Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:23137
Bewaring; volgberoep. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.44007 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. M. Rasul), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. De minister heeft op 28 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. 1.2. De minister heeft de maatregel op 3 augustus 2026 opgeheven. 1.3. Eiser heeft op 5 augustus 2026 gronden van beroep ingediend, waarna de minister een voortgangsrapportage heeft overgelegd. Op 10 augustus 2026 heeft eiser aanvullende gronden van beroep ingediend. 1.4. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 12 augustus 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek. 2.1. Volgens eiser is de bewaring onrechtmatig sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 12 juni 2026. De rechtbank gaat echter uit van een sluitingsdatum van 18 juni 2026. Het onderzoek dat aan de onder 2. genoemde maatregel ten grondslag lag is weliswaar gesloten op de zitting van 12 juni 2026, maar vervolgens heropend op 16 juni 2026. Na het verkrijgen van nadere inlichtingen van de minister en een reactie daarop van eiser is het onderzoek vervolgens op 18 juni 2026 gesloten. Ter beoordeling staat dus nu of de maatregel sinds 18 juni 2026 rechtmatig was. 3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Standpunten eiser 4. Eiser voert in de kern aan dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Volgens eiser is de voortgangsrapportage niet met de stukken in het dossier in overeenstemming en is onvoldoende inzichtelijk welke uitzettingshandelingen tot aan de opheffing van de maatregel op 3 augustus 2026 zijn verricht. Zo bevindt zich in het dossier slechts een verslag van een vertrekgesprek van 28 juli 2026, terwijl uit de voortgangsrapportage volgt dat ook op 3 juli en 22 juli 2026 vertrekgesprekken zouden hebben plaatsgevonden. Daarnaast is volgens eiser onduidelijk wanneer rappels aan de Turkse autoriteiten zijn verzonden. Eiser acht het aantal verrichte vertrekgesprekken sinds de inbewaringstelling op 28 mei 2026 onvoldoende om van voldoende voortvarend handelen te kunnen spreken. Gelet hierop stelt eiser dat hij sinds de sluiting van het onderzoek onrechtmatig in bewaring heeft verbleven en aanspraak maakt op schadevergoeding. Oordeel van de rechtbank 5. De rechtbank overweegt dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat na de sluiting van het onderzoek op 18 juni 2026 op 3 juli 2026 en 22 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Van het vertrekgesprek van 22 juli 2026 is op 28 juli 2026 een verslag opgemaakt. Hoewel het verslag van 3 juli 2026 zich niet in het dossier bevindt, ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat het vertrekgesprek niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat in deze periode rappels aan de Turkse autoriteiten zijn verzonden. De rechtbank acht dit niet onbegrijpelijk, omdat de minister zich in deze periode heeft gericht op overdracht aan Oostenrijk, het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de procedure van eiser. Dit is ook tijdens het vertrekgesprek van 22 juli 2026 aan eiser meegedeeld. De minister heeft zich daarmee niet gericht op terugkeer van eiser naar Turkije. Uiteindelijk is eiser op 3 augustus 2026 met behulp van het IOM naar Turkije vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op de hiervoor genoemde uitzettingshandelingen, tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gehandeld. 5.1. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw. Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16481. International Organization for Migration. Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).