Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:23139
Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43888 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. H. Postma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 23 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld. Deze maatregel is op 3 augustus 2026 opgeheven. 2.1. Aansluitend heeft de minister eiser op 3 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld. Deze maatregel is op 8 augustus 2026 opgeheven, omdat eiser naar Georgië is uitgezet. 2.2. De rechtbank is van deze laatstgenoemde maatregel in kennis gesteld en deze ligt ter toetsing voor. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. Voortraject 4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 5. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf, omdat hij op 11 mei 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd heeft gekregen. Deze beslissingen staan in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd. Gronden 6. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser tijdens de zitting de gronden h, o en p betwist. De andere gronden die door de minister in de maatregel zijn opgenomen, zijn inhoudelijk niet betwist en de rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden onrechtmatig aan eiser zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de betwiste gronden daarom onbesproken. Lichter middel 7. Eiser stelt echter dat er geen reden was om tot bewaring over te gaan, omdat hij al had aangegeven zelf terug te willen keren naar Georgië. Eiser heeft dit via zijn gemachtigde en zijn asieladvocaat laten weten en ook in het vertrekgesprek van 28 juli 2026 aangegeven. Eiser heeft zijn Georgische paspoort op 28 juli 2026 naar DT&V DC Rotterdam verzonden. Ook heeft hij het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep in zijn asielprocedure ingetrokken op respectievelijk 30 en 31 juli 2026. Eiser heeft over zijn vertrekwens contact gehad met IOM. Eiser verwijst naar artikel 59, derde lid, van de Vw waarin is bepaald dat vreemdelingenbewaring achterwege blijft indien en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Ook wijst eiser op een uitspraak van de Afdeling uit 2012 . 7.1. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of de verklaring van een vreemdeling dat hij Nederland wil verlaten voor waar kan worden aanvaard, van belang is of deze verklaring is geconcretiseerd en of de minister feiten of omstandigheden heeft gesteld die daar afbreuk aan doen. 7.2. De rechtbank oordeelt dat de minister niet aannemelijk heeft hoeven achten dat eiser, wanneer hij daartoe in de gelegenheid zou worden gesteld, daadwerkelijk zelfstandig zou terugkeren naar Georgië. De minister heeft in de maatregel en tijdens de zitting goed uitgelegd waarom niet van het opleggen van de maatregel is afgezien. In het gehoor op 3 augustus 2026 voorafgaand aan de maatregel die nu ter toetsing voorligt, heeft eiser weliswaar aangegeven dat hij terug wil naar Georgië, maar zijn verklaring rijmt niet met de eerdere verklaring tijdens het vertrekgesprek van 23 juli 2026 dat hij niet terug wil naar Georgië omdat hij daar problemen heeft. In de maatregel is toegelicht dat eiser zich eerder heeft onttrokken aan het toezicht, doordat hij twee keer met onbestemde bestemming is vertrokken. Ook houdt eiser zich volgens de maatregel niet aan zijn verplichtingen door geen reden van afwezigheid door te geven, overlast te veroorzaken en strafbare feiten te begaan. De rechtbank begrijpt dat de minister de vertrekwens van eiser, die hij in bewaring heeft gedaan, daarom niet overtuigend vindt. Eiser had nog geen ticket geboekt. Dat eiser stelt contact te hebben gehad met IOM over zijn terugkeer naar Georgië maakt, gelet op het onttrekkingsrisico, niet dat de minister nu had moeten afzien van de maatregel. 8. Ook verder is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden of persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid 9. Eiser is op 8 augustus 2026 naar Georgië uitgezet. Dit is voldoende voortvarend. Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: de bewaring. Vreemdelingenwet 2000.