Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:22808
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30763 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.V. Le), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van den Burg). Procesverloop Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Presentatie van eiser aan de Algerijnse autoriteiten 1. Eiser betoogt dat verweerder hem op 13 mei 2026 niet had mogen presenteren aan de Algerijnse autoriteiten, omdat de uitkomst van zijn asielaanvraag in verband met zijn hoger beroepsprocedure nog niet in rechte vast is komen te staan. Eiser stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5547, dat verweerder hiermee voor hem een onaanvaardbaar risico in het leven heeft geroepen. Als gevolg hiervan meent eiser dat het handelen van verweerder in strijd is geweest met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het beginsel van non-refoulement. 2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de door eiser aangehaalde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het niet is toegestaan om een vreemdeling in persoon te presenteren “voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door de vreemdeling ingestelde beroep” (overweging 6.1). Volgens de Afdeling kan een dergelijke presentatie verstrekkende en onomkeerbare gevolgen hebben en daarmee in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement en de doeltreffendheid van het rechtsmiddel. Het risico dat bij een presentatie in persoon in strijd zou kunnen worden gehandeld met het beginsel van non-refoulement, en daarmee ook de doeltreffendheid van het rechtsmiddel niet kan worden gegarandeerd, is naar het oordeel van de Afdeling dusdanig groot, dat de presentatie in persoon niet mag plaatsvinden voordat de rechter de afwijzing van de asielaanvraag in beroep heeft getoetst. De Afdeling overweegt ook dat een vreemdeling in de meeste gevallen pas wordt gepresenteerd nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan (overweging 6.3). 3. De Afdeling verwijst daarbij naar het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) (19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465). Daarin is geoordeeld dat de bescherming die op het gebied van terugkeerbesluiten en eventuele verwijderingsbesluiten besloten ligt in het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het beginsel van non-refoulement, moet worden verzekerd door een recht op een doeltreffend beroep met van rechtswege schorsende werking bij ten minste één rechterlijke instantie. 4. Uit deze jurisprudentie volgt dus niet dat een vreemdeling pas aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst mag worden gepresenteerd na de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. Beroep bij de rechtbank is voldoende. Ten tijde van de presentatie van eiser op 13 mei 2026 was zijn beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag (NL25.39290 ) door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 2 december 2025 ongegrond verklaard. De hogerberoepsprocedure was aanhangig bij de Afdeling, maar van schorsende werking ten aanzien het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit was toen geen sprake meer. Eiser was dus uitzetbaar en verweerder was bevoegd uitzettingshandelingen te verrichten, waaronder het presenteren van eiser aan de autoriteiten van Algerije. 5. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder door Hij stelt daartoe dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn asielaanvraag louter is ingediend om zijn uitzetting te belemmeren. Eiser wijst erop dat hij tijdens het vertrekgesprek van 24 april 2026 reeds heeft aangegeven dat hij, als het door hem ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag ongegrond zou worden verklaard, met zijn asieladvocaat wilde overleggen over de mogelijkheid om op basis van nieuwe stukken een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Volgens eiser hangt de timing van zijn aanvraag, die is ingediend op de dag na de uitspraak in hoger beroep van 20 mei 2026, samen met dit overleg en met de vertaling van aanvullende stukken. Eiser benadrukt daarbij dat hij zijn nieuwe asielaanvraag heeft onderbouwd met stukken die hij niet eerder heeft kunnen overleggen. 12. De rechtbank overweegt dat voldoende bewaringsgronden aanwezig zijn om de maatregel te dragen omdat verweerder de bewaring op de b-grond kon baseren. Toch zal de rechtbank, op verzoek van eiser, een oordeel geven over de toepassing van deze bewaringsgrond. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat eiser de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen en is de c-grond dus onvoldoende gemotiveerd (het zijn cumulatieve vereisten). 13. In de maatregel staat hierover: “nu betrokkene wederom een asielaanvraag heeft ingediend, op het moment dat hij te horen heeft gekregen dat zijn hoger beroep is afgewezen, is het vermoeden dat hij dit louter en alleen heeft gedaan om zijn uitzetting te ontwijken, belemmeren of frustreren (p. 6).” 14. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar meerdere asielaanvragen heeft gedaan in Nederland, maar zijn asielmotieven één keer inhoudelijk zijn beoordeeld (vanwege de Dublinprocedure). Daarmee is voldaan aan de eerste twee vereisten voor toepassing van de c-grond, maar nog niet aan de derde. Eiser heeft tijdens een vertrekgesprek op 24 april 2026 in een vertrekgesprek gezegd dat hij nieuwe bewijzen heeft aangeleverd en dat hij hoopt dat de hoge rechter deze nieuwe bewijzen meeneemt (p. 1). De Afdeling heeft het hoger beroep op 20 mei 2026 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2026:2817). Eiser heeft dit tijdens het eerste daaropvolgende vertrekgesprek op 21 mei 2026 te horen gekregen en heeft toen gevraagd of hij tijd heeft om met de advocaat in overleg te gaan (p. 1). Op 27 mei 2026 heeft hij een nieuwe asielaanvraag ingediend. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 6 juni 2026 heeft hij 5 stukken overlegd die volgens hem nieuw waren. In het licht hiervan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met de enkele verwijzing naar de timing van de nieuwe asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd dat zijn herhaalde asielaanvraag louter is ingediend om zijn uitzetting te frustreren. Dat de onderbouwing van een nieuwe asielaanvraag niet doorslaggevend is en dat eiser de stukken waarvan hij zegt dat ze nieuw zijn nog niet had ingediend toen de maatregel werd opgelegd, maakt dit niet anders (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4753, overweging 5.1). Lichter middel 15. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij voert daarbij aan dat hij zich voor lange periodes beschikbaar heeft gehouden voor verweerder en heeft meegewerkt aan de presentatie aan de Algerijnse autoriteiten. 16. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afd