Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:22342
Prejudiciële vragen terugkeerbesluit niet-begeleide minderjarige – Afghanistan. Eiser, die de Afghaanse nationaliteit heeft, was tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Ten tijde van het besluit waarin dit verzoek is afgewezen was eiser 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud. Eiser was ten tijde van zijn verzoek om internationale bescherming en ten tijde van de afwijzing van dat verzoek een niet-begeleide minderjarige zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115. Het beslissen of een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd of dat daarvan moet worden afgezien omdat er geen adequate opvang in het land van terugkeer is, is een verplichting die -uitsluitend- op verweerder rust. Deze verplichting ziet niet op de verlening van een verblijfsvergunning omdat geen enkele bepaling uit richtlijn 2008/115 de lidstaten verplicht tot het verlenen van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf. Op het moment dat verweerder het verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen, was in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd aanwezig. Verweerder heeft dit erkend, maar heeft hiervan geen schriftelijke bevestiging gegeven. Verweerder heeft na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming aanvullend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden in Afghanistan en heeft dus in wezen de beslissing of een terugkeerbesluit moest worden uitgevaardigd uitgesteld. Het onderzoek naar adequate opvang is stopgezet omdat eiser meerderjarig is geworden. De rechtbank meent dat het uitstellen van een beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit indruist tegen het belang van het kind, niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 en niet wordt vereist door de aard en de omvang van het onderzoek naar adequate opvang zoals verweerder dat in het hoofdgeding heeft verricht en vraagt het Hof om dit nader te verduidelijken. De rechtbank verzoekt het Hof tevens om te verduidelijken of het verblijf van eiser in Nederland in de periode vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen maar geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit nu eiser meerderjarig is. De rechtbank verzoekt het Hof daarbij om te preciseren op welke wijze en in welke mate het belang van het kind bij deze beoordeling moet worden betrokken. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL26.29184 Verwijzing uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2007, Afghaanse nationaliteit, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. K. Boonen). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vragen: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a), en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te verstrekken? II Moeten artikelen 5, onder a) en b), 6, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het illegale verblijf in de lidstaat in de periode dat geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd omdat de niet-begeleide minderjarige (nog) niet naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van herkomst kon worden teruggestuurd, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit als deze niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt? Zo ja, op welke wijze en in welke mate moet het belang van het kind bij deze beoordeling worden betrokken? De rechtbank wil het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: I Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a), en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te verstrekken. II Artikelen 5, onder a) en b), 6, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat het illegale verblijf in de lidstaat in de periode dat geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd omdat de niet-begeleide minderjarige (nog) niet naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van herkomst kon worden teruggestuurd, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit als deze niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Dit vereist dat het belang van het kind opnieuw wordt vastgesteld zodra een situatie van illegaal verblijf ontstaat. Indien de lidstaat gebruik maakt van de bevoegdheid krachtens artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 en indien in het geval artikel 10, lid 2, aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit in de weg staat, moet het belang van het kind worden betrokken bij de aard van het verblijfsrecht dat gedurende de minderjarigheid wordt verleend. Ook indien in deze periode van minderjarigheid geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf op grond van nationale regelgeving wordt verleend, dienen alle feiten en omstandigheden die dit verblijf karakteriseren te worden betrokken bij de beoordeling of het privéleven van de betrokkene aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit in de weg staat als deze minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft op 14 augustus 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoeker was op het moment dat hij zijn verzoek om internationale bescherming indiende een niet-begeleide minderjarige die 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud was. Verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) heeft dit verzoek op 29 mei 2024 afgewezen. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit. Verweerder heeft in dit besluit medegedeeld dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van adequate opvang in Afghanistan en heeft bepaald dat verzoeker gedurende de periode dat dit onderzoek duurt, in de terugkeerfase, rechtmatig verblijf heeft . Verzoeker heeft op 4 juni 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 29 mei 2024, voor zover in dat besluit zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen het besluit van 29 mei 2024 bij uitspraak van 7 mei 2025 ongegrond verklaard . De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2025 in haar uitspraak van 18 juni 2025 ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd . Verweerder heeft op 29 april 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld. In dit terugkeerbesluit is Afghanistan als land van terugkeer benoemd en is een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek bepaald. Verzoeker heeft op 26 mei 2026 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 29 april 2026 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend . In het hoofdgeding moet de rechtbank uitspraak doen op het beroep van 26 mei 2026, dat gericht is tegen het terugkeerbesluit van 29 april 2026. Verweerder heeft op 10 juli 2026 een verweerschrift uitgebracht. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de behandeling van het beroep en verzoek het onderzoek in de procedure niet gesloten en partijen medegedeeld zich te beraden op het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof). Op 9 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen om uitspraak te kunnen doen op het beroep dat is gericht tegen het terugkeerbesluit van 29 april 2026. Op 9 augustus 2026 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen. 1. Verzoeker is geboren in Afghanistan in een dorp in de provincie Ghor en heeft (uitsluitend) de Afghaanse nationaliteit. Verzoeker behoort tot de Hazara bevolkingsgroep en is sjiitisch moslim. 2. Verzoeker heeft verklaard dat hij, toen hij vier of vijf jaar oud was, samen met zijn ouders en zusje uit Afghanistan is vertrokken. Van zijn vader heeft verzoeker gehoord dat het gezin uit vrees voor de Taliban uit Afghanistan is gevlucht en illegaal naar Iran is gereisd. Verzoeker heeft geen herinneringen aan Afghanistan. Verzoeker heeft samen met zijn ouders en zusje ongeveer tien jaar illegaal in Iran gewoond. Daarna is verzoeker zonder de andere gezinsleden naar Turkije gereisd. Zijn ouders en zusje zijn in Teheran, Iran gebleven. In Turkije heeft verzoeker ongeveer een jaar illegaal verbleven. Vanuit Turkije is verzoeker vervolgens via onder meer Griekenland en Italië naar Nederland gereisd. Op 13 augustus 2023 is verzoeker Nederland ingereisd en heeft hij zich bij de Nederlandse autoriteiten gemeld en op 14 augustus 2023 heeft verzoeker een verzoek om internationale bescherming ingediend. 3. Het verzoek om internationale bescherming dat verzoeker heeft ingediend is afgewezen. In de Nederlandse vreemdelingenwet, die van toepassing was op het moment van het nemen van het besluit van 29 mei 2024, was bepaald dat de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming als terugkeerbesluit geldt, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan . Tegen verzoeker was vóór 29 mei 2024 geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. 4. In Nederlandse regelgeving en beleid is voorzien in vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen als er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld omdat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 hieraan in de weg staat en de niet-begeleide minderjarige voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Door het vaststellen en uitvoeren van dit beleid wordt toepassing gegeven aan de bevoegdheid die de lidstaten ontlenen aan artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 om op grond van nationale regelgeving om humanitaire redenen een verblijfsvergunning te verlenen. 5. Verzoeker was ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Ten tijde van het besluit waarin dit verzoek is afgewezen was verzoeker 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud. Verzoeker was ten tijde van zijn verzoek om internationale bescherming en ten tijde van de afwijzing van dat verzoek, een niet-begeleide minderjarige zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115 en daardoor een ‘kwetsbaar persoon’ zoals bedoeld in artikel 3, lid 9, van richtlijn 2008/115. 6. Op het moment dat het verzoek om internationale bescherming werd afgewezen, was er geen familielid van verzoeker of een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in Afghanistan aanwezig waar verzoeker naar had kunnen worden (terug)gestuurd, althans hiervan waren geen gegevens beschikbaar. Op dat moment is echter niet kenbaar vastgesteld dat er voor verzoeker geen adequate opvang in Afghanistan beschikbaar was en dat artikel 10, lid, 2 van richtlijn 2008/115 daarom in de weg stond aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Van deze situatie is geen schriftelijke bevestiging gegeven. 7. Verweerder heeft in het besluit van 29 mei 2024 het verzoek om internationale bescherming afgewezen en bepaald dat verzoeker geen ‘verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV)’ krijgt en dat de Dienst Terug en Vertrek (DT&V) zal onderzoeken of verzoeker adequate opvang in Iran of Afghanistan heeft. Tevens is medegedeeld dat verzoeker gedurende het onderzoek door DT&V en tot aan het besluit op ‘de AMV-buitenschuldzaak’ op grond van de Nederlandse vreemdelingenwet rechtmatig verblijf heeft . Verzoeker is op [geboortedatum] 2025 18 jaar oud geworden. DT&V heeft het onderzoek naar adequate opvang daarom op [geboortedatum] 2025 beëindigd en in het terugkeerbesluit van 29 april 2026 opgemerkt dat het vanaf dat moment niet langer relevant was of er voor verzoeker opvangvoorzieningen in Afghanistan beschikbaar waren. Verweerder heeft toegelicht dat het onderzoek van DT&V uitsluitend betrekking heeft gehad op opvangmogelijkheden in Afghanistan. Verweerder heeft bij dit onderzoek met name van verzoeker medewerking vereist om contactgegevens van zijn ouders te overleggen. Verweerder heeft medegedeeld dat hij de ouders in Iran wilde traceren in het kader van de zorgplicht die op de ouders rust. Verweerder erkent dat er in Afghanistan geen opvangmogelijkheden voor verzoeker zijn geweest, maar heeft aan verzoeker geen verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving verleend omdat verzoeker onvoldoende zou hebben meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Verweerder meent dat verzoeker stelselmatig heeft nagelaten om gerichte en navolgbare stappen te ondernemen om zijn familie daadwerkelijk te bereiken of te traceren. Verweerder baseert de wijze waarop hij het onderzoek naar adequate opvang verricht op de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State. 8. Verzoeker stelt zich onder meer op het standpunt dat steeds duidelijk is geweest dat hij niet naar Afghanistan kon terugkeren omdat hij daar niet in overeenstemming met artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 kon worden opgevangen. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat het onderzoek naar adequate opvang zinledig is geweest omdat dit alleen gericht is geweest op het verkrijgen van contact met zijn ouders. Zijn ouders blijven echter in Iran, terwijl de terugkeerverplichting uitsluitend ziet op Afghanistan. Verzoeker vindt dat vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden in Afghanistan aan hem een verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving had moeten worden verleend toen hij nog minderjarig was. Verder stelt verzoeker dat hij voldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek van DT&V. Verzoeker heeft verklaard dat zijn ouders geen telefoon hebben en dat verzoeker via een kennis contact kan krijgen met zijn ouders. Deze kennis heeft verzoeker verboden om zijn telefoonnummer bekend te maken, aldus verzoeker. Verzoeker heeft gewezen op alle inspanningen die hij heeft verricht om te kunnen terugkeren. Hij heeft onder meer met hulp van zijn voogd geprobeerd om contact op te nemen met de Afghaanse autoriteiten om een document voor grensoverschrijding te verkrijgen. Verzoeker heeft ook gewezen op zijn medische problematiek, de belangen van het kind en het ontbreken van een actuele beoordeling van het refoulementrisico in het terugkeerbesluit van 29 april 2026. Verzoeker stelt zich tevens op het standpunt dat verweerder het onderzoek naar adequate opvang onvoldoende voortvarend heeft verricht. DT&V heeft aanvankelijk namelijk ten onrechte aangenomen dat verzoeker op 09-02-2007 in plaats van op 02-09-2007 is geboren en heeft het onderzoek daarom ten onrechte vroegtijdig beëindigd en vervolgens weer opgestart. 9. De rechtbank overweegt dat het besluit waarin het verzoek om internationale bescherming is afgewezen, geen terugkeerbesluit omvat. Op het moment van afwijzing van dit verzoek was in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten aanwezig waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd. Dit is erkend door verweerder. De vaststelling of er ten tijde van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming in Afghanistan sprake is van adequate opvangmogelijkheden voor verzoeker, maakt deel uit van de verplichtingen van verweerder die voortvloeien uit richtlijn 2008/115. De inhoud en omvang van deze verplichting om jegens verzoeker een terugkeerbesluit uit te vaardigen, behoudens in het geval artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hieraan in de weg staan, is niet afhankelijk van de medewerking van verzoeker. Het onderzoek naar adequate opvang wordt verricht om te kunnen bepalen of aan verzoeker een verblijfsvergunning moet worden verleend. Om aanspraak te kunnen maken op een verblijfsvergunning, nadat is vastgesteld dat er geen adequate opvangvoorzieningen in het land van herkomst zijn, dient een niet-begeleide minderjarige mee te werken aan nader onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van terugkeer. De beoordeling door verweerder of hij een terugkeerbesluit moet uitvaardigen, gaat dus vooraf aan de beoordeling door verweerder of aan verzoeker een verblijfsvergunning moet worden verleend. De eerste prejudiciële vraag van de rechtbank ziet op de vraag op welk moment verweerder kenbaar had moeten vaststellen dat er geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten voor verzoeker in Afghanistan beschikbaar waren en of onverwijld na deze vaststelling een schriftelijke bevestiging moet worden gegeven van het ontbreken van deze opvangmogelijkheden. De beoordeling of een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd en de beslissing hierover zijn in het hoofdgeding in wezen uitgesteld om te onderzoeken of aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving moet worden verleend. De rechtbank meent dat een dergelijke uitgestelde beoordeling niet verenigbaar is met artikel 5, onder a) en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de rechtbank meent dat een dergelijke uitgestelde beoordeling indruist tegen het belang van het kind en deels het nuttig effect ontneemt aan de bescherming die verzoeker aan deze bepalingen kan ontlenen. De rechtbank meent tevens dat een dergelijke uitgestelde beoordeling niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen en dat het overigens in het hoofdgeding niet nodig was om de beslissing of een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd uit te stellen. 10. Partijen zijn verdeeld over de vraag of aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving en beleid had moeten worden verleend omdat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit in de weg stond. Of deze verblijfsvergunning alsnog moet worden verleend is allereerst afhankelijk van de vraag of verweerder bevoegd was om het uitvaardigen van een terugkeerbesluit uit te stellen zonder daarbij kenbaar vast te stellen en schriftelijk te bevestigen dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 op het moment dat het verzoek om internationale bescherming werd afgewezen aan de uitvaardiging van het terugkeerbesluit in de weg stond. Het kunnen beantwoorden van deze vraag vereist een nadere uitlegging van meerdere bepalingen van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het is afhankelijk van de beantwoording van de prejudiciële vraag of de rechtbank daarna nog moet beoordelen of DT&V het onderzoek naar adequate opvang voortvarend heeft verricht en of verzoeker moet meewerken aan dit onderzoek en in welke mate dit van hem mag worden verwacht. Indien de rechtbank die beoordeling zal moeten verrichten in het hoofdgeding, zal de rechtbank daarbij ook betrekken dat in het Nederlandse beleid – nog steeds- voor de vergunningverlening een onderscheid wordt gemaakt tussen niet-begeleide minderjarigen die jonger zijn dan 15 jaar en degenen die reeds 15 jaar oud zijn . 11. De tweede prejudiciële vraag van de rechtbank ziet op het gewicht dat aan het verblijf dat op grond van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115 als illegaal moet worden aangemerkt, van een niet-begeleide minderjarige die niet kon worden verwijderd vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden, moet worden toegekend als de betrokkene meerderjarig wordt en artikel 10, lid 2, niet langer in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Verweerder stelt zich in het hoofdgeding op het standpunt dat op het moment dat verzoeker 18 jaar oud is geworden, alle verplichtingen die hij jegens verzoeker vanwege zijn hoedanigheid als niet-begeleide minderjarige had zijn komen te vervallen. De rechtbank vraagt zich af of en in welke mate het belang van het kind en het verblijf van verzoeker in Nederland als niet-begeleide minderjarige moet worden betrokken bij de vraag of artikel 5, onder b) van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 7 en 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Unie in de weg staan aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit nadat verzoeker meerderjarig is geworden. Ongeacht of alsnog op grond van Nederlandse regelgeving en beleid aan verzoeker een verblijfsvergunning met ingang van de datum waarop verzoeker een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend moet worden verleend, heeft namelijk te gelden dat verzoeker vanwege zijn kwetsbaarheid als niet-begeleide minderjarige in Nederland heeft mogen verblijven. Het komt de rechtbank voor dat minderjarigen in het algemeen en niet-begeleide minderjarigen in het bijzonder, baat hebben bij duidelijkheid over hun verblijfsrecht en zekerheid met betrekking tot hun wettelijke status en toekomst. Indien, zoals uit het Nederlandse beleid volgt, aan niet-begeleide minderjarigen die de leeftijd van 15 jaar hebben uitsluitend een verblijfsvergunning wordt verleend totdat zij 18 jaar worden of als er geen verblijfsvergunning wordt verleend maar de verwijdering niet kan plaatsvinden gedurende de minderjarigheid, is de kans zonder meer aanzienlijk dat dit de ontwikkeling van het kind vanwege het ontbreken van perspectief op duurzaam verblijf kan schaden. De bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures hebben weliswaar alleen betrekking op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten. Gedurende de gehele periode van tenuitvoerlegging van deze richtlijn dienen de autoriteiten evenwel de grondrechten en de waardigheid van de illegaal verblijvende derdelander volledig te eerbiedigen. De in artikelen 7 en 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten zijn niet absoluut, maar dienen dus wel in acht te worden genomen bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. De rechtbank vraagt het Hof door het stellen van de tweede prejudiciële vraag om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank dit in het hoofdgeding moet doen. 12. De rechtbank overweegt verder ter voorlichting van het Hof het navolgende. Het besluit tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming is bevestigd door de rechter in eerste aanleg en door de rechter in hoger beroep. De gemachtigde van verzoeker heeft tijdens het onderzoek ter zitting op 20 juli 2026 aangegeven dat verzoeker mogelijk een volgend verzoek om internationale bescherming wil indienen. De rechtbank heeft ter zitting besproken of het belang aan deze verwijzing komt te ontvallen als verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming indient. De rechtbank overweegt dat dit niet het geval is. Indien verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming indient, heeft dit tot gevolg dat gedurende die procedure de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit van 29 april 2026 worden opgeschort. Indien het volgend verzoek zou worden ingewilligd en aan verzoeker een internationalebeschermingsstatus zou worden verleend, zal verweerder de ingangsdatum van de verblijfstitel en verblijfsvergunning bepalen op de datum van dit inwilligende besluit. Als verweerder een mogelijk volgend verzoek om internationale bescherming afwijst, herleven de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit van 29 april 2026. Als het Hof zou preciseren dat in het hoofdgeding in het besluit van 29 mei 2024, waarin het eerste verzoek om internationale bescherming is afgewezen, kenbaar had moeten worden gemaakt dat er op dat moment geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld en hiervan een schriftelijke bevestiging had moeten worden gegeven, moet aan verzoeker alsnog met ingang van 14 augustus 2023 een verblijfsvergunning worden verleend tot in ieder geval [geboortedatum] 2025. Ook in dit geval en in het geval dat de beantwoording door het Hof van de tweede vraag tot de conclusie leidt dat op 29 april 2026 geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd, betekent dit niet dat een mogelijke inwilliging van een mogelijk volgend verzoek om internationale bescherming de beantwoording van de vragen van de rechtbank niet langer noodzakelijk maakt om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. Beide partijen hebben aangegeven zich te kunnen vinden in deze redenering dat het belang niet komt te ontvallen aan deze verwijzing als verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming doet voordat het Hof de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord. 13. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om dit nader te preciseren en om de navolgende prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a), en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te verstrekken? II Moeten artikelen 5, onder a) en b), 6, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het illegale verblijf in de lidstaat in de periode dat geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd omdat de niet-begeleide minderjarige (nog) niet naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van herkomst kon worden teruggestuurd, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit als deze niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt? Zo ja, op welke wijze en in welke mate moet het belang van het kind bij deze beoordeling worden betrokken? Toepasselijke bepalingen Verdrag inzake de rechten van het Kind Artikel 3 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 7 - De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 24 – De rechten van het kind (…) 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. Richtlijn 2008/115 Overwegingen (22)Overeenkomstig het Verdrag van 1989 van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn het belang van het kind voorop te stellen. Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn de eerbiediging van het gezinsleven voorop te stellen. (24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Artikel 1 – Toepassingsgebied In deze richtlijn worden de gemeenschappelijke normen en procedures vastgesteld die door de lidstaten moeten worden toegepast bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, overeenkomstig de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, met inbegrip van de verplichting om vluchtelingen te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen. Artikel 2 – Werkingssfeer 1. Deze richtlijn is van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. (…) Artikel 3 – Definities Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: (…) 2.„illegaal verblijf”: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat; (…) „terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; (…) 5. “ verwijdering”: de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat; (…) 9. „ kwetsbare personen”: minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a)het belang van het kind; b)het familie- en gezinsleven; c)de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement Artikel 6 – Terugkeerbesluit 1.Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. (…) 4.De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf. (…) 6.Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht. Artikel 10 - Terugkeer en verwijdering van niet-begeleide minderjarigen (…) 2. Voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, overtuigen zij zich ervan dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Richtlijn 2013/33 (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 1 Deze richtlijn heeft ten doel normen vast te stellen voor de opvang in de lidstaten van personen die om internationale bescherming verzoeken („verzoekers”). Artikel 2 Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: (…) d. “minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar; Nederlandse wetgeving en beleid Vreemdelingenwet 2000 (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 45 1.De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat: (…) Vreemdelingenbesluit 2000 (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 3.48 De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die: (…) 2. De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan: a. vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken Vreemdelingencirculaire 2000 (B) (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) B8/6.1 Beleidsregels Op grond van artikel 3.48 Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een amv als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -de vreemdeling is alleenstaand; -de vreemdeling is (nog) minderjarig; -de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -voor de vreemdeling is in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan geen adequate opvang of het vertrek kan buiten de schuld van de vreemdeling niet plaatsvinden en hij heeft zich actief ingezet om zijn vertrek te realiseren. B8/6/1 Ad 5 Adequate opvang De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden. De IND neemt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aan als sprake is van één van de volgende omstandigheden: a. in het betreffende land is een familielid tot in de vierde graad aanwezig; b. uit feiten en omstandigheden komt naar voren dat een ander familielid dan in a. gesteld of een meerderjarige, niet zijnde een familielid, adequate opvang kan bieden; c. opvang in een (particuliere) opvanginstelling is voorhanden en de IND beschouwt deze opvang naar lokale omstandigheden als aanvaardbaar; d. uit het landgebonden asielbeleid volgt dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang; e. op grond van algemene informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn. Ad a. Bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een amv als adequaat mag worden beschouwd, zal primair worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat. 6.2.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (verlening na nader onderzoek). De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de eerste verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: -De vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -De vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden; -De vreemdeling heeft zich actief ingezet om zijn eigen terugkeer te realiseren. Zo heeft hij zich actief ingezet om zijn eigen identiteit en nationaliteit aan te tonen, een (vervangend) reisdocument te verkrijgen (indien nodig) en contact te leggen met familie of andere personen of organisaties in het land van herkomst naar wie hij zou kunnen terugkeren; -In nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van adequate opvang; Rechtsvragen en overwegingen 14. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt deze verplichting omschreven als ‘het doen van onderzoek naar adequate opvang’. 15. Verzoeker was op 14 augustus 2023, de dag waarop hij in Nederland zijn verzoek om internationale bescherming indiende, 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud en was een ‘niet-begeleide minderjarige’, zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115. De rechtbank merkt hierbij op dat richtlijn 2008/115 geen definitie bevat van het begrip ‘minderjarige’. Het Hof heeft in het arrest TQ echter verduidelijkt dat dit begrip in artikel 2, onder d), van richtlijn 2013/33 wordt gedefinieerd als „een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar” en dat met het oog op een samenhangende en uniforme toepassing van het Unierecht op het gebied van asiel en immigratie, dezelfde definitie moet worden gehanteerd in het kader van richtlijn 2008/115 . De Uniewetgever heeft deze definitie gehandhaafd in artikel 2, lid 4, van richtlijn 2024/1346, die thans van toepassing is. 16. Verzoeker was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud en nog steeds een ‘niet-begeleide minderjarige’, zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115. 17. Op het moment van afwijzing van het verzoek om internationale bescherming was in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd aanwezig. Verweerder heeft dit erkend. 18. In Nederlandse regelgeving en beleid is voorzien in vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen als de terugkeer niet kan plaatsvinden vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden. Verweerder stelt in een situatie als in het hoofdgeding aan de orde niet altijd gelijktijdig met of onverwijld na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming vast dat er geen adequate opvangvoorzieningen in het land van terugkeer zijn en dat er dus geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, maar gaat dan na of nader onderzoek naar mogelijke opvangvoorzieningen zinvol is. Dit onderzoek strekt er tevens toe om na te gaan of een verblijfsvergunning moet worden verleend als na dit nader onderzoek nog steeds geen opvangvoorzieningen aanwezig blijken te zijn. Om voor een dergelijke verblijfsvergunning in aanmerking te komen, moet de niet-begeleide minderjarige meewerken aan dit nadere onderzoek naar adequate opvang. 19. Vanaf het moment van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming op 29 mei 2024, is sprake van illegaal verblijf zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115. Verzoeker voldeed vanaf dat moment namelijk niet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in Nederland. In dit besluit van 29 mei 2024 is rechtmatig verblijf voor de duur van het onderzoek naar adequate opvang verleend op grond van de Nederlandse vreemdelingenwet. Dit laat onverlet dat verzoeker vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen, onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt. Het onderzoek naar adequate opvang vindt namelijk plaats in het kader van de terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst en niet om te onderzoeken of aan verzoeker een internationalebeschermingsstatus moet worden verleend. Het onderzoek naar adequate opvang kan ook niet leiden tot de inwilliging van het verzoek om internationale bescherming. Verzoeker heeft een rechtsmiddel ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Dit is een doeltreffend rechtsmiddel zoals bedoeld in artikel 13 van richtlijn 2008/115, waardoor verzoeker de uitspraak op zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 29 april 2026 in Nederland mag afwachten . Ook dit betekent echter niet dat geen sprake meer is van illegaal verblijf zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115 . 20. De rechtspositie van verzoeker nadat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen, wordt gelet op het bovenstaande gedurende zowel zijn minderjarigheid als vanaf het bereiken van de meerderjarigheid beheerst door het Unierecht en valt binnen de werkingssfeer van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waardoor de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten van toepassing zijn in het hoofdgeding . 21. Omdat op het moment van afwijzing van het verzoek om internationale bescherming in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd aanwezig was, stond artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit in de weg. Het besluit waarin het verzoek om internationale bescherming is afgewezen kon daarom geen terugkeerbesluit omvatten. 22. Het besluit van 29 mei 2024 omvat ook geen terugkeerbesluit. In dit besluit is echter niet uitdrukkelijk vastgesteld dat adequate opvangmogelijkheden in Afghanistan ontbreken en dat daarom artikel 10, lid 2,van richtlijn 2008/115 aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg staat. In het besluit is medegedeeld dat de DT&V nader gaat onderzoeken of er voor verzoeker adequate opvangmogelijkheden in Iran en/of Afghanistan zijn en dat dit besluit niet geldt als terugkeerbesluit omdat verzoeker op grond van de Nederlandse vreemdelingenwet rechtmatig verblijf heeft. In dit besluit is niet vermeld waarom deze rechtsgevolgen verenigbaar met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 moeten worden geacht. 23. De rechtbank overweegt dat het zich vergewissen of er ten tijde van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming in Afghanistan sprake is van adequate opvangmogelijkheden voor verzoeker, deel uitmaakt van de verplichtingen van verweerder die voortvloeien uit richtlijn 2008/115. De inhoud en omvang van de verplichting om een terugkeerbesluit vast te stellen, is niet afhankelijk van de medewerking van verzoeker. Het onderzoek naar adequate opvang wordt door verweerder verricht om te kunnen bepalen of aan verzoeker een verblijfsvergunning moet worden verleend. Een niet-begeleide minderjarige dient mee te werken aan nader onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van terugkeer om aanspraak te kunnen maken op een verblijfsvergunning, nadat is vastgesteld dat er geen adequate opvangvoorzieningen in het land van herkomst zijn. De verplichting van verweerder om een terugkeerbesluit jegens verzoeker vast te stellen, tenzij het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden of het belang van het kind hieraan in de weg staan, gaat dus vooraf aan de beoordeling of aan verzoeker een verblijfsvergunning moet worden verleend. 24. De eerste prejudiciële vraag van de rechtbank ziet op de vraag op welk moment verweerder kenbaar had moeten vaststellen dat er geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten voor verzoeker in Afghanistan beschikbaar waren. De beoordeling of een terugkeerbesluit kon worden vastgesteld en de beslissing hierover zijn in het hoofdgeding in wezen uitgesteld om te kunnen onderzoeken of aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving moet worden verleend. 25. De rechtbank meent dat een dergelijke uitgestelde beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit niet verenigbaar is met artikel 6, lid 1, artikel 5, onder a) en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de rechtbank meent dat een dergelijke uitgestelde beoordeling indruist tegen het belang van het kind en deels het nuttig effect ontneemt aan de bescherming die verzoeker aan deze bepalingen kan ontlenen. 26. Het Hof heeft in haar arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ onder meer verduidelijkt welke verplichtingen de autoriteiten hebben als een niet-begeleide minderjarige door de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt. In de situatie die aan dat arrest ten grondslag lag, werd een louter op leeftijd gebaseerd en dus ongerechtvaardigd, onderscheid gemaakt tussen niet-begeleide minderjarigen bij het onderzoeken of sprake is van adequate opvang alvorens een terugkeerbesluit op te leggen en werd de uitvoering van een terugkeerbesluit jegens een niet-begeleide minderjarige die de leeftijd van 15 jaar had bereikt eenvoudigweg opgeschort totdat deze minderjarige de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Op dat moment vervalt namelijk voor de autoriteiten de verplichting om zich er van te overtuigen dat de inmiddels meerderjarig geworden illegaal verblijvende derdelander wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en kan zonder deze beoordeling een terugkeerbesluit worden uitgevoerd en tot verwijdering worden overgegaan. 27. Het Hof heeft in het arrest TQ onder meer verduidelijkt dat alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk maakt om te bepalen wat het „belang van het kind” is, en om een besluit te nemen dat aan de vereisten van richtlijn 2008/115 voldoet. Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat de lidstaat bij de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige terdege rekening houden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige. Het Hof heeft overwogen dat het opleggen van een terugkeerbesluit zonder eerst na te gaan of sprake is van adequate opvang, kan leiden tot de situatie dat de verwijdering niet kan plaatsvinden vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden. De betrokken niet-begeleide minderjarige zou dan in grote onzekerheid komen te verkeren met betrekking tot zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven. Het Hof heeft uitgelegd dat een dergelijke situatie onverenigbaar is met het vereiste om overeenkomstig artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, van het Handvest het belang van het kind in alle fasen van de procedure te beschermen. 28. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft op 8 juni 2022 in haar uitspraak op het hoger beroep dat is ingesteld tegen de einduitspraak van 15 maart 2021 van de rechtbank die de prejudiciële vragen heeft gesteld die tot het arrest TQ hebben geleid, onder meer het navolgende overwogen over de toepassing van het arrest TQ: (...) “Het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk 13. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling en met de overgelegde en aangehaalde (Kamer)stukken toegelicht hoe het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk wordt uitgevoerd. Het onderzoek vangt al aan tijdens de asielprocedure doordat de contactambtenaar de vreemdeling tijdens de asielgehoren vraagt naar zijn contacten met zijn ouders en eventuele andere familieleden, naar hun namen en adressen en naar de leefomstandigheden in het land van herkomst. De beslissing of aan de vreemdeling een buitenschuldvergunning moet worden verleend, wordt in beginsel echter pas genomen in de vertrekprocedure, na de afwijzing van de asielaanvraag. Dit komt doordat de staatssecretaris bij de beoordeling of de vreemdeling buiten zijn schuld niet kan vertrekken, vaak ook moet nagaan of de vreemdeling zich actief heeft ingezet om zijn vertrek te realiseren. Zolang op de asielaanvraag niet is beslist, mag van de vreemdeling niet worden verlangd dat hij handelingen verricht waarvoor hij zich tot de autoriteiten van het land van terugkeer moet wenden (bijvoorbeeld voor het verkrijgen van reisdocumenten). (…) 13.1. Dat de beoordeling of de vreemdeling aan het buitenschuldbeleid voldoet, in beginsel pas plaatsvindt na de beoordeling van de asielaanvraag, betekent niet dat het verlenen van een buitenschuldvergunning tijdens de asielprocedure geheel is uitgesloten. (…) 13.3. Als op basis van het onderzoek tijdens de asielprocedure geen buitenschuldvergunning is verleend en de IND tijdens dat onderzoek niet op voorhand kan uitsluiten dat nader onderzoek zou kunnen leiden tot de vaststelling dat adequate opvang aanwezig is, wordt het onderzoek voortgezet door de DT&V. (…) De mogelijkheid om het onderzoek naar adequate opvang voort te zetten na het afwijzen van de asielaanvraag en de verplichting tot voortvarend handelen. 14. Uit de bovenstaande toelichting over het onderzoek door de staatssecretaris in de praktijk blijkt dat de aard en omvang van het onderzoek naar adequate opvang van geval tot geval behoorlijk kunnen verschillen. Waar de staatssecretaris zich in sommige gevallen al op basis van verklaringen van de vreemdeling, verifieerbare adresgegevens en algemene ambtsberichten ervan kan overtuigen dat er adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, is het onderzoek in andere gevallen meer tijdrovend doordat er bijvoorbeeld individuele deskundigenberichten en traceringsonderzoeken nodig zijn, waarbij hij afhankelijk is van de medewerking van hulporganisaties en de autoriteiten in het land van terugkeer. Ook de mate waarin de vreemdeling meewerkt, is van invloed op de duur van dat onderzoek. 14.1. De Afdeling overweegt verder dat de staatssecretaris volgens artikel 24, derde lid, eerste volzin, van de Opvangrichtlijn zo spoedig mogelijk nadat een verzoek om asielbescherming is ingediend, moet beginnen met het opsporen van gezinsleden van de niet-begeleide minderjarige. Bij het uitoefenen van deze taak wordt hij in zekere mate begrensd, nu uit de tweede volzin van deze bepaling volgt dat het verzamelen, verwerken en verspreiden van gegevens van de niet-begeleide minderjarige of zijn naaste familieleden, er niet toe mag leiden dat hun veiligheid in gevaar wordt gebracht. 14.2. Zowel het tijdrovende karakter van bepaalde onderzoeksvormen als de aard van de asielprocedure kan er dus aan in de weg staan dat het onderzoek naar adequate opvang binnen de voor de asielprocedure geldende beslistermijn wordt afgerond. De staatssecretaris stelt daarom terecht dat hij in sommige gevallen bepaalde onderdelen van het onderzoek naar adequate opvang pas na de beoordeling van de asielaanspraken kan uitvoeren. Naar het oordeel van de Afdeling verzet het Unierecht zich er niet tegen dat er een bepaalde tijdspanne zit tussen de afwijzing van de asielaanvraag en het nemen van een terugkeerbesluit dan wel het verlenen van een verblijfsrecht. Geen van de bepalingen of overwegingen van de Terugkeerrichtlijn bevat namelijk een termijn voor het nemen van een terugkeerbesluit na de vaststelling van illegaal verblijf. Indien de Terugkeerrichtlijn zo zou worden uitgelegd dat direct na de vaststelling van illegaal verblijf een terugkeerbesluit moet worden genomen, zou dat bovendien de staatssecretaris beletten om de verplichtingen die volgen uit het arrest TQ te effectueren. Zodoende moet de staatssecretaris enige tijd worden gegund om het onderzoek naar de opvangmogelijkheden af te ronden, voor zover hij dat niet tijdens de beoordeling van de asielaanspraken heeft kunnen doen. Daarbij volgt wel uit de rechtspraak van het HvJEU dat de lidstaten voortvarend moeten handelen aangezien een niet-begeleide minderjarige vreemdeling niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Dat is namelijk niet alleen in strijd met het belang van het kind, maar belemmert ook de verwezenlijking van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn waardoor aan die richtlijn haar nuttige werking kan worden ontnomen. (…) 14.4. Ook paragraaf 10 van het Terugkeerhandboek van de Commissie benadrukt het belang om snel duidelijkheid over de verblijfsstatus te geven. Toegelicht wordt dat lidstaten volgens artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn verplicht zijn om ofwel een terugkeerbesluit uit te vaardigen en uit te voeren, ofwel een verblijfsrecht te verlenen overeenkomstig de nationale wetgeving. Het Terugkeerhandboek beveelt daarom aan om duidelijke regels over de wettelijke status van niet-begeleide minderjarigen vast te stellen. Deze benadering is erop gericht 'grijze gebieden' te verkleinen en alle betrokkenen meer rechtszekerheid te geven. (…) Dat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staat dat een terugkeerbesluit op een later moment wordt genomen en dat artikel 45 van de Vw 2000 gedeeltelijk buiten toepassing kan worden gelaten, neemt overigens niet weg dat de staatssecretaris ernaar moet streven om het onderzoek naar adequate opvang tijdens de beoordeling van de materiële asielaanspraken te voltooien (de eerste en tweede situatie). Dat volgt uit de verplichtingen om voortvarend te handelen en zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over de verblijfsstatus van de vreemdeling. (…) 29. De rechtbank overweegt dat de situatie “vóór TQ” en “na TQ” waarin de niet-begeleide minderjarige zich bevindt niet wezenlijk anders is. Immers nu bevindt de betrokken niet-begeleide minderjarige zich in een vergelijkbare grote onzekerheid. De beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit -en in het hoofdgeding dus het uitstellen van deze beslissing - is alleen ingegeven door de nadere inspanningen van de autoriteiten om alsnog de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden te kunnen vaststellen zodat een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd en geen verblijfsvergunning hoeft te worden verleend. Het uitstellen van een beslissing omtrent het uitvaardigen van een terugkeerbesluit dient het belang van de autoriteiten, maar de onzekerheid waarmee dit gepaard gaat is, minst genomen, niet in belang van het kind, maar druist daartegen in. Op het moment dat verweerder het verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen, was in Afghanistan geen adequate opvang voor verzoeker aanwezig en kon verweerder geen terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 uitvaardigen. Verweerder had kunnen voorkomen dat verzoeker in grote onzekerheid zou komen te verkeren door op dat moment het beleid dat verweerder krachtens artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 voert toe te passen en aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving en beleid te verlenen. Dan zou verweerder invulling geven aan zijn verplichting om het belang van het kind in deze fase van de procedure te beschermen en een essentiële overweging te laten zijn zoals artikel 24, lid 2, van het Handvest ven de grondrechten van de Europese Unie vereist. De beslissing om de beoordeling of een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd uit te stellen, houdt op geen enkele wijze een algemene en grondige beoordeling van de situatie van verzoeker ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming in. 30. In het hoofdgeding heeft verzoeker op 14 augustus 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend en wordt, na de afwijzing van dit verzoek op 29 mei 2024, pas op 29 april 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld. Op dat moment is verzoeker niet langer een niet-begeleide minderjarige. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop tussen het verzoek om internationale bescherming en de afwijzing hiervan en tussen de afwijzing hiervan en het moment dat het terugkeerbesluit wordt vastgesteld, in deze procedure niet het gevolg van de proceshouding van verzoeker is. De gevolgen voor verzoeker van dit tijdsverloop zijn daarentegen aanzienlijk. Verzoeker is 18 jaar geworden geworden nadat verweerder heeft beslist dat aan verzoeker geen internationale beschermingsstatus hoeft te worden verleend, maar voordat het onderzoek naar adequate opvang is afgerond. 31. Indien verweerder op het moment van afwijzen van het verzoek om internationale bescherming in zijn besluit waarin hij het verzoek afwijst, had bepaald dat er geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld omdat verzoeker ‘buiten zijn schuld’ niet uit Nederland kon vertrekken omdat hij vanwege afwezigheid van een familielid of een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten niet kon terugkeren naar Afghanistan, zou verweerder aan verzoeker op basis van Nederlandse regelgeving en beleid om humanitaire redenen een verblijfsvergunning hebben verleend. Op het moment dat verzoeker de leeftijd van 18 jaar zou bereiken, had verweerder vervolgens moeten onderzoeken of aan verzoeker, op basis van Nederlandse regelgeving en beleid, een recht op voortgezet verblijf had moeten worden toegekend. Indien verweerder dus een schriftelijke bevestiging zou hebben gegeven van de omstandigheid dat op het moment van afwijzen van het verzoek geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd, zou dit aanzienlijke gevolgen voor de rechtstoestand van verzoeker hebben gehad, zowel voorafgaand aan, als op het moment van het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. 32. De rechtbank overweegt dat de vaststelling of sprake is van een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land waar de terugkeerverplichting op ziet in wezen een feitelijke vaststelling behelst. De verplichting om zich alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen te moeten overtuigen of sprake is van een van deze vormen van adequate opvang berust -uitsluitend- op de autoriteiten. Het moeten meewerken aan het onderzoek zoals DT&V dat verricht in de Nederlandse rechtspraktijk heeft dan ook geen betrekking op de verplichtingen van verweerder en treedt daarvoor ook niet in de plaats. Deze verplichting voor verweerder volgt uit artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De inhoud en omvang van deze verplichtingen van verweerder zijn niet afhankelijk van de mate waarin een niet-begeleide minderjarige de autoriteiten ondersteunt in het onderzoeken of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld om zo in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving en beleid. Dat laat onverlet dat verweerder het beleid mag voeren dat verzoeker, indien hij voor een verblijfsvergunning in aanmerking wil komen, medewerking moet verlenen aan het onderzoek dat DT&V verricht om zo mogelijk na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming alsnog adequate opvangmogelijkheden te vinden. De rechtbank meent dan ook dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het vaststellen van een terugkeerbesluit en het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving en beleid. 33. Artikel 6, lid 1 van richtlijn 2008/115 bepaalt dat onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. De lidstaten moeten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest aan die derdelander toegekende grondrechten eerbiedigen . 34. De rechtbank meent dat het uitstellen van de beslissing omtrent het uitvaardigen van een terugkeerbesluit jegens een illegaal op het grondgebied van de Unie verblijvende niet-begeleide minderjarige derdelander ook onder de werkingssfeer van het Unierecht valt en verzoeker daarom ook in deze situatie beschermd wordt door de grondrechten uit het Handvest. 35. De Uniewetgever heeft niet uitdrukkelijk geregeld wat de gevolgen zijn van illegaal verblijf van derdelanders tegen wie geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd . Het is bovendien vaste rechtspraak van het Hof dat richtlijn 2008/115 noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld regelt . 36. Indien deze uitlegging onverkort geldt in het hoofdgeding en de werkwijze die erin bestaat dat de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit wordt uitgesteld onder de procedurele autonomie van de lidstaten zou vallen, betekent dit dat verzoeker in wezen in een vergelijkbare positie van onzekerheid verkeert als de niet-begeleide minderjarig wiens positie tot het arrest TQ heeft geleid. Ook in het hoofdgeding zou dan het belang van het kind ondergeschikt zijn aan het belang van de autoriteiten om een terugkeerbesluit vast te kunnen stellen. In het hoofdgeding rijst daarom de vraag op welke wijze het belang van kind, dat gelet op artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 5 onder a) van richtlijn 2008/115 bescherming bieden aan verzoeker, moeten worden betrokken bij de beoordeling van het beroep in het hoofdgeding. 37. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, bepaalt dat de belangen van het kind bij alle handelingen een essentiële overweging vormen. Dit grondrecht van alle kinderen ziet naar het oordeel van de rechtbank dus niet alleen op een situatie waarin een besluit wordt genomen, maar ook op de situatie dat het nemen van een besluit wordt uitgesteld en in de situatie dat geen terugkeerbesluit wordt vastgesteld omdat een niet-begeleide minderjarige niet kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. 38. Artikel 6, lid 6, van richtlijn 2008/115 verplicht de lidstaten niet om gelijktijdig met de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming een beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het Unierecht zich er wel tegen dat er een tijdspanne als in het hoofdgeding zit tussen de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming en het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. In het hoofdgeding komt aan het belang van verzoeker om niet onnodig lang in grote onzekerheid te verkeren met betrekking tot zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding en de mogelijkheid om in Nederland te blijven, nauwelijks gewicht toe door de tijd die is gebruikt om te beslissen of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, dan wel dat een verblijfsvergunning moet worden verleend. Het toestaan van het uitstellen van het nemen van een beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit moedigt de autoriteiten niet aan om de verzoeken om internationale bescherming van niet-begeleide minderjarigen en vervolgens de beslissing over het uitvaardigen van een terugkeerbesluit uit te vaardigen, met voorrang en de nodige urgentie te behandelen teneinde rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van die minderjarigen en zouden dus zo, bedoeld of onbedoeld, door feitelijk handelen het nuttig effect aan de bescherming van het belang van het kind kunnen ontnemen. Het toestaan van een dergelijke uitlegging zou bovendien indruisen tegen de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid, aangezien daarmee geen gelijke en voorzienbare behandeling kan worden gewaarborgd van alle verzoeken om internationale bescherming van niet-begeleide minderjarigen. Tevens heeft het toestaan van een dergelijke uitgestelde beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tot gevolg dat de kans om een verblijfsvergunning te verkrijgen omdat in het land van terugkeer adequate opvang ontbreekt mede afhankelijk wordt van factoren die de nationale overheidsinstantie of rechterlijke instantie in de hand hebben, met name de snelheid waarmee deze autoriteiten de procedure van de niet-begeleide minderjarige afronden. De niet-begeleide minderjarige wordt dan afhankelijk gemaakt van toevallige en onvoorzienbare omstandigheden die volledig zijn toe te rekenen aan de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties en dit kan daarenboven leiden tot aanzienlijke verschillen, ook in de uiteindelijke uitkomst van de procedure. De rechtbank overweegt dat bovenstaande argumenten, die het Hof ter verduidelijking heeft gegeven in haar arrest van 1 augustus 2022 in de zaak XC , ook van toepassing kunnen worden geacht in het hoofdgeding ter beantwoording van de vraag of het uitstellen van de beslissing om een terugkeerbesluit uit te vaardigen verenigbaar is met het Unierecht en met name met het in het Verdragsrecht en het Unierecht verankerde belang van het kind. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022 overwogen dat indien richtlijn 2008/115 zo zou worden uitgelegd dat direct na de vaststelling van illegaal verblijf een terugkeerbesluit moet worden genomen, dit verweerder zou beletten om de verplichtingen die volgen uit het arrest TQ te effectueren. De rechtbank meent, anders dan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat uit het arrest TQ nu juist volgt dat een algemene en grondige beoordeling van het belang van het kind in de weg staat aan een tijdspanne tussen de afwijzing van het verzoek en het nemen van een beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit en daarentegen vereist dat in het hoofdgeding bij de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming kenbaar had moeten worden gemaakt dat adequate opvangvoorzieningen voor verzoeker in Afghanistan ontbreken en er daarom geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld. In paragraaf 10 van het Terugkeerhandboek van de Commissie is, zoals in de uitspraak van 8 juni 2022 van de Afdeling Bestuursrechtspraak ook is benoemd, het belang om snel duidelijkheid over de verblijfsstatus te geven benadrukt. In het Terugkeerhandboek is bovendien vermeld dat de lidstaten duidelijke regels inzake de wettelijke status van niet-begeleide minderjarigen moeten vaststellen. 39. De rechtbank meent tevens dat een dergelijke uitgestelde beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen met volledige eerbiediging van de grondrechten en de waardigheid van de betrokkenen . Het Hof heeft in het arrest TQ namelijk ook verduidelijkt dat de bevoegde nationale autoriteiten verplicht zijn om, zodra is vastgesteld dat het verblijf illegaal is, krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, onverminderd de uitzonderingen waarin de leden 2 tot en met 5 van hetzelfde artikel voorzien, een terugkeerbesluit uit te vaardigen . De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de eerder genoemde uitspraak van 8 juni 2020 overwogen dat geen van de bepalingen of overwegingen van richtlijn 2008/115 een termijn voor het nemen van een terugkeerbesluit na de vaststelling van illegaal verblijf bevat. De rechtbank overweegt dat dit juist is en dat in deze richtlijn, wellicht anders dan in de Terugkeerverordening die nog niet van toepassing is, geen verplichting bestaat om een terugkeerbesluit gelijktijdig met de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming te nemen. Het ontbreken van een concrete termijn in richtlijn 2008/115 om een terugkeerbesluit vast te stellen nadat een situatie van illegaal verblijf ontstaat, laat onverlet dat uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 de verplichting bevat om een terugkeerbesluit vast te stellen zodra blijkt dat sprake is van illegaal verblijf. De tijdspanne die in de Nederlandse werkwijze ontstaat door het onderzoek naar adequate opvang ziet op de vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen op grond van nationale regelgeving en beleid. Artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 geeft de lidstaten de bevoegdheid om een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. De Uniewetgever heeft evenwel niet bepaald dat dit betekent dat de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit kan worden uitgesteld en daarom de verplichting die volgt uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 tijdelijk terzijde kan worden geschoven. In het Terugkeerhandboek is vermeld dat de lidstaten krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, verplicht zijn om ofwel een verblijfsvergunning of wettelijk verblijfsrecht te verlenen, ofwel een terugkeerprocedure uit te voeren . De rechtbank leidt ook hieruit af dat het uitstellen van de beslissing omtrent het uitvaardigen van terugkeerbesluit jegens verzoeker niet verenigbaar lijkt met het Unierecht. 40. De feiten en omstandigheden die aan het arrest TQ ten grondslag lagen, hadden betrekking op de handelwijze van verweerder om voor niet-begeleide minderjarigen die 15 jaar en ouder waren een terugkeerbesluit vast te stellen zonder eerst na te gaan of sprake was van adequate opvang in het land van terugkeer en vervolgens de verwijdering uit te stellen totdat de betrokken niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Deze handelwijze is onverenigbaar met het Unierecht. In het hoofdgeding valt verzoeker vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 omdat op dat moment sprake is van illegaal verblijf. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 vereist dat de bevoegde autoriteiten alvorens een terugkeerbesluit jegens een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, nagaan of sprake is van adequate opvangvoorzieningen in het land van terugkeer waarnaar de niet-begeleide minderjarig kan worden teruggestuurd. De Uniewetgever heeft niet bepaald dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 een uitzondering vormt op de verplichting om zodra is vastgesteld dat het verblijf illegaal is, krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De uitzonderingen op deze verplichting zijn vermeld in de leden 2 tot en met 5 van artikel 6 van richtlijn 2008/115 en zijn uitputtend opgesomd. De Uniewetgever heeft het verrichten van onderzoek naar adequate opvang vanaf het moment dat de niet-begeleide minderjarige illegaal op het grond gebied van de lidstaat verblijft niet als een uitzondering op artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 benoemd. Het Hof heeft voorts in het arrest TQ verduidelijkt dat indien de betrokken lidstaat besluit dat een niet-begeleide minderjarige geen verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115, die minderjarige illegaal in die lidstaat verblijft. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanwijzing dat het Hof heeft willen verduidelijken dat het is toegestaan om na het ontstaan van illegaal verblijf pas, zoals in het hoofdgeding, na aanzienlijke tijd te beslissen of een verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115, en de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit eenvoudigweg tot dat moment uit te stellen. Voorts is in het arrest TQ gewezen op de rechtspraak van het Hof waaruit de verplichting voor de lidstaten volgt om op grond van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene en dat de lidstaten, gelet op zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van die richtlijn opgelegde verplichting om een terugkeerbesluit uit te voeren . 41. Verweerder mag in zijn beleid bepalen dat verzoeker mee moet werken aan het onderzoek van verweerder naar adequate opvang om voor vergunningverlening in aanmerking te komen. Verzoeker kan echter niet om medewerking worden verzocht op grond van richtlijn 2008/115. De verplichtingen die uit deze richtlijn volgen om een terugkeerbesluit vast te stellen indien sprake is van illegaal verblijf rusten immers uitsluitend op de autoriteiten. Dat verweerder, gelet op zijn beleid bij de beoordeling of een verblijfsvergunning aan de niet-begeleide minderjarige moet worden verleend, vaak ook moet nagaan of deze niet-begeleide minderjarige zich actief heeft ingezet om zijn vertrek te realiseren, betekent ook niet dat dit afbreuk kan doen aan de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen zodra sprake is van illegaal verblijf. De strekking en ratio van artikel 6 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, van deze richtlijn, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat de autoriteiten onverwijld na de vaststelling van illegaal verblijf, een terugkeerbesluit moeten uitvaardigen en dat terugkeerbesluit dan ook onverwijld moeten uitvoeren. 42. De rechtbank meent tot slot ook dat een uitgestelde beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit niet alleen indruist tegen het belang van het kind, en niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115, maar ook niet door de aard en omvang van het onderzoek wordt vereist. Verweerder kan zijn werkproces ook zo inrichten dat het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangvoorzieningen nagenoeg is afgerond op het moment dat het verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen, en zo aan zijn verplichtingen die volgen uit artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2, richtlijn 2008/115 voldoen. Het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangvoorzieningen vangt aan tijdens de asielprocedure van een niet-begeleide minderjarige doordat de contactambtenaar deze niet-begeleide minderjarige tijdens de asielgehoren vraagt naar zijn contacten met zijn ouders en eventuele andere familieleden, naar hun namen en adressen en naar de leefomstandigheden in het land van herkomst. Zoals uit de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt, wordt de beslissing of aan de vreemdeling een buitenschuldvergunning moet worden verleend, in beginsel pas genomen in de vertrekprocedure, na de afwijzing van de asielaanvraag. Dit zou komen doordat verweerder bij de beoordeling of de vreemdeling buiten zijn schuld niet kan vertrekken, vaak ook moet nagaan of de vreemdeling zich actief heeft ingezet om zijn vertrek te realiseren. Zoals de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet, heeft de verplichting van verweerder op grond van artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, geen betrekking op de vergunningverlening. Uit deze bepalingen volgt dat verweerder zodra sprake is van illegaal verblijf, een terugkeerbesluit moet nemen na zich te hebben vergewist dat adequate opvangvoorzieningen in het land van terugkeer beschikbaar en toegankelijk zijn voor de niet-begeleide minderjarige. Zolang op de asielaanvraag niet is beslist, mag van de niet-begeleide minderjarige niet worden verlangd dat hij handelingen verricht waarvoor hij zich tot de autoriteiten van het land van terugkeer moet wenden. De rechtbank overweegt dat het onderzoek naar adequate opvang zelden zal inhouden dat de niet-begeleide minderjarige zich tot de autoriteiten in het land van herkomst moet richten. In eerste instantie wordt door de DT&V ingezet op hereniging met de ouders of andere familieleden, maar als dat niet mogelijk is, wordt gezocht naar andere vormen van lokale opvang, zoals opvanghuizen. In de praktijk wordt voor de beoordeling of adequate opvang aanwezig is, gebruik gemaakt van algemene ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien meer maatwerk is vereist omdat er bijvoorbeeld aanwijzingen zijn dat er in een bepaalde opvangvoorziening adequate opvang aanwezig is, worden individuele deskundigenberichten opgevraagd. Ten slotte kunnen ook de voogdijinstelling Nidos en hulporganisaties als de IOM, de UNHCR en het Rode Kruis een rol spelen bij het herenigen van niet-begeleide minderjarigen met familieleden en het vinden van adequate opvang . Niet valt in te zien dat voor dit onderzoek contact moet worden opgenomen met de vertegenwoordiging van de autoriteiten van het land van terugkeer in Nederland of in het land van terugkeer. In het hoofdgeding had het onderzoek naar adequate opvang door DT&V kunnen worden verricht in dezelfde fase van de procedure waarin verweerder de beschermingsbehoefte van verzoeker heeft onderzocht. Het onderzoek naar adequate opvang heeft zich immers uitsluitend toegespitst op het verkrijgen van contact met de ouders die in Iran verblijven. Omdat DT&V geen contact hoefde op te nemen met de Afghaanse autoriteiten en dit onderzoek geen enkel contact met mogelijke actoren van vervolging of subsidiaire bescherming in het land van terugkeer vereiste, valt niet in te zien dat het onderzoek naar adequate opvang risicovol voor verzoeker kon zijn. Er is dus geen noodzaak geweest om pas met het nader onderzoek te starten na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming. De omvang van het onderzoek is bovendien beperkt geweest en heeft zich uitsluitend gericht op het contact krijgen met de ouders van verzoeker. Dat kan ook niet anders omdat uit algemene landeninformatie blijkt dat de autoriteiten in Afghanistan geen voogdijinstellingen en algemene opvangvoorzieningen hebben ingesteld. Daargelaten dat de ouders van verzoeker zich niet in het land van terugkeer bevinden en de bescherming van verzoeker als minderjarige zelfstandige drager van rechten niet kan afhangen van de keuzes van zijn ouders om buiten het land van terugkeer te verblijven, valt dus niet in te zien waarom het zou moeten worden toegestaan dat er een tijdspanne is ontstaan tussen het ontstaan van illegaal verblijf en het beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar eerdergenoemde uitspraak van 8 juni 2022 gewezen op de verplichting om op grond van artikel 24, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2013/33, welke verplichting thans is neergelegd in artikel 27, lid 10, van richtlijn 2024/1346, zo spoedig mogelijk nadat een verzoek om asielbescherming is ingediend, te beginnen met het opsporen van gezinsleden van de niet-begeleide minderjarige. Ook hieruit volgt dat het onderzoek naar adequate opvang dat reeds aanvangt bij het eerste contact met verweerder, zo spoedig mogelijk moet worden afgerond. De werkwijze die thans wordt gehanteerd heeft aanzienlijke gevolgen voor de rechtstoestand van verzoeker. De gevolgen voor verweerder, indien hij gelijktijdig met het onderzoeken van het verzoek om internationale bescherming onderzoek doet naar opvangmogelijkheden in het land van terugkeer, zijn zeer beperkt. Uitsluitend indien verweerder een internationalebeschermingsstatus verleent, is het onderzoek naar adequate opvang niet nodig geweest. Daar staat tegenover dat verweerder dan wel aan zijn verplichting heeft voldaan om zo spoedig mogelijk nadat een verzoek om asielbescherming is ingediend, te beginnen met het opsporen van gezinsleden van de niet-begeleide minderjarige. 43. Verzoeker was ten tijde van zijn verzoek om internationale bescherming 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud en ten tijde van de afwijzing van het verzoek 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud. Het onderzoek naar adequate opvang is voortgezet op 29 mei 2024, de dag waarop zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen. Dit onderzoek wordt definitief gestaakt op [geboortedatum] 2025, de dag waarop verzoeker de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en verweerder daardoor meent dat verzoeker geen bescherming meer kan ontlenen aan artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder had op 29 mei 2024 kunnen vaststellen dat er geen adequate opvangvoorzieningen in Afghanistan waren voor verzoeker en had dan aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving kunnen verlenen. Verweerder heeft deze beslissing evenwel uitgesteld omdat verweerder nader onderzoek wilde doen. Door het tijdsverloop dat met dit onderzoek gepaard is gegaan, heeft verzoeker zijn hoedanigheid als niet-begeleide minderjarige verloren, hoewel hij ‘slechts’ 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud was toen hij bescherming in Nederland vroeg. De rechtbank meent dat een uitgestelde beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit indruist tegen het belang van het kind, niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 en niet wordt vereist door de aard en de omvang van het onderzoek naar adequate opvang. Omdat het Unierecht echter op verschillende wijzen wordt begrepen, verzoekt de rechtbank het Hof om het Unierecht op deze punten nader te verduidelijken. In het hoofdgeding is deze uitlegging noodzakelijk omdat de rechtstoestand van verzoeker aanzienlijk verschilt naar gelang de wijze waarop artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten worden uitgelegd en toegepast. 44. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op het gewicht dat toekomt aan het belang van het kind, als een niet-begeleide minderjarige op het grondgebied van een lidstaat heeft verbleven omdat hij niet kon terugkeren naar het land van terugkeer vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen en deze betrokkene vervolgens meerderjarig wordt. 45. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 voorziet uitsluitend in bescherming tijdens de fase dat de illegaal verblijvende niet-begeleide derdelander minderjarig is en voorziet alleen in bescherming tegen de uitvaardiging en uitvoering van een terugkeerbesluit als er geen adequate opvangvoorzieningen in het land van terugkeer zijn. De autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke autoriteiten, zijn evenwel gedurende de gehele periode dat een derdelander onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt, verplicht om rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. 46. Verzoeker is op [geboortedatum] 2025 18 jaar oud geworden. Verweerder heeft op 22 december 2025 een voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit uitgebracht. In dit voornemen is onder meer medegedeeld dat de belangen die het Verdrag inzake de rechten van kind beschermen niet aan de orde zijn omdat verzoeker meerderjarig is. Verweerder heeft op 29 april 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld. In dit terugkeerbesluit is medegedeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het “buitenschuld beleid voor AMV” en wordt vastgesteld dat het verblijf van verzoeker illegaal is. Tevens wordt in het terugkeerbesluit een terugkeerverplichting opgelegd en is een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek bepaald. De terugkeerverplichting ziet op Afghanistan. Verzoeker was op het moment van het vaststellen van dit terugkeerbesluit 18 jaar, 7 maanden en 28 dagen oud. 47. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gehele procedure voorop heeft gestaan dat verzoeker minderjarig was . In het terugkeerbesluit wordt echter ook erkend dat uit het onderzoek van DT&V is gebleken dat er in Afghanistan geen adequate opvangvoorzieningen beschikbaar zijn. Verweerder heeft ook nooit betwist dat de ouders van verzoeker in Iran verblijven. 48. De verplichtingen die voor verweerder voortvloeien uit richtlijn 2008/115 houden geen Unierechtelijke verplichtingen voor verweerder in om tot vergunningverlening over te gaan. Geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 kan immers aldus worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfstitel verleent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander . Het Hof heeft ook reeds eerder verduidelijkt dat volgens artikel 51, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de bepalingen ervan de werkingssfeer van het Unierecht niet uitbreiden en dat bijgevolg niet kan niet worden geoordeeld dat een lidstaat op grond van de artikelen 1, 4 of 7 van het Handvest ertoe gehouden kan zijn om aan een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 vallende derdelander een verblijfsrecht toe te kennen. Ook de min of meer lange duur van het verblijf van die derdelander op het grondgebied van een lidstaat is in dit verband niet relevant . 49. De rechtbank vraagt zich evenwel af of het aanzienlijke tijdsverloop tussen het indienen van het verzoek om internationale bescherming op 14 augustus 2023 en het vaststellen van het terugkeerbesluit op 29 april 2026, betekent dat de bescherming die verzoeker kan ontlenen aan de hoedanigheid van niet-begeleide minderjarige die hij had ten tijde van het indienen van zijn verzoek en ten tijde van het afwijzen van dit verzoek, zonder betekenis is als -uiteindelijk- een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. De rechtbank heeft, zoals eerder overwogen, vastgesteld dat het tijdsverloop in deze procedure geen gevolg is van het handelen of nalaten van verzoeker, maar veeleer een gevolg is van de tijd die verweerder en de rechtbank nodig hebben gehad om zijn verzoek en beroep te beoordelen. Juist bij niet-begeleide minderjarigen dient onverwijld te worden beslist op hun verzoek om internationale bescherming en onverwijld te worden beslist of een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd om te voorkomen dat de bescherming die zij ontlenen aan hun kwetsbare positie teniet gaat door het tijdsverloop aan de zijde van de autoriteiten. 50. Het Hof heeft in het arrest TQ verduidelijkt dat alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk maakt om een besluit te nemen dat aan de vereisten van richtlijn 2008/115 voldoet en dat de lidstaat bij de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige terdege rekening moet houden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige. Het Hof heeft tevens uitgelegd dat een situatie van grote onzekerheid met betrekking tot de wettelijke status, de toekomst en mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven onverenigbaar is met het vereiste overeenkomstig artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, van het Handvest om het belang van het kind in alle fasen van de procedure te beschermen. 51. De rechtbank vraagt zich af of de enkele omstandigheid dat verzoeker op [geboortedatum] 2025 meerderjarig is geworden meebrengt dat zijn verblijf in Nederland als niet-begeleide minderjarige zonder betekenis is bij de uiteindelijke uitvaardiging van het terugkeerbesluit. Verzoeker kan als meerderjarige derdelander strikt genomen geen bescherming ontlenen aan rechten die specifiek aan minderjarigen toekomen. Indien verweerder echter onverwijld na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming had vastgesteld dat adequate opvangvoorzieningen in Afghanistan voor verzoeker ontbreken, was duidelijk dat er geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd zolang verzoeker minderjarig was. Deze vaststelling kon onmiddellijk worden gedaan omdat dit een beperktere beoordeling vergt dan de beoordeling of verweerder in die situatie op grond van Nederlandse regelgeving en beleid een verblijfsvergunning had moeten verlenen. 52. Indien het belang van het kind daadwerkelijk de eerste overweging is bij de verlening van een verblijfsvergunning aan een niet-begeleide minderjarige die niet kan terugkeren vanwege het ontbreken van adequate opvang, zal doorgaans een duurzaam verblijfsrecht dat perspectief biedt op bestendig verblijf in de lidstaat moeten worden verleend. De verblijfsvergunning en met name de duur van de geldigheid van deze vergunning louter afhankelijk maken van de biologische leeftijd en het bereiken van de meerderjarigheid volstaat dan niet om ten volle invulling te geven aan het belang van het kind. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat tot aan de meerderjarigheid van verzoeker in de procedure is gehandeld met aandacht voor zijn minderjarigheid, betekent dit, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet dat er geen verderstrekkende beoordeling van het belang van het kind dient plaats te vinden. 53. Verweerder maakt gebruik van de bevoegdheid die artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 biedt. Verweerder vindt evenwel dat gelet op grond van zijn beleid aan verzoeker geen verblijfsvergunning hoeft te worden verleend ondanks dat er geen opvangvoorzieningen in Afghanistan zijn geweest in de periode dat verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 viel en nog minderjarig was. De rechtbank zal in haar einduitspraak beoordelen of deze beslissing stand kan houden. Ongeacht of verweerder gevolgd zou moeten worden in dit standpunt, heeft te gelden dat artikel 5, onder b) van richtlijn 2008/115 verweerder verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn 2008/115 rekening te houden met het familie- en gezinsleven. Het Hof heeft in haar arrest van 22 november 2022 in de zaak X (Medicinale Cannabis) verduidelijkt dat hoewel dit artikel 5 het privéleven van de illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander niet vermeldt als een van de factoren waarmee de lidstaten rekening moeten houden bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, uit het hoofddoel van deze richtlijn volgt dat de door het Handvest aan de derdelander toegekende grondrechten moeten worden geëerbiedigd en dat dus geen terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel kan worden vastgesteld indien daarmee inbreuk zou worden gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander. Het Hof heeft er hierbij op gewezen dat het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven van de derdelander, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, overeenkomt met het in artikel 8 EVRM verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend . Het Hof heeft verder onder verwijzing naar haar arrest van 8 mei 2018 in de zaak K.A. e.a. er op gewezen dat artikel 5, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie‑ en gezinsleven van de betrokken derdelander. 54. Richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereist niet dat verweerder een verblijfsvergunning verleent aan verzoeker nu hij meerderjarig is. De rechtbank verzoekt het Hof evenwel om te verduidelijken of het verblijf van verzoeker in Nederland in de periode vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen maar geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld omdat verzoeker niet kon terugkeren naar Afghanistan vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen, moet worden betrokken bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. De rechtbank verzoekt het Hof daarbij om te preciseren op welke wijze en in welke mate het belang van het kind bij deze beoordeling moet worden betrokken. Aan het verloop van de procedure en met name het aanzienlijke tijdsverloop hierin en de omstandigheid dat de Uniewetgever niet-begeleide minderjarigen uitdrukkelijk aanmerkt als kwetsbaar, dient naar het oordeel van de rechtbank gewicht toe te komen bij de beoordeling of artikel 5, onder b) van richtlijn 2008/115 in de weg staat aan de uitvaardiging van het terugkeerbesluit. Een andere uitlegging zou tot gevolg kunnen hebben dat door het tijdsverloop in de procedure, waar verzoeker geen invloed op heeft gehad, de bescherming die verzoeker als niet-begeleide minderjarige toekomt beperkt is gebleven tot procedurele waarborgen en een Nederlands verblijfsrecht dat uitsluitend tot doel had om de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit uit te kunnen stellen. De rechtbank overweegt hierbij dat het illegale verblijf van verzoeker dat is ontstaan op 29 mei 2024 toen zijn verzoek om internationale bescherming is gewezen, wezenlijk verschilt van illegaal verblijf van meerderjarige derdelanders die geen uitvoering geven aan hun terugkeerverplichting terwijl hun grondrechten niet aan vertrek naar het land van terugkeer in de weg staan en die eenvoudigweg niet worden verwijderd door de autoriteiten. Verzoeker heeft zich als niet-begeleide minderjarige in een zeer precaire positie bevonden. Vanaf 29 mei 2024 is hem te verstaan gegeven dat aan hem geen internationale bescherming wordt verleend en vanaf dat moment hebben zijn verblijf en toekomst in Nederland een ongewis karakter gekregen. Verzoeker heeft op 14 augustus 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Op geen enkel moment vanaf 14 augustus 2023 zijn in Afghanistan voor verzoeker adequate opvangvoorzieningen aanwezig geweest. Verweerder heeft dit erkend. Niet alleen betekent dit dat verweerder niet bevoegd was om een terugkeerbesluit vast te stellen en niet bevoegd was om verzoeker te verwijderen tot [geboortedatum] 2025, de dag waarop verzoeker meerderjarig is geworden. Het ontbreken van opvangvoorzieningen betekent ook dat verzoeker zich niet uit eigen beweging heeft kunnen onttrekken aan deze situatie van grote onzekerheid over zijn verblijfsmogelijkheden en toekomst in Nederland. Het is in dit verband niet relevant of verzoeker op grond van Nederlands recht in Nederland mocht verblijven. De inherente kwetsbaarheid van verzoeker als niet-begeleide minderjarige, die in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 door de Uniewetgever tot uitdrukking is gebracht, rechtvaardigt namelijk de aanname dat verzoeker zich niet zelfstandig naar Afghanistan had kunnen begeven en rechtvaardigt de aanname dat verzoeker zich niet zelfstandig had weten staande te houden in Afghanistan. Verzoeker heeft via een derde contact met zijn ouders. De ouders van verzoeker verblijven evenwel in Iran en verzoeker heeft niet de Iraanse nationaliteit en heeft geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf van de Iraanse autoriteiten verkregen. Verzoeker was dus ook niet in staat om zich naar Iran te begeven om zich bij zijn ouders te voegen. Verzoeker is evenmin verantwoordelijk voor de gedragingen en keuzes die zijn ouders maken. Verzoeker heeft verklaard dat zijn vader heeft verteld dat het gezin uit Afghanistan is gevlucht voor de Taliban. De veronderstelling van verweerder dat deze ouders op hun zorgplicht gewezen hadden kunnen worden als DT&V in contact kon komen met hen en dan een terugkeerbesluit had worden vastgesteld, acht de rechtbank weinig begrijpelijk. De rechten die verzoeker als niet-begeleide minderjarige had zijn namelijk zelfstandige rechten die hem als drager van die rechten toekomen. Dat een minderjarige doorgaans afhankelijk is van volwassenen om zijn rechten te kunnen effectueren, rechtvaardigt niet de aanname dat ouders verplicht kunnen worden om terug te keren naar Afghanistan en dus, als contact met de ouders tot stand zou zijn gekomen, een terugkeerbesluit had kunnen worden uitgevaardigd met mededeling hiervan aan de ouders die in Iran verblijven. 55. Indien aan deze feiten en omstandigheden die het verblijf van verzoeker in Nederland tot aan het bereiken van de meerderjarigheid karakteriseren, geen gewicht kan toekomen bij de beoordeling of het privéleven van verzoeker in de weg staat aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit op 29 april 2026, is aan de bescherming die artikel 5, onder a, van richtlijn 2008/115, en artikel 10, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, deels het nuttig effect ontvallen en is het belang van het kind geen eerste overweging geweest in de procedure die verzoeker in Nederland op 14 augustus 2023 is gestart door het indienen van een verzoek om internationale bescherming. De rechterlijke autoriteit is ook gebonden aan de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn en de verplichtingen die de Uniewetgever in artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft neergelegd gelden ook voor de rechterlijke autoriteit. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om te verduidelijken op welke wijze door de rechtbank in deze procedure invulling moet worden gegeven aan deze verplichtingen. Conclusie en prejudiciële vragen 56. Verzoeker, die de Afghaanse nationaliteit heeft, was tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Ten tijde van het besluit waarin dit verzoek is afgewezen was verzoeker 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud. Verzoeker was ten tijde van zijn verzoek om internationale bescherming en ten tijde van de afwijzing van dat verzoek een niet-begeleide minderjarige zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115. 57. Vanaf de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming op 29 mei 2024 is sprake van illegaal verblijf zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115 en valt verzoeker onder de werkingssfeer van deze richtlijn. 58. Het beslissen of een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd of dat daarvan moet worden afgezien omdat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 hieraan in de weg staat, is een verplichting die -uitsluitend- op verweerder rust. Deze verplichting ziet niet op de verlening van een verblijfsvergunning omdat geen enkele bepaling uit richtlijn 2008/115 de lidstaten verplicht tot het verlenen van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf. 59. Verweerder maakt gebruik van de bevoegdheid die artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 biedt. Verweerder heeft krachtens deze bevoegdheid onder meer beleid vastgesteld op grond waarvan niet-begeleide minderjarigen die niet kunnen worden verwijderd omdat zij niet kunnen terugkeren naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden begint al bij het eerste contact van de niet-begeleide minderjarige met de contactambtenaar van verweerder. De verblijfsvergunning die op grond van dit beleid wordt verleend, betreft een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving. Een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een dergelijke verblijfsvergunning is het moeten meewerken aan het onderzoek naar adequate opvang dat wordt verricht als bij de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming niet aanstonds kan worden vastgesteld dat er sprake is van opvangmogelijkheden. 60. Op het moment dat verweerder het verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen, was in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd aanwezig. Verweerder heeft dit erkend maar heeft hiervan geen schriftelijke bevestiging gegeven. Dit betekent dat op dat moment artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg stond. 61. Verweerder heeft evenwel na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden in Afghanistan verricht. 62. Verweerder heeft in het hoofdgeding vanwege dit nadere onderzoek, op grond van zijn beleid en in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beslissing om een terugkeerbesluit uit te vaardigen in wezen uitgesteld. 63. Het beleid dat verweerder heeft vastgesteld om een vergunning te verlenen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen mag geen afbreuk doen aan de Verdragsrechtelijke en Unierechtelijke verplichtingen van verweerder om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn bij alle handelingen die verweerder verricht en bij alle handelingen die verweerder nalaat om (onverwijld) te verrichten. 64. De rechtbank meent dat het uitstellen van een beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit indruist tegen het belang van het kind, niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 en niet wordt vereist door de aard en de omvang van het onderzoek naar adequate opvang zoals verweerder dat in het hoofdgeding heeft verricht. 65. Verzoeker bereikt tijdens dit onderzoek naar adequate opvang de leeftijd van 18 jaar. De verplichtingen die verweerder jegens verzoeker heeft op grond van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, vervallen door deze omstandigheid. Verweerder kan dan ook een terugkeerbesluit vaststellen en doet dat ook op 29 april 2026. Verzoeker is dan 18 jaar, 7 maanden, 28 dagen oud. 66. De rechtbank vraagt zich af welk gewicht nog kan toekomen aan artikel 5 onder a) van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de situatie dat sprake is van aanzienlijk tijdsverloop tussen de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming en de vaststelling van een terugkeerbesluit en de niet-begeleide minderjarige gedurende dit tijdsverloop de leeftijd van 18 jaar bereikt. De rechtbank vraagt zich dit temeer af omdat verweerder niet onverwijld heeft beslist op het verzoek om internationale bescherming en omdat de rechtbank niet onverwijld uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen de afwijzing van het verzoek. Dit zijn namelijk omstandigheden die buiten de invloedsfeer van verzoeker liggen, maar wel mede tot gevolg hebben dat verzoeker meerderjarig is geworden voordat het onderzoek naar adequate opvang was afgerond. 67. De eerste prejudiciële vraag van de rechtbank is de vraag of de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te geven. 68. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op het gewicht dat toekomt aan het belang van het kind, als een niet-begeleide minderjarige op het grondgebied van een lidstaat heeft verbleven omdat hij niet kon terugkeren naar het land van terugkeer vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen en deze betrokkene vervolgens meerderjarig wordt. 69. Richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, van het Handvest van de grondrechten vereist niet dat verweerder een verblijfsvergunning toekent aan verzoeker nu hij meerderjarig is. De rechtbank verzoekt het Hof evenwel om te verduidelijken of het verblijf van verzoeker in Nederland in de periode vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen maar geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld omdat verzoeker niet kon terugkeren naar Afghanistan vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. De rechtbank verzoekt het Hof daarbij om te preciseren op welke wijze en in welke mate het belang van het kind bij deze beoordeling moet worden betrokken. 70. Indien aan de feiten en omstandigheden die het verblijf van verzoeker in Nederland tot aan het bereiken van de meerderjarigheid karakteriseren geen gewicht kan toekomen bij de beoordeling of het privéleven van verzoeker in de weg staat aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit op 29 april 2026, is aan de bescherming die artikel 5, onder a, van richtlijn 2008/115, en artikel 10, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bieden, deels het nuttig effect ontvallen en is, naar het oordeel van de rechtbank, het belang van het kind geen eerste overweging geweest in de procedure die verzoeker in Nederland op 14 augustus 2023 is gestart door het indienen van een verzoek om internationale bescherming. 71. De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a), en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te verstrekken? II Moeten artikelen 5, onder a) en b), 6, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het illegale verblijf in de lidstaat in de periode dat geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd omdat de niet-begeleide minderjarige (nog) niet naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van herkomst kon worden teruggestuurd, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit als deze niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt? Zo ja, op welke wijze en in welke mate moet het belang van het kind bij deze beoordeling worden betrokken? 72. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan. Beslissing De rechtbank: -verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 71 geformuleerde vragen; -schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 augustus 2026. Rechtsmiddel Tegen deze verwijzingsuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak. Dit rechtmatig verblijf is gegrond op artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026 en betreft geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115. ECLI:NL:RBDHA:2025:7825. 202502749/1/V2, niet gepubliceerd. Geregistreerd onder NL26.29331. Artikel 45 Vreemdelingenwet 2000, zoals deze bepaling luidde tot 12 juni 2026. Artikel 3.48, lid 2 onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 juncto B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (B). De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is de professionele uitvoerder van het terugkeerbeleid van de Nederlandse overheid en regisseert het daadwerkelijk vertrek van vreemdelingen die geen recht hebben op verblijf in Nederland. Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026. Deze toestemming om de uitkomst van het onderzoek naar adequate opvang in Nederland af te mogen wachten is geen verblijfsvergunning. In informatiebericht IB 2025/13, dat geldig is van 8 april 2025 tot en met 1 november 2026, is vermeld dat het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 op dit punt zullen worden aangepast. Immigratie- en Naturalisatiedienst. Alleenstaande minderjarige vreemdeling. Deze benaming wordt in de Nederlandse rechtspraktijk gehanteerd om een niet-begeleide minderjarige te duiden. Arrest van het Hof van 14 januari 2021, TQ, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9, punt 38. Het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen waardoor is gewaarborgd dat de terugkeerverplichting is opgeschort. Arrest van het Hof van 19 juni 2018 in de zaak Gnandi, C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465, punten 46 en 47. Arrest van het Hof van 12 september 2024 in de zaak Changu, C-352/23, ECLI:EU:C:2024:748, punt 63. Arrest van het Hof van 14 januari 2021, TQ, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9. ECLI:NL:RVS:2022:1530. ECLI:NL:RBDHA:2021:2376. Arrest van het Hof van 22 november 2022, X (medicinale cannabis), C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punten 88 en 89. Arrest van het Hof van 13 mei 2026 in de zaak Shamsi, C-877/24, ECLI:EU:C:2026:397, punt 70. Arrest van het Hof van 22 november 2002, X (medicinale cannabis), C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 84. Arrest van het Hof van 1 augustus 2022 in de zaal XC tegen Landkreis Cloppenburg, C-279/20, ECLI:EU:C:2022:618, XC tegen Duitsland, punten 47-52. Bijlage bij Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken, paragraaf 10.2. Zie ook bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 13 mei 2026 in de zaak Shamsi 13 mei 2026, C-877/24, ECLI:EU:C:2026:397, punt 39. Zie ook bijvoorbeeld de arresten van het Hof van 13 mei 2026 in de zaak Shamsi 13 mei 2026, C-877/24, ECLI:EU:C:2026:397, punt 27 en van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur, C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257, punt 31.