Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:22419
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL24.22389 (beroep) en NL23.30420 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. B. Aydin), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers). Samenvatting 1. Eiser komt uit Turkije. Hij wil een verblijfsvergunning om in Nederland als ondernemer te kunnen werken. Vroeger kon hij naar Nederland komen om dat te regelen. Sinds 1 oktober 2022 geldt echter een nieuwe regeling. Vanaf die datum moeten Turkse staatsburgers eerst een ‘machtiging voor voorlopig verblijf’ (mvv) in Turkije aanvragen. Pas als ze die hebben gehad, kunnen ze naar Nederland komen en hier een verblijfsvergunning krijgen. 1.1. Deze rechtbank en zittingsplaats is al eerder akkoord gegaan met de nieuwe regeling. Inmiddels heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dit bevestigd. 1.2. Eiser vindt toch dat deze nieuwe regeling in strijd is met de verdragen die Turkije en de Europese Unie hebben gesloten. Ook is die regeling volgens eiser in strijd met het discriminatieverbod. Eiser is daarom zonder mvv naar Nederland gekomen, is aan het werk gegaan en heeft een verblijfsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiser is het er niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser een aantal argumenten aangevoerd waarom de afwijzing onterecht zou zijn. Die argumenten leiden echter niet tot een andere conclusie. Dus heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning kunnen afwijzen. Hij moet terug naar Turkije. Procesverloop 2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 1 juni 2023 voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. 2.1. Verweerder heeft deze aanvraag in het primaire besluit van 25 augustus 2023 afgewezen. In het bestreden besluit van 29 april 2024, naar aanleiding van het bezwaar van eiser, is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Verweerder heeft op 10 juni 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de tolken [tolk 1] en [tolk 2] , en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Overwegingen Feiten en omstandigheden 3. Eiser is geboren op [datum] 1994 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij de vennootschap onder firma ‘ [naam vennootschap onder firma] ’ . Verweerder heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning met het primaire besluit afgewezen omdat hij geen geldige mvv heeft. Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden uit paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en daarom is zijn uitzetting niet in strijd met het tussen Turkije en de Europese Unie bestaande associatierecht . Aan eiser is ook een terugkeerbesluit naar Turkije opgelegd. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft het bezwaar van eiser in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder vindt dat de aanvraag mag worden afgewezen omdat eiser geen mvv heeft. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstillbepaling in artikel 41 van het Aanvullend Protocol. Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens verweerder het geval omdat de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doele Deze passage luidde toen als volgt: “Van belemmeringen van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland is in ieder geval geen sprake als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de: - politieke, economische of sociale situatie in Turkije; - persoonlijke omstandigheden in Turkije; of - (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.” Volgens de uitspraak van 7 november 2024 ging dit beleid het wettelijk kader van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb te buiten. 8.1. Eiser heeft in de besluitvormingsfase geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht. Verweerder heeft daarom niet getoetst aan de geciteerde passage van het beleid. Dat betekent dat de vraag of dit beleid juridisch juist was, niet van belang is voor het oordeel van de rechtbank in deze zaak. Het betekent ook dat de wijziging van het beleid, die volgens eiser naar aanleiding van de uitspraak van 7 november 2024 heeft plaatsgevonden, niet van belang is. 8.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat bij een vertrek naar Turkije zijn onderneming uit de Kamer van Koophandel (KvK) wordt uitgeschreven. Ter onderbouwing heeft hij twee besluiten van andere vreemdelingen overgelegd en een stuk van de KvK getiteld ‘Deregistratie’. Op zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit geen aanleiding geeft om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De besluiten waar eiser naar heeft verwezen zien op aanvragen die dateren van voor de herinvoering van het mvv-vereiste en zijn daarom al niet vergelijkbaar. 8.3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in andere vergelijkbare zaken aan verweerder schriftelijke vragen gesteld. Eiser en verweerder hebben de rechtbank verzocht de antwoorden van verweerder en de reactie daarop van eiser bij de beoordeling van de voorliggende zaak te betrekken. Wat betreft het stuk van de KvK getiteld ‘Deregistratie, heeft verweerder na de zitting in antwoord op vragen van de rechtbank toegelicht dat de KvK altijd eerst een voornemen om een onderneming uit te schrijven kenbaar maakt bij de ondernemer. De ondernemer kan vervolgens zijn zienswijze geven. Tegen een eventuele uitschrijving staan rechtsmiddelen open. Bovendien heeft de KvK aan verweerder in een overleg naar aanleiding van de vragen van de rechtbank over dit stuk laten weten dat een verklaring van een ondernemer dat hij in het buitenland verblijft in afwachting van een mvv-procedure géén reden is voor de KvK om over te gaan tot uitschrijving van de onderneming uit het handelsregister. Eiser heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat de mededeling van verweerder niet te vertrouwen is. Hij heeft verwezen naar een chatgesprek van zijn advocaat met eerst een chatbot en vervolgens een medewerker van de KvK, waarin zijn advocaat zich heeft voorgedaan als (onder meer) een ondernemer die in Turkije een mvv wil aanvragen. In dat chatgesprek heeft een medewerker van de KvK gesteld dat een onderneming wordt uitgeschreven als die langere tijd niet actief is (oplopend tot een aantal maanden). Een mvv-procedure kan volgens eiser wel tot een jaar duren, en als een bezwaarprocedure volgt, oplopen tot twee of drie jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van een medewerker van de KvK in het chatgesprek onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van de algemene toezegging van de KvK aan verweerder in het bestuurlijk overleg naar aanleiding van de vragen van de rechtbank. Daarin is expliciet toegezegd dat een verblijf in het buitenland in afwachting van een mvv-procedure geen reden is voor uitschrijving van een onderneming uit het handelsregister. Van die toezegging mag worden uitgegaan. Omdat de onderneming van eiser niet zal worden uitgeschreven uit de KvK zolang hij bij terugkeer naar Turkije in afwachting is van een beslissing op een mvv-aanvraag, heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. 8.4. Eiser heeft zich verder in beroep op het standpunt gesteld dat met de herinvoer Daarbij komt dat (her)inschrijving van een onderneming bij de KvK mogelijk is met een vestigingsadres van die onderneming in Nederland en een woonadres van de ondernemer in Turkije. De Afdeling heeft overwogen dat hieruit blijkt dat het wel mogelijk is om een bedrijf te starten als een vreemdeling in Turkije de woonplaats heeft. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. Dat dit betekent dat de ondernemer dan naar Nederland moet komen voor de inschrijving bij de KvK of daarvoor iemand in Nederland moet machtigen, maakt dit niet anders. Eiser heeft dus niet concreet onderbouwd dat het starten van een onderneming vanuit Turkije onmogelijk is. Bovendien heeft verweerder in antwoord op de vragen van de rechtbank bevestigd dat een aanvraag van een mvv-plichtige vreemdeling die een eenmanszaak of vennootschap onder firma in Nederland wil oprichten, die alle overige vereiste documenten heeft overgelegd én steekhoudend verklaart waarom een KvK-uittrekstel ontbreekt, aan de RvO voor advies zal worden voorgelegd. Eiser heeft zijn stelling dat de RvO een negatief advies zal geven alleen al omdat de onderneming niet is ingeschreven in de KvK niet aannemelijk gemaakt. De RvO geeft immers op basis van het overgelegde ondernemingsplan een inhoudelijk advies over de vraag of de (voorgenomen) onderneming een positieve bijdrage zal leveren aan de Nederlandse economie en of de onderneming levensvatbaar is. Zoals hiervoor is overwogen, kan een ondernemingsplan ook met andere stukken worden onderbouwd als de vreemdeling redelijkerwijs geen stukken kan overleggen van een op dat moment in Nederland actieve onderneming. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, nadere vragen aan de RvO te stellen. 8.4.3. Dat eiser het onzorgvuldig vindt dat de Afdeling de zaken in hoger beroep zonder zitting heeft afgedaan, geeft de rechtbank geen reden om haar uitspraken van 1 en 9 juli 2025 niet te volgen. 8.4.4. Eiser heeft verder op zitting aangevoerd dat hij in 2023 met vier andere familieleden naar Nederland is gekomen en dat zij toen de vennootschap onder firma hebben opgericht. Eiser had in eerste instantie een schoonmaakbedrijf, maar dit ging niet goed. Hij heeft vervolgens de markt gevolgd en is gewisseld naar een klusbedrijf in de bouwsector. Dit gaat goed. Hij heeft een auto gehuurd en woont in een huurhuis. Geen van eisers vennoten heeft een verblijfsvergunning. De procedure heeft een grote impact op zijn leven. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Verweerder heeft met deze omstandigheden in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden omdat die nog niet waren aangevoerd of zich nog niet hadden voorgedaan. De aangevoerde omstandigheden kunnen daarom niet afdoen aan het bestreden besluit. Verder vormen de omstandigheden geen reden voor toepassing van de vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij voldoet aan de materiële voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning. Dat betekent dat hij niet voldoet aan het beleid van verweerder op dit punt terwijl naar vaste rechtspraak dat beleid niet onevenredig is. 8.4.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onbillijkheid van onevenredige aard. Is de herinvoering van het mvv-vereiste in strijd met het discriminatieverbod? 9. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 1 en 9 juli 2025 slaagt eisers stelling dat het mvv-vereiste in strijd is met het discriminatieverbod evenmin. Dat geldt voor het beroep van eiser op zowel artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, als andere bepalingen met een vergelijkbare strekking en het algemene rechtsbeginsel van non-discriminatie. 9.1. De uitspraak van d