Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:22813
Prejudiciële vragen refoulementverbod & daadwerkelijk rechtsmiddel na “MOB-melding” – Griekse statushouder uit Eritrea / procedurerichtlijn / terugkeerrichtlijn / Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, maar een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115. Verzoeker heeft op 16 juni 2026, in afwachting van de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 29 september 2025 door de rechtbank, de opvanglocatie verlaten zonder aan verweerder mede te delen waar hij zal verblijven. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank medegedeeld dat zij ten tijde van de behandeling van het beroep door de rechtbank geen contact heeft met verzoeker en ook geen contact met hem kan krijgen. Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. De rechtbank acht het, gelet op de verklaringen van verzoeker over zijn redenen om Eritrea te ontvluchten en de verklaringen van verzoeker over Griekenland, buitengewoon onwaarschijnlijk dat verzoeker thans is teruggekeerd naar Eritrea of Griekenland. Verweerder heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om dit na te gaan bij de Griekse autoriteiten. Op grond van vaste rechtspraak zou de rechtbank verzoeker vanwege de mob-melding niet-ontvankelijk moeten verklaren. Indien de rechtbank echter het beroep inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Dat kan namelijk ook als verweerder niet onverwijld in staat is om een verblijfsvergunning aan verzoeker te geven omdat hij “mob is”. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de “mob-rechtspraak” verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank meent van niet, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte. De rechtbank vraagt het Hof of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank stelt drie prejudiciële vragen en schorst de behandeling van het beroep in afwachting van het arrest van het Hof. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL25.25896 Verwijzing verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1982, Eritrese nationaliteit, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. E. Ceylan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de drie navolgende prejudiciële vragen: 1) Dient artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen een beslissing op een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een inhoudelijk oordeel te geven over dit beroep indien de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 neergelegde bevoegdheid en een wettelijke basis ontbreekt om dit verzoek als impliciet ingetrokken te beschouwen en niet-ontvankelijk te verklaren omdat de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 2) Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 4, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen het bevel om zich op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 naar een andere lidstaat te begeven, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, ook indien de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 3) Dient artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken? Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) heeft dit verzoek op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard en verzoeker opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven . Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 september 2025 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft op 9 oktober 2025 om uitstel van vertrek wegens medische redenen verzocht . Verweerder heeft dit verzoek op 15 oktober 2025 ingewilligd en aan verzoeker uitstel van vertrek verleend van 9 oktober 2025 tot 30 december 2025. Verweerder heeft de rechtbank op 18 juni 2026 medegedeeld dat verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvanglocatie. De rechtbank heeft de gemachtigde van verzoeker op 23 juli 2026 gevraagd om een standpunt in te nemen over de vraag of sprake is van procesbelang. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank op 24 juli 2026 medegedeeld dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met verzoeker en dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank terzake de vraag of sprake is van procesbelang. De rechtbank heeft op 26 juli 2026 een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende inhoud: (…) “De rechtbank verzoekt verweerder per ommegaande en uiterlijk op dinsdag 28 juli 2026, de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek te verlenen en de stukken op grond waarvan verweerder dit uitstel heeft verleend aan het dossier toe te voegen. De rechtbank verzoekt verweerder om hierbij aan te geven of het uitstel van vertrek is verlengd en zo ja, met welke termijn. Indien het uitstel van vertrek niet is verlengd, verzoekt de rechtbank verweerder om aan te geven wat hier de reden van is. De rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk op 28 juli 2026 na te gaan of in SIS is geregistreerd dat eiser het grondgebied van de Unie heeft verlaten en zo mogelijk hiervan stukken te overleggen. De rechtbank stelt beide partijen in de gelegenheid om uiterlijk op 28 juli 2026 een gemotiveerd standpunt in te nemen over de vraag of artikel 5 van richtlijn 2008/115 in de weg staat aan de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep en een inhoudelijke beoordeling vereist ondanks dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.” (…) Verweerder heeft voldaan aan de verzoeken van de rechtbank en beide partijen hebben een standpunt ingenomen over de door de rechtbank gestelde rechtsvraag. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 29 september 2025 en het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig op 30 juli 2026 ter zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Na de behandeling van het beroep en verzoek heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij bericht van 14 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen meegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (hierna: Hof) te stellen. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoeker is op [geboortedatum] 1982 in Ethiopië geboren en heeft -uitsluitend- de Eritrese nationaliteit. 2. In Eurodac is geregistreerd dat de Griekse autoriteiten op 23 oktober 2023 aan verzoeker een internationalebeschermingsstatus hebben verleend. 3. Verzoeker heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoeker heeft hierbij een nationale identiteitskaart die is afgegeven door de Eritrese autoriteiten overgelegd. Op grond van documentonderzoek heeft de Koninklijke Marechaussee vastgesteld dat dit een echt document is . Verweerder heeft verzoeker op 30 april 2024 en op 23 september 2025 gehoord. Verzoeker heeft in deze gehoren bevestigd dat de Griekse autoriteiten aan hem een internationalebeschermingsstatus hebben verleend en hem in het bezit hebben gesteld van een verblijfsvergunning. Verzoeker is in dit gehoor bevraagd over zowel zijn redenen om uit Eritrea te vluchten, als over zijn verblijf in Griekenland. 4. Verzoeker heeft onder meer verklaard dat hij in 2000 in Eritrea in militaire dienst is gegaan. Verzoeker is op enig moment uitgereisd, heeft bij de ambassade in Soedan een paspoort aangevraagd en verkregen na het tonen van zijn Eritrese identiteitskaart en het betalen van 2% diaspora belasting en is vervolgens naar Saoedi-Arabië gereisd. In juli 2019 is verzoeker vanuit Saoedi-Arabië naar Eritrea gedeporteerd. Na terugkeer in juli 2019 werd geëist dat verzoeker deel zou gaan uitmaken van de militaire reservistendienst. Verzoeker werd toen verplicht om een wapen te dragen en dat wilde hij niet. Daarom is verzoeker ondergedoken. Omdat verzoeker de militaire dienst heeft geweigerd, is zijn vrouw gevangen genomen samen met hun kind. Tijdens de gevangenschap is hun kind ziek geworden en daardoor overleden. Zijn vrouw is vrijgelaten maar een tweede keer, nadat zij van hun tweede kind was bevallen, gevangen genomen. Verzoeker heeft zich daarom alsnog gemeld. Zijn vrouw is toen vrijgelaten en verzoeker is een half jaar gedetineerd geweest als vergelding van het onderduiken. Na dit half jaar is verzoeker vrijgelaten en naar zijn legereenheid gestuurd. Verzoeker hoorde toen dat zijn kindje was overleden en heeft toen een verlofperiode van 10 dagen gekregen om te rouwen. Tijdens dit verlof is verzoeker uit Eritrea gevlucht. Verzoeker was in het bezit van een paspoort, maar is Eritrea illegaal uitgereisd en via Griekenland de Unie in gereisd. Verzoeker vreest bij terugkeer een lange periode te zullen worden gedetineerd. 5. Verzoeker heeft verklaard per boot naar Griekenland te zijn gegaan, maar dat de Griekse autoriteiten de boot terug naar zee hebben gebracht en daar de motor hebben afgepakt en de opvarenden aan hun lot hebben overgelaten. De Turkse marine heeft hen gered en hen aan land gebracht en vervolgens gedetineerd. Verzoeker heeft verklaard dat hij bij een tweede poging, Griekenland wel heeft kunnen inreizen en een verblijfsvergunning van de Griekse autoriteiten heeft gekregen. Verzoeker heeft geen Grieks sociaal zekerheidsnummer gekregen. Verzoeker heeft 3 maanden in de opvang mogen verblijven. Daarna moest verzoeker op straat leven. Er verblijven geen familieleden van verzoeker in Griekenland. Verzoeker heeft behalve de verblijfsvergunning, geen bijstand gekregen en had geen beschikking over woonruimte. Nadat verzoeker een verblijfsvergunning had gekregen, kreeg verzoeker wel eten maar geen geld. Verzoeker heeft verklaard dat hij zich onmogelijk in Griekenland kon handhaven zonder onderdak en werk. Hij is ongeveer 3 maanden in Griekenland gebleven. Verzoeker is vervolgens via België naar Nederland gereisd en heeft zich op 8 januari 2024 bij de Nederlandse autoriteiten gemeld en een verzoek om internationale bescherming ingediend. 6. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, maar een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115. 7. Verweerder heeft de rechtbank medegedeeld dat verzoeker op 16 juni 2026 de opvanglocatie heeft verlaten zonder aan verweerder mede te delen waar hij zal verblijven. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank medegedeeld dat zij thans geen contact heeft met verzoeker en ook geen contact met hem kan krijgen. Zij heeft verzoeker geïnformeerd wanneer de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn verzoek om internationale bescherming behandelt. De rechtbank merkt hierbij op dat de rechtbank partijen op 29 juni 2026 heeft medegedeeld dat de behandeling van het beroep op 30 juli 2026 om 13:00 uur zal plaatsvinden. Verzoeker is niet verschenen bij de rechtbank en heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om in persoon door de rechtbank te worden gehoord over zijn verzoek om internationale bescherming en over zijn beroep tegen het besluit van 29 september 2025. 8. De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het besluit van 29 september 2025 niet is ingetrokken. De rechtbank zal in het hoofdgeding dus uitspraak moeten doen. 9. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 september 2025 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat ertoe strekt om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten. Verzoeker mag de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland afwachten en gedurende deze periode heeft verzoeker recht op opvangvoorzieningen en recht op kosteloze rechtsbijstand. Verzoeker stelt kennelijk geen prijs op deze voorzieningen, althans hij maakt met ingang van 16 juni 2026 geen gebruik meer van deze rechten die hij ontleent aan zijn hoedanigheid van verzoeker om internationale bescherming, welke rechten verzoeker na de niet-ontvankelijk verklaring kan blijven effectueren vanwege de opschortende werking die is toegekend aan het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening. 10. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, op het standpunt dat de rechtbank het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk moet verklaren omdat er onder de gegeven omstandigheden vanuit mag worden gegaan dat verzoeker geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep . 11. Gemachtigde van verzoeker heeft zich aanvankelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of verzoeker belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak op zijn beroep en of er dus ‘procesbelang’ is. Gemachtigde van verzoeker heeft zich in reactie op de vragen van de rechtbank, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, op het standpunt gesteld dat de rechtbank wel verplicht is om na te gaan of zijn recht op privéleven en het beginsel van non-refoulement aan de aanzegging om naar Griekenland te gaan in de weg staan . 12. De rechtbank overweegt dat in het hoofdgeding meerdere rechtsvragen opkomen. De eerste vraag die opkomt is de vraag of de omstandigheid dat verzoeker van een aantal voorzieningen waar hij in afwachting van de uitspraak in het hoofdgeding recht op heeft geen gebruik meer maakt, mag worden opgevat als een impliciete intrekking van zijn rechtsmiddel. Een vraag die rijst als moet worden geoordeeld dat geen sprake is van een impliciete intrekking van het rechtsmiddel, is de vraag of de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming, terwijl de beslisautoriteit geen inhoudelijke beoordeling van dit verzoek heeft verricht, maar dat verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien de rechtbank zich zou moeten beperken tot de beoordeling van de rechtmatigheid van de beslissing van verweerder om het verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren en indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat verzoeker impliciet zijn rechtsmiddel heeft ingetrokken, vraagt de rechtbank zich af of artikel 5 van richtlijn 2008/118 ook onder die omstandigheden een inhoudelijke beoordeling vereist van de in deze bepaling genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement. Een derdelander hoeft immers geen verzoek om internationale bescherming in te dienen om in de terugkeerprocedure tegen refoulement beschermd te worden. Aangezien het refoulementverbod een absoluut karakter heeft, zou dat meebrengen dat ook indien de verzoeker zijn verzoek en/of zijn rechtsmiddel impliciet prijsgeeft, de rechtbank het risico op refoulement ook in die situatie inhoudelijk zou moeten beoordelen. De omvang van de verplichtingen die de rechtbank op grond van artikel 2008/115 heeft, lijkt niet afhankelijk te zijn van de gedraging van verzoeker en moeten, zo nodig, ook ambtshalve worden nagekomen. 13. Het belang van verzoeker bij de uitspraak in het hoofdgeding en bij de nadere verduidelijking van het Unierecht is zeer aanzienlijk. Indien het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat de rechtbank verplicht is om het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren, dan vindt geen inhoudelijke beoordeling plaats van de rechtmatigheid van het besluit van verweerder waarin verzoeker wordt opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. De rechtbank zal bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van deze aanzegging evenwel tot de conclusie komen dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan het bevel dat verweerder op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 heeft gegeven en zal dat besluit dan ook vernietigen. Indien de rechtbank op dit moment de bevoegdheid zou hebben om een bindende uitspraak over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming te doen, zou de rechtbank beslissen dat verzoeker door verweerder, net als door de Griekse autoriteiten, moet worden erkend als vluchteling en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker een internationalebeschermingsstatus en te verlenen. De rechtbank overweegt voorts dat indien de rechtbank daarentegen verplicht zou zijn om het rechtsmiddel als impliciet ingetrokken te beschouwen en verplicht zou zijn om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het hoofdgeding, dit ook zou betekenen dat verweerder, indien verzoeker zich weer zou melden bij verweerder, gehouden is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De Griekse autoriteiten hebben echter een internationalebeschermingsstatus aan verzoeker verleend en deze status duurt op dit moment voort zodat verweerder niet aan deze verplichting zal kunnen voldoen. 14. De rechtbank acht een nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding en verzoekt het Hof dan ook om de navolgende prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden: 1) Dient artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen een beslissing op een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een inhoudelijk oordeel te geven over dit beroep indien de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 neergelegde bevoegdheid en een wettelijke basis ontbreekt om dit verzoek als impliciet ingetrokken te beschouwen en niet-ontvankelijk te verklaren omdat de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 2) Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 4, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen het bevel om zich op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 naar een andere lidstaat te begeven, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, ook indien de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 3) Dient artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken? Toepasselijke bepalingen Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (…) 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Richtlijn 2023/13 De overwegingen 16, 18, 22 en 34 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt: „(16) Het is essentieel dat de beslissingen betreffende alle verzoeken om internationale bescherming worden genomen op basis van feiten en in eerste instantie door autoriteiten waarvan het personeel op het gebied van internationale bescherming een adequate kennis heeft of de nodige opleiding heeft ontvangen. [...] (18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling. [...] (22) Het is ook in het belang van zowel lidstaten als verzoekers dat ervoor wordt gezorgd dat de behoefte aan internationale bescherming reeds in eerste aanleg correct erkend wordt. Daartoe moeten verzoekers in eerste aanleg kosteloos juridische en procedurele informatie krijgen, rekening houdend met hun bijzondere omstandigheden. Dergelijke informatie moet de verzoekers onder andere in staat stellen om de procedure beter te begrijpen en hen op die manier helpen de betrokken verplichtingen na te komen. Het zou onevenredig zijn om van de lidstaten te eisen dat zij deze informatie uitsluitend via de diensten van gekwalificeerde advocaten verstrekken. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om de meest geschikte middelen te gebruiken om die informatie te verstrekken, zoals via niet-gouvernementele organisaties, beroepsbeoefenaars van overheidsdiensten of gespecialiseerde overheidsdiensten. [...] (34) Procedures betreffende het onderzoeken van de behoefte aan internationale bescherming moeten het voor de bevoegde autoriteiten mogelijk maken verzoeken om internationale bescherming grondig te behandelen. Artikel 33 – Niet-ontvankelijke verzoeken (…) 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: a. a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend; (…) Artikel 46 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a. a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: (…) ii) om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2; (…) 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. (…) 11. De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving tevens de voorwaarden vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in lid 1, impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd. Richtlijn 2008/115 (24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Artikel 2 - Werkingssfeer 1. Deze richtlijn is van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. (…) Artikel 3 – Definities (…) 2. „ illegaal verblijf”: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat; Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a)het belang van het kind; b)het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement. Artikel 6 – Terugkeerbesluit 1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. 2. De onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is lid 1 van toepassing. (…) Rechtsvragen 15. Verzoeker, die de Eritrese nationaliteit heeft, heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft verzoeker tweemaal gehoord over de redenen waarom verzoeker is gevlucht uit Eritrea, maar heeft dit verzoek uiteindelijk niet inhoudelijk beoordeeld. De Griekse autoriteiten hebben aan verzoeker, voordat hij zijn verzoek in Nederland heeft ingediend, internationale bescherming verleend. Dat dit zo is en dat de internationalebeschermingsstatus thans voortduurt is niet in geschil. Verweerder heeft verzoeker ook gehoord over zijn verblijf in Griekenland. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaard en verzoeker op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. 16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk moet beoordelen en verzoeker niet-ontvankelijk moet verklaren omdat uit de gedragingen van verzoeker valt af te leiden dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk in Nederland heeft gezocht en geen belang meer hecht aan de uitspraak op zijn beroep. Verweerder baseert deze aannames op de omstandigheid dat verzoeker in de beroepsfase van zijn procedure de opvanglocatie heeft verlaten zonder dit te melden bij verweerder en op de omstandigheid dat verzoeker in de beroepsfase van de procedure geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. Verweerder is op verzoek van de rechtbank nagegaan of in het Schengeninformatiesysteem is geregistreerd dat verzoeker het grondgebied van de Unie heeft verlaten. Verweerder heeft dit onderzocht en geconcludeerd dat in het Schengeninformatiesysteem niet is geregistreerd dat verzoeker het grondgebied van de Unie heeft verlaten. Verweerder heeft toegelicht dat het bevel dat hij aan verzoeker heeft gegeven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven niet wordt geregistreerd in het Schengeninformatiesysteem. Verweerder heeft in aanvulling hierop alle systemen van de uitvoeringsdiensten geraadpleegd en heeft geconcludeerd dat uit dit onderzoek geen aanwijzingen blijken dat verzoeker het grondgebied van de Unie heeft verlaten. Verweerder neemt aan dat verzoeker het grondgebied van de Unie niet heeft verlaten, maar wellicht is teruggekeerd naar Griekenland. 17. De rechtbank meent dat de feitelijke gedragingen van verzoeker die hij heeft vertoond 10 maanden nadat hij beroep heeft ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep, de omvang van de verplichting van de rechtbank om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden niet kunnen aantasten en dat deze gedragingen dus ook niet rechtvaardigen dat het grondrecht op een doeltreffende voorziening tenietgaat. 18. Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat “artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 ervan, in absolute bewoordingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, verwijdering, uitzetting of uitlevering aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat deze persoon aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen verbiedt en dat dit verbod een van de fundamentele waarden van de Unie en haar lidstaten weerspiegelt, zoals neergelegd in artikel 2 VEU, en het absolute karakter ervan nauw verband houdt met de eerbiediging van de menselijke waardigheid als bedoeld in dat artikel 2 VEU en in artikel 1 van het Handvest” . 19. Het ‘gedrag van betrokkene’ waaruit verweerder afleidt dat verzoeker geen belang meer hecht aan internationale bescherming en de uitkomst van deze procedure, bestaat er uit dat verzoeker van een aantal rechten die hij heeft in afwachting van de uitspraak op het beroep geen gebruik meer maakt en hij niet aan verweerder en zijn gemachtigde heeft laten weten waarom hij dit niet langer doet en niet heeft laten weten waar hij verblijft. De rechtbank merkt hierbij op dat er geen verplichting bestaat om gebruik te maken van het recht op opvang en dat er geen verplichting bestaat om contact te onderhouden met een gemachtigde. Er bestaat ook geen verplichting om te verschijnen in de rechtbank als het beroep wordt behandeld. Er is ook geen verplichting voor verzoeker om aan verweerder mede te delen dat hij niet langer van zijn recht op opvangvoorzieningen gebruik wil maken en er is geen verplichting voor verzoeker om in deze fase van de procedure aan verweerder of aan de rechtbank mede te delen waar bij verblijft. Ook hoeft verzoeker geen contact te onderhouden met zijn gemachtigde in deze fase van de procedure omdat zij verzoeker kan blijven vertegenwoordigen zonder op dit moment contact te hebben. 20. Gelet op het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, kan de omstandigheid dat verzoeker niet al zijn rechten gedurende de hele procedure effectueert, naar het oordeel van de rechtbank, niet leiden tot het niet-ontvankelijk moeten verklaren van het beroep dat verzoeker heeft ingesteld en dat verzoeker en/of zijn gemachtigde niet hebben ingetrokken. 21. De rechtbank wijst er hierbij op dat ‘de gedragingen van betrokkene’ overigens ook bestaan uit het overleggen van een echt bevonden identiteitsdocument, het consistent en in overeenstemming met landeninformatie verklaren over Eritrea en Griekenland en het zich steeds beschikbaar hebben gehouden voor verweerder in afwachting van de beslissing op zijn verzoek. De Griekse autoriteiten hebben bovendien al een internationalebeschermingsstatus aan verzoeker verleend en die status duurt thans voort. Verzoeker heeft kennelijk niet ten overstaan van de Griekse autoriteiten verklaard dat hij niet langer bescherming nodig heeft en de Griekse autoriteiten hebben kennelijk ook geen aanleiding gezien om de verleende status in te trekken, dan wel te beëindigen of niet te verlengen. 22. Daargelaten dat in het Unierecht het refoulementverbod -ongeacht de gedragingen van de betrokkene- een absoluut karakter heeft, meent de rechtbank dat het niet aan verweerder is om deze aannames te doen en op grond van deze aannames het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte te willen inperken door zich op het standpunt te stellen dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zou moeten behandelen maar niet-ontvankelijk zou moeten verklaren. 23. De Griekse autoriteiten hebben reeds beslist dat aan verzoeker internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank meent dat zij op grond van het Unierecht verplicht is om het beroep tegen de beslissing op het verzoek om internationale bescherming dat verzoeker in Nederland heeft ingediend inhoudelijk te beoordelen om zo te waarborgen dat het beginsel van non-refoulement niet wordt geschonden. Indien de rechtbank het verzoek om internationale bescherming ten gronde zou beoordelen, zou de rechtbank tot de conclusie komen dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeer van verzoeker naar Griekenland en in de weg staat aan de terugkeer van verzoeker naar Eritrea. Het belang van verzoeker bij een inhoudelijke beoordeling van zijn rechtsmiddel en het bevel om zich naar Griekenland te begeven is dus aanzienlijk. Dit belang is vooralsnog niet komen te ontvallen. Ook verweerder neemt aan, na het raadplegen van diverse systemen, dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt . De rechtbank acht anders dan verweerder, het buitengewoon onwaarschijnlijk dat verzoeker is teruggekeerd naar Griekenland gelet op zijn verklaringen en gelet op zijn verzoek in Nederland en zijn rechtsmiddel tegen de beslissing op zijn verzoek. De Griekse autoriteiten hebben dit ook niet laten weten aan verweerder en verweerder heeft -kennelijk- geen aanleiding gezien om dit na te gaan bij de Griekse autoriteiten. 24. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 28 juli 2021 een overzicht gegeven van haar rechtspraak over “Griekse statushouders” en heeft onder meer het navolgende geoordeeld: (…) Conclusie 8. Uit het vorenstaande komt het beeld naar voren dat de Griekse autoriteiten, ondersteund door verschillende ngo's, weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. De staatssecretaris heeft daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet deugdelijk gemotiveerd dat hij ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. (…) (…) 25. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft deze uitspraak meermalen bevestigd en is thans niet tot het oordeel gekomen dat statushouders na terugkeer naar Griekenland niet langer het risico lopen dat zij in een in artikel 4 van het Handvest verboden situatie terecht zullen komen . Verweerder is hiervan op de hoogte. Verweerder heeft verzoeker op 30 april 2024 gehoord en door de hoormedewerker is onder meer het navolgende tegen verzoeker gezegd: (…) Uit Eurodac onderzoek blijkt dat u internationale bescherming hebt in Griekenland. Op dit moment wordt de situatie van statushouders in Griekenland nader beoordeeld. Daarom wordt uw aanvraag vooralsnog in de nationale procedure behandeld en krijgt u een aanmeldgehoor in plaats van een gehoor met betrekking tot bescherming binnen de EU. Het is mogelijk dat na dit gehoor alsnog wordt besloten dat uw aanvraag niet-ontvankelijk wordt afgedaan vanwege de bescherming die u heeft in Griekenland. (…) 26. Verweerder heeft verzoeker vervolgens -pas- op 23 september 2025 voor de tweede keer en aanvullend gehoord. Verweerder weet dat indien verweerder binnen de wettelijke beslistermijn zou hebben beslist op het verzoek om internationale bescherming dat verzoeker op 8 januari 2024 heeft ingediend en over welk verzoek verzoeker op 30 januari 2024 voor de eerste keer is gehoord, verweerder verzoeker niet had kunnen opdragen om zich naar Griekenland te begeven . Een juiste toepassing van het arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Ibrahim had evident tot de conclusie geleid dat artikelen 4 en 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de weg zouden staan aan deze aanzegging. Verweerder heeft echter pas op 29 september 2025 een beslissing genomen en stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd is om verzoeker nu wel op te dragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. 27. Indien de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijkheid inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank allereerst vaststellen dat op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, moet worden vastgesteld dat in Griekenland sprake is van tekortkomingen die structureel en fundamenteel zijn en welke tekortkomingen onder artikel 4 van het Handvest vallen, welk artikel overeenstemt met artikel 3 EVRM en waarvan de inhoud en reikwijdte krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend, en dat deze tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals het Hof in het arrest Ibrahim heeft verduidelijkt. 28. Verweerder stelt zich echter thans onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het standpunt dat omdat verzoeker de opvanglocatie heeft verlaten zonder mee te delen waar hij verblijft en zonder contact met zijn gemachtigde te onderhouden, de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn beroepsprocedure. 29. Deze vaste rechtspraak van de Afdelingsbestuursrechtspraak van de Raad van State waar verweerder zijn standpunt op baseert volgt onder meer uit de uitspraak van 5 februari 2026 die ook een verzoeker betreft aan wie door de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming was verleend en waarin het navolgende is overwogen: (…) 4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling leidt zij uit het feit dat een gemachtigde van een vreemdeling die om asiel heeft verzocht, geen contact meer heeft met hem of haar af dat de betrokken vreemdeling niet langer bescherming in Nederland zoekt, zodat hij of zij geen belang meer heeft bij een beoordeling van een beroep of hoger beroep. Zie onder meer de uitspraak van 8 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4282, onder 1. (…) 30. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 1 juli 2024 nader aangegeven welke gevolgen zouden moeten worden verbonden aan het verlaten van de opvang door de derdelander en heeft in deze uitspraak haar eerdere rechtspraak op dit punt genuanceerd . In deze uitspraak is onder meer het navolgende overwogen: (…) 1.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, overwogen dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep en dat beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de bij de MOB-melding gevoegde informatie van de DT&V , de omstandigheid dat niet is gebleken dat de vreemdeling zich inmiddels weer heeft gemeld bij - bijvoorbeeld - zijn opvanglocatie of de DT&V, het feit en dat de vreemdeling de staatssecretaris na de MOB-melding niet heeft laten weten waar hij verblijft. Omdat de vreemdeling noch zijn gemachtigde deze informatie heeft weerlegd en zij bovendien zonder bericht van afwezigheid allebei niet op de zitting van 18 december 2023 zijn verschenen, heeft het bericht van 27 oktober 2023 van de gemachtigde de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Het beroep van de vreemdeling is wegens gebrek aan belang bij het beroep niet-ontvankelijk, aldus de rechtbank. 1.2. Deze uitspraak gaat over de vraag onder welke omstandigheden een vreemdeling na een MOB-melding geacht wordt geen belang meer te hebben bij een beroep of hoger beroep over de afwijzing van zijn asielaanvraag (hierna: het procesbelang). De Afdeling komt in deze uitspraak tot een nuancering van haar lijn, zoals uiteengezet in eerdere uitspraken. (…) 2.2. Zoals volgt uit eerdere rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:961, en 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9272, hoeft de bestuursrechter een bij hem ingesteld (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het aangewende rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en dat dit voor hem van feitelijke betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. 2.3. Meer specifiek voor het asielrecht heeft de Afdeling in dit verband in onder meer de onder 1.1 genoemde uitspraak van 22 februari 2019, onder 2, overwogen dat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. 2.4. Deze rechtspraak heeft geen expliciete wettelijke basis. Die is ook niet nodig. De vaststelling door de bestuursrechter dat een vreemdeling vanwege een MOB-melding onder omstandigheden geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde rechtsmiddel, valt - anders dan de vreemdeling en de staatssecretaris veronderstellen - ook niet onder artikel 46, elfde lid, van de Procedurerichtlijn. Het rechtsmiddel wordt namelijk niet ingetrokken, maar blijft gewoon bestaan. Er wordt immers ook uitspraak gedaan op het beroep of het hoger beroep. Alleen neemt de bestuursrechter de feitelijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt mee bij zijn oordeel. Het met onbekende bestemming vertrekken betekent dus niet dat het rechtsmiddel impliciet is ingetrokken. Dat Nederland de mogelijkheid van impliciete intrekking uit artikel 46, elfde lid, van de Procedurerichtlijn niet heeft geïmplementeerd, staat daarom niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring door de bestuursrechter wegens een gebrek aan procesbelang na een MOB-melding. 2.5. De rechtspraak zoals weergegeven onder 2.2 en 2.3 vormt een regel van nationaal procesrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie wordt, als een Unierechtelijke regeling ontbreekt, het nationale procesrecht toegepast in zaken waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. De vraag of een vreemdeling nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een door hem ingesteld rechtsmiddel behoort, bij afwezigheid van enige Unierechtelijke regeling, tot de procedurele autonomie van een lidstaat.(…) (…) 2.7. In het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, zal de bestuursrechter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. (…) 2.9. Als de vraag naar het procesbelang wordt beantwoord op de wijze zoals hiervoor is uiteengezet, maakt dit de uitoefening van de in het Unierecht neergelegde rechten van asielzoekers niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk. Van strijd met het doeltreffendheidsbeginsel is daarmee geen sprake en ook wordt geen afbreuk gedaan aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest. (…) 31. Het Hof heeft op 4 juni 2026 de arresten Quotal en Ebilum gewezen en daarin onder meer verduidelijkt wat de omvang van de verplichting en bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg is, als deze rechter een daadwerkelijk rechtsmiddel op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32 moet bieden in een procedure die is ingeleid met rechtsmiddel tegen een beslissing op een verzoek om internationale bescherming. 32. Op het verzoek om internationale bescherming van verzoeker en de procedure in het hoofdgeding bij de rechtbank is richtlijn 2013/32 van toepassing. De rechtbank is dus gebonden aan de verplichtingen die de Uniewetgever onder meer in artikel 46 van deze richtlijn heeft neergelegd. Artikel 33, lid 2, onder b), van richtlijn 20213/32 geeft de lidstaten de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren als een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend. Artikel 46, lid 1 onder a), ii), verplicht de rechtbank expliciet om verzoeker in deze procedure, zoals in het hoofdgeding, een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden. 33. De rechtbank overweegt dat het rechtsgevolg van de keuze die verweerder maakt om zijn bevoegdheid van artikel 33, lid 2 onder a), van richtlijn 20213/32 aan te wenden en het verzoek om internationale bescherming van verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren, is dat verweerder verzoeker een bevel op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 geeft. Verweerder is hiertoe in dit geval ook gehouden omdat verzoeker niet eerder een dergelijk bevel heeft gehad dat hij niet heeft nageleefd en er geen redenen van openbare orde of nationale veiligheid bestaan die het onmiddellijke vertrek van verzoeker uit de Unie vereisen. Dit betekent dat richtlijn 2008/115 ook van toepassing is op de procedure in het hoofdgeding. Artikel 5 van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 rekening houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land en het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Door een bevel op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 uit te vaardigen, legt verweerder deze richtlijn ten uitvoer. Artikel 13 van richtlijn 2008/115 regelt de rechtsmiddelen, maar verschaft een illegaal verblijvende derdelander alleen een rechtsmiddel tegen een in artikel 12, lid 1, bedoeld besluit in het kader van terugkeer . Dit rechtsmiddel ziet dus op een rechtsmiddel tegen een uitgevaardigd terugkeerbesluit en/of inreisverbod gelet op artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/115 en de definitie van ‘terugkeer’, zoals uitgelegd in artikel 3, lid 3, van deze richtlijn. Verzoeker is in het besluit dat het voorwerp van het hoofdgeding is, door verweerder opgedragen om zich naar een andere lidstaat te begeven. De grondslag voor dit rechtsgevolg van het niet-ontvankelijk verklaren is artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115, maar deze aanzegging is geen terugkeerbesluit. In het geval verzoeker niet aan dit bevel zou voldoen, is verweerder pas bevoegd, en in beginsel ook verplicht, om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Voor zover het Hof zou verduidelijken dat verzoeker zich daarom niet zou kunnen beroepen op artikel 13 van richtlijn 2008/115, heeft te gelden dat het Unierecht de procedure in het hoofdgeding beheerst en de rechtbank verplicht is om het grondrecht van verzoeker op een doeltreffende voorziening, neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te waarborgen. 34. Het Hof heeft in haar arrest van 4 juni 2026 in de zaak Quotal onder meer het navolgende verduidelijkt : (…) 52. In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus te voldoen aan artikel 288, derde alinea, VWEU (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C-569/16 en C-570/16, EU:C:2018:871, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 53. Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C-569/16 en C-570/16, EU:C:2018:871, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 54. Zoals het Hof heeft geoordeeld houdt het vereiste van een dergelijke Unierechtconforme uitlegging met name in dat de nationale rechterlijke instanties verplicht zijn om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechterlijke instantie met name niet op goede gronden oordelen dat zij de betrokken nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met het Unierecht (arrest van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 55. Zou een dergelijke conforme uitlegging echter onmogelijk blijken te zijn, dan heeft het Hof benadrukt dat de rechter die bevoegd is om het Unierecht toe te passen, de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van Unieregels met directe werking, zoals artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, zouden kunnen beletten, buiten toepassing moet laten (arrest van 3 april 2025, Barouk, C-283/24, EU:C:2025:236, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak). (…) 35. De rechtbank meent dat de nationale rechtspraak waarin een verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij na het instellen van een rechtsmiddel geen gebruik meer maakt van opvangvoorzieningen, de beslisautoriteit niet mededeelt waar hij verblijft en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, niet verenigbaar is met artikel 46 van richtlijn 2013/32 en met artikel 5 van richtlijn 2008/115 en dat deze bepalingen op de wijze waarop dat thans geschiedt, niet richtlijnconform kunnen worden uitgelegd, gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 36. De Uniewetgever heeft de lidstaten in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 de mogelijkheid gegeven om in hun nationale wetgeving voorwaarden vast te leggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in artikel 46, lid 1, van deze richtlijn impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de hiervoor genoemde uitspraak van 1 juli 2024 heeft weergegeven, heeft Nederland de mogelijkheid van impliciete intrekking uit artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 niet geïmplementeerd. De strekking van de nationale rechtspraak op dit moment kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders worden begrepen dan dat wordt aangenomen dat de hiervoor beschreven gedragingen van een verzoeker worden aangemerkt als het niet langer prijsstellen op een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming en het als het niet langer prijsstellen op een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde rechtsmiddel en de gronden die in dat rechtsmiddel zijn aangedragen en dus als een impliciete intrekking van dat rechtsmiddel. De rechtbank is het dan ook niet eens met de nationale rechtspraak waarin wordt aangenomen dat het niet-ontvankelijk verklaren een regel van nationaal procesrecht is die kan worden toegepast om het Unierecht ten uitvoer te brengen. 37. Een Unierechtelijke regeling over de impliciete intrekking van een rechtsmiddel ontbreekt ook niet, deze regeling is alleen niet dwingend voorgeschreven maar door de Uniewetgever als een bevoegdheid voor de lidstaten opgenomen in richtlijn 2013/32. De Uniewetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat indien de lidstaten in hun nationale rechtsorde een regeling willen opnemen voor een impliciete intrekking van een rechtsmiddel, een dergelijke regeling een wettelijke basis vereist. De rechtbank stelt vast, net zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de hiervoor genoemde uitspraak van 1 juli 2024 heeft gedaan, dat er geen nationale wettelijke basis bestaat om gedragingen van een verzoeker om internationale bescherming als impliciete intrekking van zijn rechtsmiddel te kwalificeren. 38. De rechtbank meent dat het in rechtspraak ontwikkelen van een dergelijke regeling en de voorwaarden voor toepassing hiervan, een beperking inhoudt van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en deze rechtspraak daarom als onverenigbaar met 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet worden beschouwd. De rechtbank wijst in dit verband tevens op artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin de Uniewetgever onder meer heeft bepaald dat beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Het aanmerken van feitelijke gedragingen als een impliciete intrekking van het rechtsmiddel moet dan, naar het oordeel van de rechtbank, ook worden aangemerkt als een in de rechtspraak ontwikkelde beperking van het in het Handvest verankerde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en daarmee dus als onverenigbaar met het Unierecht. Het niet inhoudelijk beoordelen of het beginsel van non-refoulement aan het besluit van verweerder en het uitvoeren hiervan in de weg staat is zonder meer een aanzienlijke beperking van de wezenlijke inhoud van het grondrecht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. 39. Ook indien de rechter “voorzichtig” omgaat met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van “een MOB-melding” zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dit voorstaat, betekent dit nog steeds dat een nationale wettelijke basis ontbreekt voor de beperking van het Unierechtelijke grondrecht op een daadwerkelijk rechtsmiddel dat verzoeker in het hoofdgeding toekomt en welk rechtsmiddel ertoe strekt om te beoordelen of verzoeker bescherming behoeft en verweerder dat niet heeft onderkend. 40. De rechtbank meent dit ook af te kunnen leiden uit het arrest van het Hof van 3 juli 2025 in de zaak Al Nasiria , waarin het Hof preciseert dat dat richtlijn 2013/32 weliswaar geen specifieke eisen stelt aan de procedurele verplichtingen van de verzoeker bij de behandeling van het daadwerkelijke rechtsmiddel tegen een beslissing tot afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming, maar dat artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 de lidstaten toestaat om in de nationale wetgeving de voorwaarden vast te leggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker het in lid 1 van dat artikel 46 bedoelde rechtsmiddel impliciet heeft ingetrokken of impliciet daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd. Uit de verduidelijking die het Hof heeft verschaft in dit arrest volgt, naar het oordeel van de rechtbank, ook dat het aannemen van een impliciete intrekking van een rechtsmiddel alleen verenigbaar is met het Unierecht als hiervoor een nationale wettelijke basis is. 41. De rechtbank verzoekt het Hof daarom allereerst om te verduidelijken of de wijze waarop in Nederland in een situatie als in het hoofdgeding aan de orde, doorgaans wordt beslist over de ontvankelijkheid, afbreuk doet aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals dat is gegarandeerd in artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32. 42. De rechtbank verzoekt het Hof voorts te verduidelijken wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 in het hoofdgeding heeft om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. 43. Vanaf het moment dat de beslissing op het verzoek om internationale bescherming is genomen, valt verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 en is sprake van illegaal verblijf, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115. Verzoeker voldeed vanaf dat moment namelijk niet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in Nederland en het is voorts niet in geschil dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker het grondgebied van de Unie heeft verlaten. Zolang verzoeker door het instellen van een rechtsmiddel uit hoofde van artikel 46, lid 5, van richtlijn 2013/32 op het grondgebied van Nederland mag blijven, maakt verzoeker aanspraak op opvangvoorzieningen en kan hij gebruik maken van kosteloze rechtsbijstand. Dat het rechtsmiddel dat verzoeker heeft ingesteld doeltreffend is en betekent dat hij de uitkomst van de procedure in Nederland mag afwachten en in die periode deze rechten kan effectueren, betekent niet dat gedurende deze periode geen sprake is van illegaal verblijf . Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat er ook sprake kan zijn van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat, wanneer de betreffende derdelander beschikt over een geldige verblijfsvergunning voor een andere lidstaat omdat deze lidstaat hem een internationale beschermingsstatus heeft verleend . 44. Artikel 5 van richtlijn 2008/115, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, verplicht de bevoegde nationale autoriteit om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag van Genève, alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest . Deze verplichting richt zich tot de autoriteiten van de lidstaten met inbegrip van de rechterlijke autoriteit. 45. Het Hof heeft in haar arrest Ararat van 17 oktober 2024 onder meer het navolgende uiteengezet: (…) 36. Welnu, artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 ervan, verbiedt in absolute bewoordingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, verwijdering, uitzetting of uitlevering aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat deze persoon aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Bijgevolg mogen de lidstaten een vreemdeling niet verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op door deze twee bepalingen van het Handvest verboden behandelingen [zie in die zin arresten van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C-663/21, EU:C:2023:540, punt 36, en 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije), C-352/22, EU:C:2024:521, punt 61]. Dit verbod weerspiegelt een van de fundamentele waarden van de Unie en haar lidstaten, zoals neergelegd in artikel 2 VEU, en het absolute karakter ervan houdt nauw verband met de eerbiediging van de menselijke waardigheid als bedoeld in dat artikel 2 VEU en in artikel 1 van het Handvest (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 85 en 87). (…) 40. Uit het voorgaande volgt ook dat een nationale regel of praktijk op grond waarvan de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement slechts kan worden onderzocht in het kader van een procedure inzake internationale bescherming, in strijd is met artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest.(…) (…) 41. Zoals de advocaat-generaal in essentie opmerkt in de punten 52 en 57 van zijn conclusie, kan van K en L dus niet worden verlangd dat zij een verzoek om internationale bescherming indienen krachtens richtlijn 2011/95/EU (…) teneinde de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest, te kunnen doen gelden. (…) 49. Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, de procedurevoorschriften van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 tot doel hebben te waarborgen dat een derdelander jegens wie een terugkeerbesluit is vastgesteld, niet wordt verwijderd in omstandigheden die in strijd zijn met artikel 5 van deze richtlijn. Zij beogen aldus de eerbiediging te waarborgen van het beginsel van non-refoulement dat, zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is vastgesteld, een absoluut karakter heeft. Het is aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat dit beginsel in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. (…) 50. Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie benadrukt, zou de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde en in artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 geconcretiseerde rechterlijke bescherming immers noch doeltreffend noch volledig zijn indien de nationale rechter niet verplicht zou zijn om ambtshalve vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden wanneer de hem ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor hem gevoerde procedure op tegenspraak, lijken aan te tonen dat het terugkeerbesluit berust op een achterhaalde beoordeling van de door dit beginsel verboden risico’s op behandelingen die de betrokken derdelander loopt indien hij naar het betrokken derde land zou terugkeren, en om daaraan alle consequenties te verbinden voor de uitvoering van dat besluit. Een beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter ter zake zou tot gevolg kunnen hebben dat het besluit in kwestie wordt uitgevoerd, ook al wijzen die elementen erop dat de betrokkene in dat derde land aan dergelijke door artikel 4 van het Handvest absoluut verboden behandelingen zou kunnen worden onderworpen [zie in die zin arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve onderzoek van de bewaring), C-704/20 en C-39/21, EU:C:2022:858, punt 94]. 51. Het bestaan van deze verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, geldt op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming als in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding, die is ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht. Zoals blijkt uit de punten 31 tot en met 34 van het onderhavige arrest, is richtlijn 2008/115, waarvan artikel 13, leden 1 en 2, de grondslag vormt voor die verplichting, immers van toepassing op iedere onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft. (…) 46. In het hoofdgeding ontleent verzoeker geen rechtsmiddel aan artikel 13 van richtlijn 2008/115 omdat verweerder geen terugkeerbesluit en/of inreisverbod heeft uitgevaardigd. Artikel 13 van richtlijn 2008/115 is echter, net als artikel 46 van richtlijn 2013/32, een concretisering van de rechterlijke bescherming die als grondrecht is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank meent dan ook dat deze uitlegging van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 van toepassing kan worden geacht in het hoofdgeding, waarin verweerder deze richtlijn ten uitvoer legt door een bevel op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 jegens verzoeker uit te vaardigen en verzoeker aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel ontleent. 47. Gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, zou het te allen tijde en in elke procedure aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties zijn om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat het beginsel van non-refoulement in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. 48. De rechtbank overweegt voorts vast dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 dwingend en zonder voorwaarden of voorbehoud verplichtingen oplegt aan de lidstaten en dat in deze richtlijn geen mogelijkheid aan lidstaten is geboden om een rechtsmiddel als impliciet ingetrokken te beschouwen of om daarvoor een nationale wettelijke basis vast te stellen. Richtlijn 2008/115 voorziet in een recht op rechtsbijstand en voorziet in waarborgen in afwachting van terugkeer. De Uniewetgever verplicht illegaal verblijvende derdelanders niet om gebruik te maken van deze rechten en voorziet niet in procedurele verplichtingen in de periode gelegen tussen de bekendmaking van het besluit op grond van deze richtlijn en de uitspraak op het ingestelde rechtsmiddel. De rechtbank meent evenwel dat, daargelaten dat hiervoor een wettelijke basis zou zijn vereist gelet op artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het niet tot de procedurele autonomie van de lidstaten behoort om in de rechtspraak regels aan te nemen waarin het grondrecht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt beperkt en geen inhoudelijke beoordeling van het beginsel van non-refoulement hoeft plaats te vinden in de omstandigheden als in het hoofdgeding aan de orde. De nationale rechtspraak kan immers het absolute karakter niet aan het refoulementverbod ontnemen en de nationale rechtspraak kan het Unierechtelijke recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel niet beperken en teniet doen gaan, ook niet indien de gedragingen van de illegaal verblijvende derdelander op zichzelf genomen als onwenselijk worden beschouwd. De rechtbank meent dan ook dat nu de redenen niet bekend zijn waarom verzoeker thans geen gebruik meer maakt van zijn recht op opvang en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde en niet is verschenen in de rechtbank, de niet-ontvankelijk verklaring van zijn beroep niet verenigbaar is met dit absolute karakter van het beginsel van non-refoulement. In het hoofdgeding heeft te gelden dat de rechtbank, indien zij een inhoudelijke beoordeling moet verrichten van de aanzegging van verweerder aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven, de rechtbank dit besluit zou vernietigen omdat deze aanzegging in strijd met het beginsel van non-refoulement is. Indien de rechtbank niet verplicht zou zijn om het beroep van verzoeker en het besluit van verweerder inhoudelijk te beoordelen en niet verplicht zou zijn om vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden door verzoeker te bevelen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven, kan de rechtbank de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke bescherming, die doeltreffend en volledig moet zijn, niet bieden. 49. De laatste vraag die in het hoofdgeding opkomt is de vraag of de rechtbank, die op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een doeltreffende voorziening in rechte moet bieden, een bindende uitspraak mag doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming indien de beslisautoriteit het verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 omdat de Griekse autoriteiten reeds een internationale beschermingsstatus aan verzoeker hebben verleend. 50. Het Hof heeft in de eerder genoemde arresten van 4 juni 2026 in de zaken Quotal en Ebilum onder meer het navolgende voor recht verklaard: (…) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, een bindende uitspraak te doen en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken. (…) 51. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming niet inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen. Verweerder heeft de keuze gemaakt om van de bevoegdheid gebruik te maken die de lidstaten in beginsel hebben om een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 omdat een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend. De behandeling van het verzoek door verweerder is een essentiële fase van de bij richtlijn 2013/32 ingevoerde gemeenschappelijke procedures. Deze fase heeft echter reeds plaatsgevonden voordat verweerder heeft beslist om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft verzoeker namelijk niet alleen gehoord over de omstandigheden waarin hij in Griekenland heeft verkeerd, maar heeft verweerder ook uitgebreid gehoord over zijn redenen om Eritrea te ontvluchten. Op 29 september 2025 was verweerder zonder meer in staat om te beslissen of het verzoek om internationale bescherming gegrond moest worden verklaard en om te beslissen of aan verzoeker een internationalebeschermingsstatus moest worden verleend. Indien verweerder wel inhoudelijk op het verzoek zou beslissen, zou er geen nader gehoor of andere onderzoekshandelingen meer hoeven te worden verricht. Verweerder had verzoeker niet alleen tweemaal gehoord, verweerder was op dat moment terdege op de hoogte van het situatie in het land van herkomst. Verweerder voert immers specifiek landgebonden beleid dat betrekking heeft op de positie van dienstplichtigen en reservisten in Eritrea en wat de positie is bij illegale uitreis . Verweerder verleent bovendien internationale bescherming in deze specifieke situaties. Verweerder heeft verzoeker op 30 april 2024 gehoord en in dat gehoor is door de hoormedewerker gezegd dat op dat moment de situatie van statushouders in Griekenland nader werd beoordeeld en het verzoek daarom vooralsnog in de nationale procedure zou worden behandeld. Verweerder beschikte op dat moment niet over voldoende informatie over Griekenland om verzoeker een bevel te kunnen geven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. Daargelaten dat verweerder meent dat hij het nemen van een beslissing op het verzoek om internationale bescherming mag uitstellen om te bezien of de situatie voor ‘Griekse statushouders’ zal verbeteren ten opzichte van de situatie die ten grondslag ligt aan de eerder beschreven rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over ‘Griekse statushouders’, had de behandeling van het verzoek in wezen kunnen worden beëindigd. Ten tijde van het besluit hanteerde verweerder de werkwijze dat het beslissen zo lang mogelijk binnen de wettelijke beslismogelijkheden werd uitgesteld om zo mogelijk de bevoegdheid te kunnen herkrijgen om derdelanders die door de Griekse autoriteiten in het bezit waren gesteld van een verblijfsvergunning terug te kunnen sturen . Verweerder heeft verzoeker op 23 september 2025 nogmaals gehoord over zowel zijn redenen om Eritrea te ontvluchten, als om de redenen om niet langer in Griekenland te trachten om zijn rechten als statushouder te effectueren. 52. De essentiële fase is in wezen afgerond, zeker na het tweede gehoor van verzoeker op 23 september 2025, en verweerder heeft de keuze gemaakt om niet zelf over de beschermingsbehoefte, die reeds door de Griekse autoriteiten is vastgesteld, te beslissen terwijl hij op grond van de twee gehoren en zijn landgebonden beleid daartoe zonder meer in staat zou zijn geweest. Zoals het Hof in de bovengenoemde arresten van 4 juni 2026 en onder verwijzing naar het arrest van 29 juli 2019 in de zaak Torubarov , ook heeft verduidelijkt is verweerder niet bij uitsluiting bevoegd om verzoeken om internationale bescherming te beoordelen en uitspraak te doen over de gegrondheid ervan. De Uniewetgever heeft door te bepalen dat de rechterlijke instantie die bevoegd is om uitspraak te doen op een rechtsmiddel tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming indien van toepassing „de behoefte aan internationale bescherming” van de verzoeker moet onderzoeken, met de vaststelling van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, deze rechterlijke instantie, indien zij van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de bevoegdheid willen verlenen om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek – dat wil zeggen een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van deze gegevens – een bindende uitspraak te doen over de vraag of deze verzoeker voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2011/95 om internationale bescherming te krijgen. 53. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de rechtbank in het hoofdgeding, waarin verweerder het verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard, bevoegd is om een volledig en ex nunc onderzoek te verrichten van de feitelijke en juridische elementen en van de behoefte aan internationale bescherming van verzoeker en bevoegd is om hierover een bindende uitspraak te doen. De rechtbank overweegt hierbij dat zij van oordeel is dat zij beschikt over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens en in staat is om een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van deze gegevens te verrichten, maar partijen, indien zij dat wensen, in dat geval in de gelegenheid zal stellen om zich hier nader over uit te laten. De rechtbank meent dat artikel 46 van richtlijn 2013/32 zich niet verzet tegen de bevoegdheid voor de rechterlijke instantie bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om internationale bescherming om over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, een bindende uitspraak te doen, maar verzoekt het Hof om te preciseren wat de omvang van de verplichting van de rechtbank in het hoofdgeding is om een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden en of deze verplichting de bevoegdheid omvat om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. Conclusie en prejudiciële vragen 54. Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. 55. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, maar een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115. 56. Verzoeker heeft op 16 juni 2026, in afwachting van de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 29 september 2025 door de rechtbank, de opvanglocatie verlaten zonder aan verweerder mede te delen waar hij zal verblijven. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank medegedeeld dat zij ten tijde van de behandeling van het beroep door de rechtbank geen contact heeft met verzoeker en ook geen contact met hem kan krijgen. 57. Verzoeker is in de fase in de procedure waarin hij in afwachting is van de behandeling van zijn beroep niet verplicht om gebruik te maken van opvangvoorzieningen en verzoeker is niet verplicht om contact te houden met zijn advocaat. Verzoeker heeft het recht om in persoon in de rechtbank te verschijnen als de rechtbank zijn beroep behandelt, maar is daartoe niet verplicht. Het onderzoek ter zitting heeft op tegenspraak plaatsgevonden omdat de gemachtigde verzoeker heeft vertegenwoordigd. Daarvoor is niet vereist dat de gemachtigde in de rechtbank verschijnt als de rechtbank het beroep van verzoeker behandelt. Verzoeker is gedurende de fase waarin verweerder zijn verzoek heeft onderzocht steeds beschikbaar gebleven voor de autoriteiten en heeft aan alle verzoeken van verweerder gehoor gegeven. Verzoeker heeft bij het aanmelden bij de Nederlandse autoriteiten een echt bevonden identiteitskaart overgelegd die zijn verklaringen over zijn geboortedatum en nationaliteit bevestigen. Verzoeker heeft consistent en in overeenstemming met gegevens zoals die blijken uit openbare bronnen verklaard over zowel Eritrea als Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben aan verzoeker internationale bescherming verleend. De internationalebeschermingsstatus duurt thans voort. Er is niet gebleken dat verzoeker de Griekse autoriteiten heeft verzocht om deze status in te trekken en er is niet gebleken dat de Griekse autoriteiten voornemens zijn om dit uit eigen beweging te zullen doen. 58. Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. Een vertrek uit de Unie is niet in het Schengeninformatiesysteem geregistreerd en een vertrek uit Nederland en de Unie blijkt ook niet uit de door verweerder op verzoek van de rechtbank voorafgaand aan het onderzoek ter zitting gecontroleerde systemen van de uitvoeringsdiensten. Verweerder heeft ook niet aangegeven dat hij een bericht van een andere lidstaat heeft ontvangen over de aanwezigheid van verzoeker op hun grondgebied. De rechtbank acht het, gelet op de verklaringen van verzoeker over zijn redenen om Eritrea te ontvluchten en de verklaringen van verzoeker over Griekenland, buitengewoon onwaarschijnlijk dat verzoeker thans is teruggekeerd naar Eritrea of Griekenland. Verweerder heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om dit na te gaan bij de Griekse autoriteiten. 59. Verweerder neemt op basis van vaste nationale rechtspraak aan dat de omstandigheid dat verzoeker in deze fase van de procedure geen gebruik maakt van zijn recht op opvang en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, betekent dat verzoeker geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep door de rechtbank. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de rechtbank het rechtsmiddel van verzoeker niet inhoudelijk moet beoordelen en verzoeker in het hoofdgeding niet-ontvankelijk moet verklaren. 60. De Uniewetgever heeft de lidstaten in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 de mogelijkheid gegeven om in hun nationale wetgeving voorwaarden vast te leggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in artikel 46, lid 1, van deze richtlijn impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien. Nederland heeft de mogelijkheid van impliciete intrekking van artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 niet geïmplementeerd. De strekking van de nationale rechtspraak op dit punt kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders worden begrepen dan dat wordt aangenomen dat de hiervoor beschreven gedragingen van een verzoeker worden aangemerkt als het niet langer prijsstellen op een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming en het als het niet langer prijsstellen van een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde rechtsmiddel en de gronden die in dat rechtsmiddel zijn aangedragen en dus als het impliciet intrekken van het rechtsmiddel of het daarvan afzien. 61. De rechtbank meent dat de nationale rechtspraak het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, dat is geconcretiseerd in artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32, inperkt en gelet op het ontbreken van een wettelijke grondslag hiervoor in strijd moet worden geacht met het Unierecht. 62. Artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht de lidstaten om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, ongeacht het gedrag van de betrokken illegaal verblijvende derdelander. Deze verplichting richt zich tot de autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de rechterlijke autoriteit. Gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, zou het te allen tijde en in elke procedure aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties moeten zijn om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat het beginsel van non-refoulement in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. De rechtbank komt, indien de rechtbank het beroep van verzoeker inhoudelijk beoordeelt, tot de conclusie dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen het geven van een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. Het absolute karakter van het refoulementverbod lijkt dan ook in de weg te staan aan het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van verzoeker. Dit zou namelijk betekenen dat dit bevel definitief wordt en dit zou ook betekenen dat verweerder, indien verzoeker zich weer bij hem meldt, verplicht is om ingevolge artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Verweerder kan evenwel niet aan deze verplichting voldoen omdat de Griekse autoriteiten aan verzoeker internationale bescherming hebben verleend. 63. Het Hof heeft verduidelijkt dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, een bindende uitspraak te doen. De rechtbank meent dat de rechtbank in het hoofdgeding ook over deze bevoegdheid zou moeten kunnen beschikken om een daadwerkelijk rechtsmiddel aan verzoeker te kunnen bieden. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaard in plaats van inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Verweerder was daartoe echter wel in staat geweest omdat verweerder verzoeker niet alleen over de omstandigheden waarin hij in Griekenland heeft verkeerd heeft gehoord, maar ook uitgebreid tweemaal heeft gehoord over zijn redenen om uit Eritrea te vluchten en bovendien specifiek landgebonden beleid heeft over verzoekers uit Eritrea die vrezen na terugkeer in militaire (reservisten-)dienst te moeten of die Eritrea illegaal zijn uitgereisd. De rechtbank beschikt over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens en is in staat om een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van deze gegevens te verrichten om zodoende een uitspraak te kunnen doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming en zal partijen in geval de rechtbank op grond van het Unierecht hiertoe bevoegd is, in de gelegenheid zal stellen om zich hier nader over uit te laten indien zij dat wensen. 64. Verzoeker is gevlucht uit Eritrea en aan hem is door de Griekse autoriteiten internationale bescherming verleend. Indien het Hof het Unierecht aldus uitlegt dat de rechtbank in het hoofdgeding geen inhoudelijk oordeel mag geven over het bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven en geen inhoudelijk oordeel mag geven over de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming, is de rechtbank niet ten volle in staat om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen en daardoor ook niet in staat om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden. De rechtbank zou namelijk, indien zij hiertoe wel bevoegd en zo mogelijk verplicht is, vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat. De rechtbank zou in dat geval verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Indien verzoeker zich niet meldt bij verweerder, zal verweerder niet in staat zijn om aan verzoeker een verblijfsvergunning gebaseerd op de internationalebeschermingsstatus te verlenen. Dit gevolg komt dan voor rekening van verzoeker, die zolang hij geen verblijfsvergunning van verweerder krijgt, zijn rechten als statushouder niet in Nederland kan effectueren. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit echter niet rechtvaardigen dat de rechtbank zijn beroep niet-ontvankelijk zou moeten verklaren. Verweerder is in staat om te erkennen dat verzoeker in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming, ook als hij niet onverwijld in de gelegenheid zou zijn om aan verzoeker een verblijfsvergunning te verlenen. De omvang van de verplichting van de rechtbank om verzoeker een doeltreffende voorziening in rechte te bieden kan niet afhankelijk worden gesteld van de mogelijkheid van verweerder om onverwijld een verblijfsvergunning aan verzoeker te verlenen. Indien van een illegaal verblijvende derdelander niet verwacht kan worden dat hij een verzoek om internationale bescherming indient teneinde de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement te kunnen doen gelden, kan aan de omstandigheid dat verweerder op dit moment geen verblijfsvergunning aan verzoeker zou kunnen verlenen, niet het gevolg worden verbonden dat de rechtbank niet verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeer van verzoeker naar Griekenland en Eritrea en indien dit het geval is, dit dan ook vast te stellen. 65. De rechtbank overweegt dat verzoeker een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn verzoek om internationale bescherming en dat verzoeker en/of zijn gemachtigde dat rechtsmiddel niet heeft ingetrokken. Verzoeker maakt in deze fase van de procedure in afwachting van de uitspraak over de gegrondheid van zijn rechtsmiddel, geen gebruik van zijn recht op opvang en onderhoudt geen contact met zijn gemachtigde. Er is geen echter geen wettelijke basis om deze gedragingen aan te merken als een impliciete intrekking van het rechtsmiddel. Een dergelijke aanname is bovendien niet verenigbaar met het absolute karakter van het refoulementverbod. Indien het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan het geven van een bevel aan verzoeker om zich naar Griekenland te begeven, maar de rechtbank dat bevel niet kan verbieden, is de rechterlijke bescherming die de rechtbank kan bieden, noch doeltreffend noch volledig en is er geen sprake van een daadwerkelijk rechtsmiddel. 66. Afhankelijk van de wijze waarop het Unierecht moet worden uitgelegd en moet worden toegepast in het hoofdgeding, is de rechtbank verplicht, dan wel bevoegd om einduitspraak te doen en verweerder op te dragen om, net als de Griekse autoriteiten, aan verzoeker een internationale beschermingsstatus te verlenen. Het belang van verzoeker in het hoofdgeding bij een inhoudelijke beoordeling van zijn rechtsmiddel en een inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van zijn verzoek is buitengewoon aanzienlijk. 67. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om nadere uitlegging van het Unierecht door de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden: 1) Dient artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen een beslissing op een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een inhoudelijk oordeel te geven over dit beroep indien de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 neergelegde bevoegdheid en een wettelijke basis ontbreekt om dit verzoek als impliciet ingetrokken te beschouwen en niet-ontvankelijk te verklaren omdat de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 2) Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 4, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen het bevel om zich op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 naar een andere lidstaat te begeven, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, ook indien de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten? 3) Dient artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken? 68. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan. Beslissing De rechtbank: -verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 67 geformuleerde vragen; -schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 augustus 2026. Rechtsmiddel Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. In de nationale procedure wordt een verzoeker aangeduid met ‘eiser’. Schengeninformatiesysteem. Formulier ten behoeve van documentonderzoek van 9 januari 2024 van de Koninklijke Marechaussee, afdeling Falsificaten. Verweerschrift 28 juli 2026, pagina 1. Aanvulling gronden van beroep van 28 juli 2026. Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892, punt 36.