Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:22477
Asiel. Artikel 3 EVRM, kennelijk ongegrond, verblijfsvergunning regulier buiten schuld beleid voor AMV, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13959 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.C. Kaptein), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R. Radema). Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2008. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Marokko niet op school gezeten. Eisers familie had weinig geld om rond te komen waardoor hij vaak van huis is weggelopen. Eiser is verslaafd geraakt en werd mishandeld door zijn ouders. Eiser is naar Nederland gekomen voor een betere toekomst en om zijn ouders financieel te steunen. Eiser kan niet terugkeren naar Marokko omdat hij daar geen perspectief heeft. Bij terugkeer vreest eiser voor de militaire dienstplicht. Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Mishandeling door zijn ouders 2.1. Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief laat verweerder in het midden en leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw, omdat eiser een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid vormt. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) toe te kennen (op grond van paragraaf A3/6.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)). Beoordeling door de rechtbank Artikel 3 van het EVRM 3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, omdat hij opnieuw in een situatie van diepgaande materiële deprivatie terecht zal komen. Voor zijn vertrek uit Marokko leefde eiser als minderjarige op straat, was hij verslaafd en waren zijn ouders, als gevolg van armoede, niet in staat om voor hem te zorgen. Bovendien werd hij door zijn ouders mishandeld. Daarmee is eiser in het verleden reeds blootgesteld aan ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn vormt het feit dat een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade een duidelijke aanwijzing dat sprake is van een reëel risico op herhaling. Dit uitgangspunt is eveneens neergelegd in artikel 31, vijfde lid, van de Vw, waarin is bepaald dat eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade een duidelijke aanwijzing vormt dat de vrees voor vervolging dan wel het risico op ernstige schade gegrond is, tenzij goede redenen bestaan om aan te nemen dat deze zich niet opnieuw zal voordoen. Deze goede redenen heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Verweerder miskent dat op het moment dat een minderjarige jongen verslaafd op straat leeft, dit verder gaat dan ‘economische slechte omstandigheden’, en er wel degelijk sprake is van een situatie van diepgaande materiële deprivatie. Daarbij komt dat noch de ouders noch de Marokkaanse autoriteiten concrete pogingen lijken te hebben gedaan om hulp en ondersteuning te bieden die hij nodig had als minderjarige. Er wordt ten onrechte overwogen dat eiser de bescherming van de Marokkaanse autoriteiten zou kunnen inroepen. Los van het feit dat niet in redelijkheid van een minderjarige verwacht kan worden dat hij zelf de bescherming van de autoriteiten inroept op het moment dat hij mishandeld wordt door zijn ouders en zich in een situatie van verwaarlozing en materiële deprivatie bevindt, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de vraag of iemand de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, eerst dient te worden onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. In het bestreden besluit is op geen enkele manier met landeninformatie onderbouwd dat door de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen bescherming wordt geboden bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 3.1. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Uit de overgelegde stukken en verklaringen van eiser volgt niet dat eiser in het verleden in Marokko een 3 EVRM risico heeft gelopen. Reeds daarom slaagt een beroep op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, artikel 31, vijfde lid, en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet. Nu niet is aangetoond dat eiser eerder een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling heeft ondergaan, hoeft evenmin te worden uitgegaan van een reële kans op herhaling daarvan. Daarbuiten stelt verweerder in beide verweerschriften terecht dat de gebeurtenissen die eiser naar voren brengt zich lang geleden hebben afgespeeld en er geen sprake is van een reële dreiging van huiselijk geweld. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens het aanmeldgehoor meermaals heeft verklaard dat hij Marokko heeft verlaten omdat hij daar in armoede leefde en in Nederland wilde werken. Hieruit heeft verweerder mogen afleiden dat de aanleiding voor zijn vertrek was gelegen in economische omstandigheden en niet in de door hem gestelde mishandelingen. Aan de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de bescherming van de Marokkaanse autoriteiten zou kunnen inroepen, komt de rechtbank dan ook niet toe. 3.2. De beroepsgrond slaagt niet. Kennelijk ongegrond 4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerst lid, onder j van de Vw. Hij betwist dat sprake is van ernstige gronden om aan te nemen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Daartoe voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten de bijlage, te weten het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2025, waarnaar verwezen wordt in het voornemen (zie pagina 4), over te leggen. De overweging dat mag worden verwacht dat deze uitspraak van de jeugdrechter bij eiser en zijn gemachtigde bekend is, kan geen standhouden. De gemachtigde van eiser staat hem uitsluitend bij in de onderhavige asielprocedure en beschikt niet over de uitspraak van de jeugdrechter. Bovendien rust op verweerder de plicht zijn standpunt deugdelijk te onderbouwen en de stukken waarop dat standpunt is gebaseerd over te leggen. Daarnaast stelt eiser dat verweerder niet heeft gehandeld overeenkomstig Werkinstructie IB 2025/10. Tijdens het gehoor is eiser niet bevraagd over zijn criminele antecedenten. Deze verantwoordelijkheid kan niet op eiser worden afgeschoven, zoals verweerder in het bestreden besluit doet. Dit klemt te meer nu eiser minderjarig is. Voorts blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de minderjarigheid van eiser, het belang van het kind, en de omstandigheid dat eiser als minderjarige de gevolgen van zijn daden minder goed kan overzien. Evenmin is gebleken dat de motivering van de strafrechter in het vonnis is geraadpleegd om vast te stellen waarom het jeugdstrafrecht is toegepast, en de omstandigheden en mate van toerekening alsook de mentale ontwikkeling van eiser te betrekken in de beoordeling. Dit wringt nu uit de werkinstructie IB 2025/10 volgt dat in het geval van minderjarigen de openbare orde slechts bij uitzondering mag worden tegengeworpen, juist omdat het om een veroordeling binnen het jeugdstrafrecht gaat. 4.1. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerst lid, onder j van de Vw. De rechtbank merkt hierbij allereerst op dat verweerder voorafgaand aan de zitting het vonnis van de rechtbank Amsterdam in het dossier heeft geüpload. Uit het bestreden besluit volgt verder dat verweerder rekening heeft gehouden met de minderjarigheid van eiser. Eiser is veroordeeld via het jeugdstrafrecht en op proeftijd vrijgekomen. Dit is een maatregel die wordt opgelegd om te voorkomen dat iemand opnieuw delicten pleegt. Het pedagogisch karakter van deze veroordeling duidt erop dat er wel degelijk rekening is gehouden met de minderjarigheid van eiser. Verweerder stelt terecht dat eiser volgens het jeugdstrafrecht is veroordeeld en dat hij in de proeftijd meermaals heeft gerecidiveerd en daarmee niet heeft aangetoond dat hij zijn gedrag wil verbeteren. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat eiser opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. 4.2. De beroepsgrond slaagt niet. Verblijfsvergunning regulier 5. Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buiten schuld beleid voor AMV. De overweging dat de ouders van eiser een zorgplicht hebben kan niet gelden als draagkrachtige motivering en geeft geen blijk van een zorgvuldige toets conform het arrest TQ. Uit dat arrest volgt immers dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Nu eiser heeft verklaard dat zijn ouders niet goed voor hem konden zorgen en hem mishandelden, alsook dat hij de rest van zijn familie in Marokko niet kent, dient geconcludeerd te worden dat er geen sprake is van adequate opvang voor eiser in Marokko. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 13 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14096, zittingsplaats Arnhem van 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17428, en zittingsplaats Middelburg van 9 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5894. In al deze uitspraken is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat op de ouders een wettelijke zorgplicht rust, onvoldoende is om aan te nemen dat voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling daadwerkelijk adequate opvang beschikbaar is. 5.1. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende toegelicht in het bestreden besluit waarom eiser op basis van de overgelegde informatie niet zondermeer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buiten schuld beleid voor AMV, mede nu het onderzoek naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eiser in Marokko nog loopt. Uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc, volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit vaste rechtspraak van de Afdelinghttps://pi.rechtspraak.minjus.nl/ - _239bf111-8f47-40a9-a8a5-6932c1b61f68 (Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:570, en 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2484) volgt verder dat voor het slagen van het onderzoek naar adequate opvang de vreemdeling en verweerder een gedeelde verantwoordelijk hebben, waarbij van verweerder wordt verwacht dat hij voortvarend onderzoek verricht naar het bestaan van adequate opvang en waarbij van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan het onderzoek. In beleid van verweerder, namelijk IB 2023/41 , staat dat dit onderzoek naar adequate opvang in beginsel maximaal een jaar duurt vanaf de datum van het besluit op de asielaanvraag. Het bestreden besluit dateert van 6 maart 2026 en daarmee is deze termijn nog niet verstreken. In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat de Dienst Terugkeer en Vertrek gaat onderzoeken of eiser adequate opvang heeft in Marokko (zie pagina 4). Zolang dit onderzoek loopt heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, eerste lid, onder f, Vw. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit onderzoek nog loopt. 5.2. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld. IB 2023/41 “Beslissen op Amv zaken na de Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (actualisering)”.