Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:22098
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28555 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.B. Ullah), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden). Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 3 augustus 2025 heeft verweerder verzocht om aanhouding van het beroep om nader onderzoek te doen in het licht van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. De geplande zitting van 6 augustus 2025 heeft geen doorgang gevonden. Op 20 september 2025 heeft er een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Verweerder heeft op 20 november 2025 een aanvullend besluit genomen. Eiser heeft op 17 december 2025 een reactie op het aanvullend besluit ingediend. Verweerder heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.28556), op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Fayez als tolk en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en komt uit de regio [locatie] . Eiser is geboren op [geboortedatum] en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser heeft een conflict met de eigenaar van een voetbalclub waarbij zijn grond in beslag is genomen. Eiser heeft hiertegen aangifte gedaan en de rechtbank in Libië heeft eiser in het gelijk gesteld. Eiser is vervolgens op dagelijkse basis bedreigd door gemaskerde mannen. Hij vreesde voor de veiligheid van zijn kinderen en heeft Libië in 2022 verlaten. Eiser is via Tunesië en Algerije naar Nederland gereisd. Daarna is eiser naar Libië teruggekeerd om de begrafenis van zijn vader bij te wonen. In 2024 is eiser weer naar Nederland gekomen om bij zijn kinderen te zijn. In Nederland heeft eisers vrouw een scheiding aangevraagd. Zij heeft het gezag over de kinderen. Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd: Libisch paspoort (positief beoordeeld) Rijbewijs (negatief beoordeeld) Geboorteakte (positief beoordeeld) Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst 2.1. Verweerder heeft dit asielmotief geloofwaardig geacht. Eisers problemen met de eigenaar van de voetbalclub heeft verweerder niet als asielmotief aangemerkt omdat eiser meermaals expliciet heeft benadrukt dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij bij zijn kinderen wil zijn, en niet vanwege een bestaande dreiging in Libië. Volgens verweerder heeft de reden van eisers asielaanvraag dan ook geen raakvlak met het vluchtelingschap zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 2.2. Het asielmotief van eiser leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop en omdat eiser volgens verweerder geen aangelegenheden naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor de vraag of hij recht heeft op een asielvergunning, is de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) , in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het bestreden Verweerder stelt zich hierover naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit erop duidt dat eiser geen internationale bescherming behoeft vanwege de gestelde problemen met de grond. 7.3. Bovendien wijst verweerder er terecht op dat eiser zowel in het aanmeldgehoor als in het nader gehoor heeft verklaard dat de voornaamste reden van zijn asielaanvraag is dat hij bij zijn kinderen in Nederland wil zijn. Zo heeft eiser op de vraag wat de reden is dat hij Libië heeft verlaten verklaard dat zijn kinderen hier zijn en dat hij bij zijn kinderen wil zijn (pagina 10 aanmeldgehoor), dat hij in de buurt van zijn kinderen wil zijn, en dat het hem niet uitmaakt of dit in Nederland of buiten Nederland is. De verblijfsvergunning, zo geeft eiser aan, is voor hem niet het belangrijkst, dat zijn zijn kinderen (pagina 6 nader gehoor). Ook heeft eiser verklaard dat hij met zijn kinderen kan terugkeren naar Libië, maar niet naar zijn woonplaats (pagina 9 nader gehoor). Wanneer eiser wordt gevraagd of hij asiel heeft aangevraagd om zijn kinderen terug te krijgen, antwoordt eiser instemmend en verklaart hij dat hij bij hen wil verblijven, of ze ergens anders mee naartoe wil nemen om met hun samen te leven (pagina 11 nader gehoor). Verweerder heeft in eisers verklaringen terecht geen omstandigheden gezien die kunnen worden aangemerkt als aangelegenheid die ter zake doen voor zijn asielaanvraag. Zijn verklaringen houden immers geen verband met de vraag of hij bescherming nodig heeft vanwege een gegronde vrees voor vervolging of een risico op schending van fundamentele mensenrechten. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet. Qadhafi-loyalist 8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of hij kan worden aangemerkt als Qadhafi-loyalist omdat Qadhafi-loyalisten een risicoprofiel vormen in het beleid van verweerder. In zijn aanvullende gronden heeft eiser daarnaast nog aangevoerd dat zijn vader een [functie] was in het regime van Qadhafi, in welk kader eiser ook een brief en een foto heeft overgelegd. Op de zitting heeft eiser nog verklaard dat hij na de val van het regime Qadhafi is vastgehouden en is verhoord. 8.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en dat er geen aanleiding is om nader te onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser niet heeft verklaard dat hij een Qadhafi-loyalist is. Ook heeft eiser verklaard nooit persoonlijke problemen te hebben ervaren vanwege zijn politieke overtuiging en heeft eiser op de vraag wat er zou gebeuren als hij zou terugkeren naar Libië enkel gewezen op de problemen met de grond (pagina 7 en 8 nader gehoor). Ook in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor en het nader gehoor heeft eiser niks naar voren gebracht over het zijn van Qadhafi-loyalist. Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser meerdere keren is gevraagd of hij alles naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft hier bevestigend op geantwoord (o.a. pagina 6 en 12 nader gehoor). Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. De enkele eerst ter zitting afgelegde verklaring dat hij na de val van het Qadhafi regime is vastgehouden en verhoord is daarvoor onvoldoende. Ook in de door eiser in beroep overgelegde documenten heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om het zijn van Qadhafi-loyalist nader te onderzoeken. Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat niet is gebleken dat de man die op deze documenten wordt benoemd daadwerkelijk eisers vader is. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 15c van de Kwalificatierichtl Eiser heeft verder gewezen op pagina 43 en 44 van het Algemeen Ambtsbericht. Hierin staat onder andere dat er van maart 2023 tot en met juni 2025 66 incidenten van protesten gevechten, geweld als gevolg van explosieven/geweld op afstand en geweld tegen burgers zijn geregistreerd. Bij deze incidenten vielen ten minste 39 doden. Bij 36 van die incidenten waren (met 19 doden) burgers het belangrijkste of enige doelwit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat er sprake is van de hoogste gradatie van 15c. Niet is gebleken dat de incidenten op zo’n grote schaal plaatsvinden dat alleen iemands aanwezigheid in het oosten van Libië al resulteert in een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft ook niet gemotiveerd waarom deze verwijzing tot de conclusie moet leiden dat geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals verweerder stelt. 11.3. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er in [locatie] sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico op schade loopt. 11.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheden. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor immers alleen voorbeelden van gericht geweld naar voren gebracht. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn problemen meer persoonlijk zijn (pagina 5 aanvullend gehoor) en heeft eiser op de vraag of hij enkel risico loopt om slachtoffer te worden van geweld gericht op hem als persoon bevestigend geantwoord (pagina 7 aanvullend gehoor). Bovendien betwist eiser niet dat hij in andere delen van Libië wel veilig kan verblijven. Dit blijkt ook uit eisers verklaringen waarin hij zegt dat hij niet kan terugkeren naar zijn woonplaats, maar wel ergens anders (pagina 8 nader gehoor) en dat eiser in een ander deel van Libië kan wonen (pagina 11 nader gehoor). Gelet op eisers verklaringen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De beroepsgrond slaagt niet. Risico bij (gedwongen) terugkeer 12. Eiser heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat een gedwongen terugkeer naar Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is er volgens eiser niet in geslaagd om elke twijfel over een risico op schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Eiser heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 2 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:8250), de uitspraak van zittingsplaats Groningen van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7309) en pagina 131 en 132 van het Algemeen Ambtsbericht. 12.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiser bij gedwongen terugkeer naar Libië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat eiser eerder naar Libië is teruggekeerd en dat hij heeft verklaard geen problemen te hebben ondervonden en niets zou hebben vernomen van de gewapende groepering. Ook eisers broer, die eisers huis in Libië bezocht, is niet bedreigd (pagina 8 nader gehoor). Over de inbeslagname van zijn stuk grond door de overheid heeft eiser verder verklaard dat deze zonder probleem van hem is afgepakt en dat hij daar een vergoeding