 is geoordeeld dat had moeten worden volstaan met een lichter middel in plaats van het in bewaring stellen van eiser, betekent niet dat dit ook nu het geval is. Ook de verwijzing naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 24 juli 2026 leidt niet tot het oordeel dat in het geval van eisers van bewaring had moeten worden afgezien. De feiten en omstandigheden in die zaak zijn anders dan in het geval van eisers. 10.1. De rechtbank oordeelt dat de minister in de maatregelen goed heeft gemotiveerd dat het eerder toepassen van een lichter middel niet heeft geleid tot het vertrek van eisers. Aan eisers is tweemaal een artikel 56-maatregel opgelegd en er gold een jarenlange meldplicht. De rechtbank stelt verder vast dat er talloze vertrekgesprekken zijn gevoerd. Alleen al in het dossier van eiseres telt de rechtbank zo’n veertig vertrekgesprekken. Eisers hebben nooit een verblijfsvergunning gehad en zij zijn sinds 2010 telkens gewezen op hun vertrekplicht. In verschillende gesprekken hebben eisers aangegeven niet terug te willen keren naar Armenië. Eisers hebben telkens weer nieuwe aanvragen ingediend. In het vertrekgesprek van 3 maart 2026 heeft de regievoerder met eisers besproken dat zij bij een ongegrondverklaring van hun bezwaren tegen de afwijzende beslissing voor een reguliere verblijfsvergunning concrete acties moeten ondernemen in het kader van de vrijwillige terugkeer. In het verslag van het gesprek staat onder andere: “Het start met een inschrijving bij een NGO binnen een week na het volgende gesprek. Indien betrokkenen dit niet doen, uiteindelijk toch onvoldoende meewerken of weer een nieuwe procedure gaan starten, dan kan de DTenV het gedwongen traject onderzoeken en eventueel starten.” In het volgende vertrekgesprek, dat van 4 augustus 2026, wordt gerefereerd aan het gesprek van 3 maart 2026. Uit het verslag blijkt dat eisers het liefst in Nederland blijven en dat het nadenken over hun toekomst en een plan erg lastig is en dat ze al lang in Nederland zijn. Eisers geven aan dat ze met hun dochter met het IOM willen afspreken. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel geeft eiseres aan dat ze graag de mogelijkheid wil om vrijwillig terug te keren naar Armenië met het IOM en dat ze daar een week later een afspraak hebben. De rechtbank overweegt dat een geplande afspraak met het IOM nog niet betekent dat eisers daadwerkelijk vrijwillig uit Nederland willen en zullen vertrekken. Zij zijn eerder, toen ook een vertrekplicht gold, immers niet zelfstandig vertrokken. Zij verklaren nu het liefst in Nederland te willen blijven, zoals zij dat eerder ook hebben gedaan, en hebben beroep ingesteld tegen de laatste afwijzing van hun verblijfsvergunning. Vanuit het perspectief van eisers is dit te begrijpen, maar de rechtbank volgt de minister in diens standpunt dat daarmee onvoldoende vast staat dat eisers zelfstandig hun vertrek uit Nederland zullen regelen. De minister heeft deze omstandigheden zwaarder mogen laten wegen dan het feit dat eisers zich aan hun meldplicht hebben gehouden en dat hun verblijfplaats bij INLIA bekend was. 10.2. De minister heeft verder in de medische omstandigheden van eiser geen reden hoeven zien om van de maatregel af te zien. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de minister de medische situatie van eisers kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft daarbij verwezen naar eerdere advisering door BMA. De minister heeft eerder, in 2018 tot en met 2020, adviezen van Bureau Medische Advisering (BMA) ontvangen. In 2026 heeft BMA aangegeven geen actueel medisch oordeel te kunnen geven, omdat eisers en diens behandelaren niet de relevante informatie hebben verstrekt. Het standpunt van eisers dat de verzoeken om nadere informatie hen niet hebben bereikt, is niet nader onderbouwd en hier zijn verder ook geen aanknopingspunten voor. De rechtbank overweegt dat de medische zorgverlening die aan eiser en eiseres kan worden geboden in het detentiecentrum in Zeist gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eisers hebben geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de in detentie beschikbare medische zorg in hun geval – en met name in het geval van eiser - niet toereikend is, dat zij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat de psychische omstandigheden van eiser in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van de minister toegelicht dat eiser met medische begeleiding naar het detentiecentrum in Zeist is vervoerd. De dochter van eiser heeft verklaard dat eiser daar vier dagen geen medicijnen heeft ontvangen en dat er een wisseling in de medicatie heeft plaatsgevonden. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 augustus 2026 blijkt dat eiser heeft gezegd nog geen medicatie te hebben ontvangen, waarop de regievoerder hem heeft verwezen naar de medische dienst. Uit de verklaring van de dochter blijkt dat eiser inmiddels toegang heeft gehad tot medische zorg. Eiser heeft tijdens de zitting ook verklaard gesproken te hebben met iemand van de medische dienst. De gemachtigde van de minister heeft er verder op gewezen dat uit het door eisers overgelegde krantenartikel ook blijkt dat hij medicatie krijgt. Als eiser het niet eens is met de medische zorg die hij ontvangt, kan hij daarover klagen, zo heeft de gemachtigde van de minister aangegeven. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank niet voort dat eiser detentieongeschikt is of dat hij niet de noodzakelijke medische zorg ontvangt. Dit geldt ook voor eiseres. 10.3. De rechtbank oordeelt dat er ook verder niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eisers een lichter middel dan bewaring op te leggen. Van strijd met de Terugkeerrichtlijn is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voortvarendheid 11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 6 augustus 2026 is een vertrekgesprek met eisers gevoerd. Tijdens de zitting is toegelicht dat op 4 augustus 2026 een vlucht met medische begeleiding is aangevraagd en dat inmiddels een vluchtdatum bekend is, die door de regievoerder met eisers zal worden besproken. Zicht op uitzetting 12. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het algemeen of in het geval van eisers te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Armenië ontbreekt. Tijdens de zitting is toegelicht dat het niet hebben van een paspoort door eisers geen belemmering is. Er is een akkoord ontvangen van Armenië en eisers kunnen een vervangend reisdocument ontvangen. 12.1. In het arrest Adrar heeft het Hof van de Europese Unie (Hof) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het familie- en gezinsleven zich verzet tegen de uitzetting. Als dat het geval is, ontbreekt het zicht op uitzetting en is de maatregel van bewaring onrechtmatig opgelegd. Het Hof heeft aangegeven dat het recht op familie- en gezinsleven niet absoluut is. De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van eisers geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het recht op eerbiediging van eisers familie- en gezinsleven zich verzet tegen hun verwijdering. De kinderen van eisers zijn meerderjarig en niet meer van hen afhankelijk. Dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met de zoon, die mantelzorger van eiser zou zijn, is niet nader onderbouwd. Tijdens de zitting is bovendien toegelicht dat ook de zoon geen reguliere verblijfsvergunning heeft gekregen. De minister heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat zijn familie- en/of gezinsleven zich verzet tegen uitzetting. 12.2. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met het non-refoulementbeginsel. Eiser heeft zijn vrees eerder toegelicht in de asielprocedure en dat heeft toen niet geleid tot een asielvergunning. Eisers zijn hierover bevraagd tijdens de gehoren voorafgaand aan het opleggen van de maatregel. In hetgeen zij hebben aangegeven - de politieke situatie en de eerdere problemen met de autoriteiten, de medische situatie van eiser - worden geen aanknopingspunten gezien om een refoulementrisico aanwezig te achten. Conclusie 13. De rechtbank acht de maatregel rechtmatig. De maatregelen zijn op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. 13.1. De beroepen met zaaknummers NL26.44275 en NL26.44278 zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Het tweede beroep van eiseres met zaaknummer NL26.44639 wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat al op haar eerste beroep is beslist. 13.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen met zaaknummers NL26.44275 en NL26.44278 ongegrond; verklaart het beroep met zaaknummer NL26.44639 niet-ontvankelijk; wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Bijlage: overzicht procedures Eisers hebben op 19 februari 2010 asiel aangevraagd. Deze aanvragen zijn op 23 september 2010 afgewezen en bepaald is dat eisers Nederland moesten verlaten. Eisers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tijdens die procedure werd de vertrekplicht opgeschort. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard (16 juni 2011). Het hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak ook ongegrond verklaard (25 januari 2012). Op 16 december 2011 is aan eisers een artikel 56-maatregel opgelegd (plaatsing gezinslocatie). Deze maatregel is op 27 december 2012 beëindigd. Op 18 juli 2012 is aan eiser tot uiterlijk 18 januari 2013 uitstel van vertrek verleend, omdat hij werd opgenomen in een kliniek. Aan hem is vervolgens – in meerdere beslissingen – uitstel van vertrek verleend van 6 mei 2013 tot en met 22 februari 2014. Eiseres heeft op 23 januari 2013 gevraagd om toepassing van artikel 64 van de Vw. Op grond van dit artikel blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Deze aanvraag is 22 augustus 2013 afgewezen. Zowel het tegen deze beslissing ingediende bezwaar als het later ingediende beroep zijn ongegrond verklaard (10 december 2014 en 10 maart 2015). Eiser heeft op 24 september 2013 gevraagd om een verblijfsvergunning voor medische behandeling. Deze aanvraag is 14 augustus 2014 afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is op 5 maart 2015 ongegrond verklaard en het beroep is ook ongegrond verklaard (16 januari 2016). Omdat eiser in een kliniek werd opgenomen is aan hem uitstel van vertrek verleend voor de periode van 19 mei 2015 tot 19 november 2015. Van 16 februari 2016 tot 16 augustus 2016 is aan eiser nogmaals uitstel van vertrek verleend. Op 8 maart 2016 is aan eisers een artikel 56-maatregel opgelegd (plaatsing in de verscherpt toezichtslocatie). Deze maatregel is op 14 maart 2016 opgeheven, omdat eisers hier niet naartoe zijn gegaan. Op 6 juni 2017 heeft eiseres nogmaals gevraagd om toepassing van artikel 64 van de Vw. Ook deze aanvraag is afgewezen (23 juni 2017). Het hiertegen ingediende bezwaar en beroep zijn ook ongegrond verklaard (8 augustus 2017 en 2 februari 2018). Op 22 maart 2018 heeft eiser gevraagd om toepassing van artikel 64 van de Vw. In afwachting van die beslissing is aan hem uitstel van vertrek verleend vanaf 21 mei 2018. De aanvraag is 16 augustus 2018 afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is ongegrond verklaard (26 februari 2019). Het vervolgens ingestelde beroep is gegrond verklaard (22 augustus 2019), waarna opnieuw op het bezwaar moest worden beslist. Dat is op 4 februari 2020 gebeurd en het bezwaar is weer ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep is ongegrond verklaard (2 februari 2021) net als het hoger beroep (25 maart 2021). Op 18 augustus 2022 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en ook is eiser op die datum in bewaring gesteld. Het tegen het terugkeerbesluit ingediende beroep is op 31 augustus 2022 ongegrond verklaard, maar het beroep tegen de bewaringsmaatregel is gegrond verklaard. Eisers hebben op 18 augustus 2022 aanvragen ingediend voor verblijf op grond van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze aanvragen zijn op 22 november 2022 afgewezen. Het besluit van eiseres bevat ook een terugkeerbesluit. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 22 november 2022. De voorzieningenrechter heeft op 8 juni 2023 op verzoek van eisers beslist dat zij niet mogen worden uitgezet totdat op hun bezwaarschriften is beslist.De bezwaren van eisers zijn op 3 augustus 2026 ongegrond verklaard. Hierna: de bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Zie het proces-verbaal van 5 augustus 2026 dat hierover in het dossier is opgenomen. Artikel 94, eerste lid, van de Vw. Zie artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Zie het proces-verbaal van ophouding van eiseres, p. 1. Zie het proces-verbaal van gehoor met eiseres, p. 9. Zie het proces-verbaal van ophouding van eiser, p. 1. Zie het proces-verbaal van gehoor met eiser op p. 8 en het proces-verbaal van gehoor met eiseres op p. 10. Zie het proces-verbaal van gehoor met eiser op p. 3. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:106). Het gaat om de terugkeerbesluiten van 14 augustus 2014 en 18 augustus 2022. De besluiten van 3 augustus 2026. Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2392, r.o. 1), 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3939, r.o. 6) en 30 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:317, r.o. 3.1). Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb. Zie artikel 5.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb. Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9699, onder 4.1) en de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1903, onder 4.2). Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4386). Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Gelderland, van 31 augustus 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:8810). ECLI:NL:RBDHA:2026:20726. Zie onder meer de vertrekgesprekken van 22 maart 2012, 22 november 2012, 27 februari 2014, 2 december 2015, 26 april 2018, 28 februari 2020, 18 september 2020, 15 oktober 2021, 17 december 2021 en 7 juni 2022. Zie de brieven van BMA van 12 januari 2026 en 18 mei 2026. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 26 november 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22783) en de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:16470). Deze laatste uitspraak gaat weliswaar over detentiecentrum Rotterdam, maar er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit niet geldt voor Zeist. Het artikel in het Dagblad van het Noorden van 8 augustus 2026. Zie artikel 5, onder c, van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn). Zie artikel 5, onder b, van de Terugkeerrichtlijn. De in artikel 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten.