Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:22640
Asiel Egypte, politiek opposant, asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser een verblijfsvergunning in Turkije heeft en daar reeds 10 jaar heeft gewoond, artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw, artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit, beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.4056 (beroep) NL26.4057 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2000, van Egyptische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser, (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratierecht, verweerder (gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw). Inleiding 1. Met het besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en meneer B. Ghaly, als tolk in de Arabische taal. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Egypte verlaten omdat er twee rechtszaken tegen hem zijn aangespannen vanwege zijn politieke activiteiten. Hij heeft in 2014 meegedaan aan demonstraties, waarna hij in september 2014 werd aangehouden en in detentie heeft gezeten. In 2015 besloot eiser daarom om Egypte te verlaten. Eiser is naar Turkije gevlucht en heeft daar van augustus 2015 tot december 2025 verbleven, eerst met een studentenvisum en vanaf 2020 met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser vreest dat deze zal worden ingetrokken, zoals dat ook bij zijn oom is gebeurd. Hier vreest eiser voor omdat door de verbeterde banden tussen Egypte en Turkije de laatste tijd steeds meer politiek activisten en dissidenten worden verzocht het land te verlaten. Besluitvorming 4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft namelijk een geldige verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Turkije en kan daarmee anderszins voldoende bescherming genieten in Turkije . Uit eisers verklaringen en de overgelegde documenten is gebleken dat eiser in Turkije voldoende bescherming geniet, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement en dat eiser opnieuw zal worden toegelaten tot het Turkse grondgebied. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser sinds de ingang van zijn verblijfsvergunning Turkije meermaals verlaten heeft en steeds weer heeft kunnen terugkeren. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat Turkije een veilig land is voor eiser. Verweerder overweegt daartoe dat Turkije partij is bij de relevante mensenrechtenverdragen en dat er informatie beschikbaar is over hoe Turkije omgaat met het non-refoulementbeginsel. Ook blijkt uit eisers verklaring dat hij tijdens zijn langdurig verblijf in Turkije geen problemen heeft ervaren met de Turkse autoriteiten. Verder meent verweerder dat ondanks dat is gebleken dat de diplomatieke banden tussen Turkije en Egypte de laatste jaren zijn versterkt, er niet is gebleken dat dit heeft geleid tot de systematische, gedwongen uitlevering van Egyptenaren vanuit Turkije. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Turkije ten aanzien van hem niet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb voldoet. Het standpunt van eiser 5. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat het aan verweerder is om aan te tonen dat eiser ‘anderszins voldoende bescherming geniet’ in Turkije, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement. Verweerder is daar volgens eiser niet in geslaagd. Eiser heeft daarbij verwezen naar vergelijkbare voorbeelden die erop wijzen dat hij in Turkije niet voldoende bescherming zal krijgen. Eiser vreest namelijk dat zijn verblijfsvergunning zal worden ingetrokken, zoals dat ook bij zijn oom is gebeurd, en dat hij zal worden uitgezet naar Egypte waar hij gevaar loopt vanwege zijn politieke uitingen. Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader 6. De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. Verweerder heeft eisers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit deze bepaling volgt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling die de aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten. Eiser geniet volgens verweerder ‘anderszins voldoende bescherming’ in Turkije, omdat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op de zitting is desgevraagd door eiser toegelicht dat deze verblijfsvergunning geen vluchtelingrechtelijke bescherming biedt, maar het karakter heeft van een humanitaire verblijfsvergunning. 7. Verweerder kan een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ook niet-ontvankelijk verklaren op grond van sub c) van ditzelfde artikel als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. In het geval van Turkije heeft verweerder, zo volgt uit het Informatiebericht 2024/26 , bepaald dat Turkije in het algemeen niet als veilig derde land kan worden beschouwd. Verweerder zal dus Turkije in beginsel niet als veilig derde land tegenwerpen en zal een asielaanvraag niet op deze grond niet-ontvankelijk verklaren. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de omstandigheid dat Turkije geen veilig derde land is, tot gevolg dat niet snel sprake zal zijn van ‘anderszins voldoende bescherming’ in datzelfde land. Op grond van artikel 3.106a van het Vb gelden immers dezelfde toetsingsvoorwaarden voor sub b (– “anderszins voldoende bescherming”) als voor sub c (– “veilig derde land”) van artikel 30a van het Vw. Hieruit volgt dat een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c van de Vw, indien alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de in artikel 3.106a van het Vb genoemde beginselen zal worden behandeld. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat aan al deze voorwaarden wordt voldaan. Standpunt van verweerder 8. Uit de landeninformatie blijkt volgens verweerder niet dat er sprake is van een patroon waarbij de verblijfsvergunningen van Egyptenaren systematisch worden ingetrokken. De casussen waar eiser naar verwijst zijn slechts individuele gevallen. Het betreft enkel vooraanstaande opposanten van de Egyptische autoriteiten. Het is dan ook niet aannemelijk dat de Turkse autoriteiten op deze wijze tegen alle Egyptenaren in Turkije optreden. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat niet is gebleken dat de Egyptische autoriteiten zodanig interesse in eiser hebben, dat zij de Turkse autoriteiten zouden aansturen om zijn verblijfsvergunning in te trekken. Bovendien heeft eiser langdurig in Turkije kunnen verblijven zonder problemen en heeft hij in het verleden herhaaldelijk probleemloos kunnen terugkeren naar Turkije vanuit het buitenland. Eiser is er hiermee niet in geslaagd aannemelijk te maken dat Turkije ten aanzien van eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb. Oordeel van de rechtbank 9. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Turkse autoriteiten ten aanzien van hem niet voldoen aan de beginselen uit artikel 3.106a van het Vb. Het is namelijk aan verweerder om dit te onderzoeken en aannemelijk te maken. De rechtbank stelt verder vast dat uit de door eiser aangehaalde landeninformatie het volgende naar voren komt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2025 volgt: “In de voorgaande verslagperiode verschenen er berichten dat de Turkse autoriteiten Syriërs uitzetten naar Syrië. Ook in de verslagperiode verschenen er dergelijke meldingen. Bronnen hadden hierover verhalen opgevangen. Voorafgaand aan hun uitzetting waren zij in detentie gehouden en hadden onder dwang, al dan niet fysiek, een formulier moeten ondertekenen. In dit formulier hadden zij getekend voor hun ‘vrijwillige’ terugkeer. De redenen voor een uitzetting liepen uiteen. In sommige gevallen had betrokkene zonder reisvergunning buiten diens provincie van registratie gereisd. In andere gevallen hadden de buren een klacht tegen hem of haar ingediend. De omvang van de uitzetting van Syriërs en andere buitenlanders was zorgelijk .” Uit een rapport van The Egyptian Human Rights Forum en The Egyptian Front for Human Rights volgt dat: “Several dissidents and human rights defenders have already been deported to Egypt by the authorities of states with which Egypt has resumed diplomatic ties, such as Turkey. In some cases, the Turkish authorities have deported them to Egypt knowing that they are dissidents, on the pretext that they do possess official documents such as passports (due to the denial of their applications at diplomatic missions abroad) or that their residency permits were expired or had been denied. As a result, many defenders have been retried in Egypt on politically motivated charges.” Uit een landeninformatiebrief van VluchtelingenWerk van mei 2026 volgt dat: “In een nieuwsbericht van The New Arab (Bijlage 2, 13 februari 2026) staat dat Cairo steeds vaker gebruik maakt van transnationale repressie om politieke dissidenten en activisten in het buitenland aan te pakken. In een rapport van The Egyptian Human Right Forum genoemd in het artikel, wordt een groeiende trend benadrukt waarbij landen die met Cairo verbonden zijn, Egyptische activisten arresteren deporteren, ondanks dat ze weten dat ze vervolging kunnen riskeren. Het rapport noemt Bahrein, Koeweit, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten als enkele van de staten die ervan worden beschuldigd met Egypte samen te werken in dergelijke gevallen. Turkije, dat lange tijd als toevluchtsoord voor Egyptische ballingen heeft gediend, werd ook bekritiseerd vanwege het aanscherpen van de procedures voor verblijfs- en werkvergunningen voor sommige activisten, met name die met een politiek of mediaprofiel. Dit creëert volgens het rapport een klimaat van angst en onzekerheid.” 8.1. In het licht van deze landeninformatie heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er slechts sprake is van een aantal individuele, uitzonderlijke, gevallen waarin de Turkse autoriteiten over zijn gegaan tot intrekking van verblijfsrechten van Egyptenaren en de betrokken personen hebben terug gestuurd naar Egypte. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat het in de beschikbare landeninformatie voornamelijk gaat om prominente opposanten van het Egyptische regime die te maken krijgen met problemen van de zijde van de Turkse autoriteiten. Hoewel er in de bovengenoemde bronnen voorbeelden worden gegeven van politiek opposanten met een vooraanstaande rol die naar Egypte zijn uitgezet, blijkt uit de landeninformatie niet dat het uitsluitend de meest prominente opposanten zijn die hiermee te maken krijgen. Daar komt bij dat eiser ook heeft verwezen naar de situatie van zijn oom, wiens verblijfsvergunning ook is ingetrokken. In het licht van de landeninformatie en de omstandigheid dat de verblijfsvergunning van eisers oom is ingetrokken heeft verweerder niet zonder meer kunnen betogen dat eisers verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken. Dit geldt te meer nu eiser ditmaal zal terugkeren naar Turkije nadat hij asiel heeft aangevraagd in Nederland. De omstandigheid dat eiser in het verleden meermaals Turkije heeft kunnen in- en uitreizen is onvoldoende om aan te nemen dat eiser, weer zal worden toegelaten en voldoende bescherming zal genieten in Turkije. 9. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en is het niet goed gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen, waarbij ervan uitgegaan wordt dat Turkije niet als land van ‘anderszins voldoende bescherming’ kan dienen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. 11. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiser gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. 12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak NL26.4056: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.4057: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank, in beide zaken: - bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank merkt op dat deze zaak valt onder het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact (AMP). De wetsartikelen die in deze uitspraak genoemd worden, zijn de oude wetsartikelen zoals die golden voor het AMP. In de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Het Vreemdelingenbesluit 2000. IB 2024/26 Beoordeling veilige derde landen – Turkije update. Vreemdelingenbesluit 2000. Zie paragraaf 10.7.4. ‘Transnational Repression Targeting Egyptian Human Rights Defenders in the Diaspora’, 30 september 2024. p. 33 van het rapport. ‘Turkije — Uitzetting Egyptische critici’, 28 mei 2026. ‘Egypt targets dissidents abroad, punishes families at home’.