Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:22825
Bewaring, gehoor tijdens strafdetentie, lichter middel, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.39290 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Dam). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 15 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen. Gehoor tijdens strafdetentie 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld of eiser op de juiste grondslag is staandegehouden en opgehouden, omdat het gehoor voor de inbewaringstelling enkele dagen van tevoren tijdens eisers strafdetentie heeft plaatsgevonden. 5. Blijkens het proces-verbaal van gehoor voor inbewaringstelling is eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie op 13 juli 2026 gehoord. Verder vermeldt dit proces-verbaal dat de inbewaringstelling van kracht worden op 15 juli 2026 om 08:00 uur en direct na eisers strafrechtelijke detentie in zal gaan. Eiser is op 15 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5983, blijkt dat geen rechtsregel verbiedt dat een vreemdeling nog tijdens zijn strafrechtelijke detentie een besluit tot inbewaringstelling wordt uitgereikt onder mededeling dat die maatregel direct aansluitend aan zijn invrijheidstelling uit strafdetentie ten uitvoer zal worden gelegd met concrete vermelding van de datum en het tijdstip van de tenuitvoerlegging. In dit geval is voorts niet gesteld dat zich in de periode tussen het nemen van de maatregel en de tenuitvoerlegging daarvan feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die aan de tenuitvoerlegging van de maatregel in de weg zouden staan. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 6.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 6.2. Eiser voert aan dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd de maatregel niet kunnen dragen. Hij stelt daartoe onder meer dat eiser door middel van een Dublin-overdracht naar Nederland is gekomen, en hem daarom niet kan worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond a). Eiser stelt ook dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht, omdat hij geen reisdocument heeft en niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te vertrekken (grond b). Verder stelt eiser dat onder andere de gronden h en o hem niet kunnen worden tegengeworpen omdat deze, gelet op zijn situatie en zijn verblijf in bewaring vanaf maart 2026, niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Tot slot voert eiser onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, Jawo) aan dat sprake moet zijn van feitelijke onderduiking en dat daar in het onderhavige geval geen sprake van kan zijn. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de voorheen genoemde gronden terecht aan eiser tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiser bij zijn aanmelding in Nederland niet over de juiste documenten beschikte en zich niet heeft gemeld bij de autoriteiten in Nederland. De stelling dat deze binnentreding van eiser in Nederland in het verleden ligt en hij daarna in maart 2026 met een Dublin overdracht vanuit Oostenrijk is binnengekomen, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. De rechtbank is daarom van oordeel dat de a grond terecht eiser is tegengeworpen. Ook de b grond is feitelijk juist. Eiser heeft op 18 februari 2026 een terugkeerbesluit ontvangen en heeft het Europees grondgebied niet in de aan hem geboden termijn verlaten. De stelling dat eiser niet zelfstandig kan vertrekken omdat hij geen reisdocument heeft en niet over voldoende middelen beschikt, doet hier niet aan af. Ten aanzien van de gronden h en o overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard, voor het laatst in het vertrekgesprek van 16 juli 2026, niet uit eigen beweging te zullen vertrekken naar Egypte. Daarnaast is hij tweemaal, op 27 augustus 2025 en op 2 januari 2026, met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser inmiddels sinds maart 2026 in detentie verblijft doet aan de feitelijke juistheid van deze gronden niet af. 6.4. De gronden a, b, h, en o, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat er geen sprake is van een risico op onttrekking. Eisers verwijzing naar het Jawo-arrest van het Hof maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet. Beoordeling van het risico op refoulement 7. Eiser stelt zich onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) op het standpunt dat het risico op refoulement bij zijn terugkeer naar Egypte niet of onvoldoende is overwogen in de maatregel. 7.1. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel een overweging is opgenomen ten aanzien van het risico op refoulement bij eisers terugkeer naar Egypte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze overweging voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een risico op refoulement. Dit temeer nu eiser, zo blijkt uit het gehoor van 13 juli 2026, expliciet heeft aangegeven geen asiel aan te willen vragen. De beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel? 8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling, gelet op zijn aanzienlijke mentale en fysieke klachten. Hij gebruikt daarvoor zware medicijnen. Daarnaast kan hij niet tegen kleine ruimtes. Hij krijgt daarvoor geen behandeling of operatie. Eiser betwist dat de zorg in bewaring gelijkwaardig is aan de beschikbare zorg in de vrije maatschappij. Dit blijkt niet uit zijn feitelijke situatie. Er is ook sprake van suïcidale klachten die door de bewaring toenemen. De stelling dat de nodige medicijnen beschikbaar zijn in het detentiecentrum, doet er volgens eiser niet aan af dat het detentiecentrum geen speciale inrichting is voor bewaring. Eiser kan geen klacht indienen in het detentiecentrum - zoals verweerder stelt -, nu hij door verweerder in bewaring is geplaatst. Eiser meent dan ook dat verweerder handelt in strijd met artikel 3 van het EVRM. 8.1. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. 8.2. De rechtbank overweegt allereerst dat zoals reeds in 6.3. en 6.4. overwogen, een risico op onttrekking blijkt uit de genoemde gronden. Eiser is meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken en heeft regelmatig te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Verder blijkt uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103, dat het detentiecentrum Rotterdam kan worden aangemerkt als een speciale inrichting voor de tenuitvoerlegging van een maatregel van bewaring. In de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het door eiser overlegde medisch dossier blijkt dat hij regelmatig onder behandeling heeft gestaan in het detentiecentrum Rotterdam en het Justitieel Complex Schiphol en dat op 4 maart 2026 zijn suïciderisico laag is ingeschat. Verder blijkt uit het medisch journaal van eiser dat hij op 1 juli 2026 een afspraak zou hebben met een psycholoog om te beoordelen of sprake is van suïcide. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op 2 juli 2026 een terugkoppeling is geweest van de psycholoog. Deze heeft aangegeven dat er voor eiser geen zorgen zijn. Wel dient eiser wanneer zijn vertrekdatum bekend is, hierover zo laat mogelijk te worden ingelicht in een observatiecel. Verder is niet gebleken dat eiser geen toegang heeft tot zorg in detentie of dat deze zorg voor eiser ontoereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, voor zover hij meent dat hij in detentie niet goed wordt behandeld, een klacht kan indienen in het detentiecentrum. Van een schending van artikel 3 van het EVRM is geen sprake. 8.3. Verweerder stelt zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.