Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:23140
Bewaring ex artikel 59a, eerste lid, Vw. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.44396 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie , de minister, (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 5 augustus 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. Voortraject 4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Op 7 april 2026 hebben de Nederlandse autoriteiten een overnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Duitsland. Duitsland heeft dit verzoek op 10 april 2026 aanvaard. Op 11 mei 2026 heeft de minister ten aanzien van eiser een overdrachtsbesluit genomen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd. Gronden 6. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Duur van de bewaring 7. Eiser wijst op de termijn van artikel 45, derde lid, van de AMbV. Op 7 juli 2026 is zijn beroep tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen ongegrond verklaard. Ook is op die datum zijn verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het voorgaande betekent volgens eiser dat hij op uiterlijk 11 augustus 2026 moet worden overgedragen aan Duitsland. Dat is niet aan de orde, waardoor de maatregel niet langer kan voortduren. 7.1. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de inwerkingtreding van de AMbV waren in artikel 28 van de Dublinverordening bepalingen opgenomen over de bewaring van Dublinclaimanten. Uit de derde alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening volgde dat de maximale bewaringstermijn van zes weken alleen ziet op de situatie, waarin de vreemdeling eerst in bewaring is gesteld en vervolgens een claimakkoord tot stand is gekomen, dan wel de opschortende werking van een beroep is geëindigd. Dit is bevestigd in het arrest Amayry . In dit arrest oordeelde het Hof dat de maximumtermijn van zes weken waarbinnen een in bewaring gestelde vreemdeling moet worden overgedragen, alleen geldt wanneer de vreemdeling is bewaring is gesteld voordat een claimakkoord tot stand is gekomen of het beroep geen opschortende werking meer heeft. In andere situaties werd de maximale duur bepaald door de eerste alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening. Er geldt dan geen maximumtermijn, maar de bewaring moet zo kort mogelijk duren en niet langer dan redelijkerwijs nodig is. In beginsel zou ook in dat geval een termijn van zes weken genoeg moeten zijn en daarom mag zij niet ruimschoots langer duren dan zes weken. Het Hof oordeelde dat een bewaringsduur van twee maanden, gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten, niet als noodzakelijkerwijs buitensporig kan worden beschouwd. Een duur van drie maanden of meer overschrijdt daarentegen wel ruimschoots de redelijkerwijs noodzakelijke termijn om de voor de overdracht nodige administratieve procedures zorgvuldig uit te voeren. 7.2. In de AMbV zijn in de artikelen 44 en 45 bepalingen opgenomen over bewaring. Artikel 44, derde lid, van de AMbV bepaalt dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van de verordening is uitgevoerd. Artikel 45 van de AMbV stelt termijnen voor gedetineerde verzoekers. Het derde lid van dit artikel stelt, net zoals dat voorheen in artikel 28, derde lid en derde alinea, van de Dublinverordening werd gedaan, maximale bewaringstermijnen voor vreemdelingen in bewaring. De AMbV stelt in dit kader een maximale termijn van vijf weken, terwijl de Dublintermijn een maximale termijn van zes weken stelde. Zie voor de volledige tekst van de artikelonderdelen de bijlage bij deze uitspraak. Omdat de inhoud en strekking van artikel 45, derde lid, van de AMbV overeenkomt met die van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, is de rechtbank van oordeel dat de jurisprudentie over laatstgenoemd artikel nog steeds van toepassing is. Dit betekent dat de in artikel 45, derde lid, van de AMbV genoemde maximale bewaringstermijn van vijf weken alleen ziet op de op de situatie waarin de vreemdeling eerst in bewaring is gesteld en vervolgens een claimakkoord tot stand is gekomen, dan wel de opschortende werking van een beroep is geëindigd. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Er moet dus worden beoordeeld of de duur van de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer dan redelijkerwijs nodig. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij op 5 augustus 2026, de dag van het opleggen van de maatregel, meteen een aanvraag heeft gedaan voor een overdracht. Op 7 augustus 2026 is hiervan een kennisgeving gedaan. Op die dag heeft ook een vertrekgesprek plaatsgevonden. De overdracht staat gepland voor 12 augustus 2026. Of de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden is de rechtbank niet bekend. Dit is een feit van na sluiting van het onderzoek, maar gelet op het voorgaande bestaat er geen reden om te denken dat de bewaring te lang zal duren. Lichter middel 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het onderduikrisico is gegeven. De minister heeft dit in de maatregel goed gemotiveerd. In de vertrekgesprekken heeft eiser telkens herhaald niet naar Duitsland te willen. 8.1. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft aangegeven dat er een medische dienst aanwezig is in het detentiecentrum die zal beoordelen in hoeverre eiser medische zorg nodig heeft. Ook is aangegeven dat de medische hulpverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische hulpverlening in de vrije maatschappij. 8.2. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Conclusie en gevolgen 9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 10. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Bijlage AMbV Artikel 45 Termijnen voor gedetineerde verzoekers (…) 3. In afwijking van artikel 46 wordt de overdracht van een persoon die in bewaring wordt gehouden van de overdragende lidstaat naar de verantwoordelijke lidstaat zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is, en binnen vijf weken vanaf: a. a) de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd, of b) de datum waarop het beroep of bezwaar niet langer opschortende werking heeft overeenkomstig artikel 43, lid 3. 4. Wanneer de overdragende lidstaat zich niet houdt aan de termijnen voor het indienen van een overnameverzoek of een kennisgeving inzake terugname of geen overdrachtsbesluit neemt binnen de in artikel 42, lid 1, gestelde termijn, of wanneer de overdracht niet binnen de in lid 3 van dit artikel genoemde termijn van vijf weken geschiedt, wordt de betrokken persoon niet langer in bewaring gehouden. De artikelen 39, 41 en 46 blijven van overeenkomstige toepassing. Dublinverordening Artikel 28 Bewaring (…) 3. De bewaring duurt zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. Wanneer een persoon op grond van dit artikel in bewaring wordt gehouden, duurt de termijn voor het indienen van een overname- of terugnameverzoek niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. De lidstaat die de procedure uit hoofde van deze verordening uitvoert, vraagt in dergelijke gevallen om een spoedig antwoord. Dit antwoord wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van het overname- of terugnameverzoek. Het zonder antwoord laten verstrijken van de termijn van twee weken staat gelijk met aanvaarding van het verzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen of terug te nemen en te voorzien in een passende aankomstregeling. Wanneer een persoon op grond van dit artikel in bewaring wordt gehouden, wordt de overdracht van de betrokkene van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen zes weken vanaf de impliciete of expliciete aanvaarding van het overname- of terugnameverzoek door een andere lidstaat, dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep of het bezwaar niet langer opschortende werking heeft overeenkomstig artikel 27, lid 3. Wanneer de verzoekende lidstaat zich niet houdt aan de termijnen voor het indienen van een overname- of terugnameverzoek, of wanneer de overdracht niet binnen de in de derde alinea genoemde termijn van zes weken geschiedt, wordt de betrokkene niet langer in bewaring gehouden. De artikelen 21, 23, 24 en 29 blijven van overeenkomstige toepassing. (…) Hierna: de bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Verordening (EU) nr. 2024/1351. Vreemdelingenbesluit 2000. Verordening (EU) nr. 604/2013. Het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2017, Khir Amayry (ECLI:EU:C:2017:675), zie in het bijzonder punt 39. Zie artikel 44, derde lid, van de AMbV. Zie de verslagen van de vertrekgesprekken van 4 mei 2026, 30 juni 2026, 13 juli 2026 en 7 augustus 2026. Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).