Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:22086
Asiel, Marokko, opvolgende aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, problemen met mensensmokkelaar niet geloofwaardig. Beroep ongegrond, problemen met mensensmokkelaar terecht ongeloofwaardig, geen onderbouwing van problemen, eiser heeft stellingen in beroep niet verder onderbouwd. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.22898 (beroep) NL26.22899 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2003, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.C. Kadijk). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 19 maart 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 22 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en F. El Haji als tolk in de Marokkaans-Arabische taal deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026. 3. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening. Waar gaat deze zaak over? Eerdere procedure 4. Op 21 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft later op 28 september 2025 een eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 14 oktober 2025 buiten behandeling gesteld omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld. Het besluit van 14 oktober 2025 staat dus in rechte vast. 5. De onderhavige zaak gaat over de opvolgende asielaanvraag van eiser. Het asielrelaas 6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Marokko heeft verlaten vanwege armoede en werkloosheid. Via Instagram ontmoette hij een mensensmokkelaar die hem via de illegale route per boot naar Europa kon brengen. Hij betaalde hem duizend euro voorschot. In Spanje lukte het hem niet om de rest van het bedrag te verdienen. De smokkelaar bleef eiser bellen en bedreigen en bezocht ook eisers familieleden. In augustus 2025 heeft eiser hem geblokkeerd en niet meer gesproken. Daarnaast heeft eiser verklaard problemen te hebben met de maffia. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser dat de mensensmokkelaar hem gaat vermoorden. Het bestreden besluit 7. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met de mensensmokkelaar. 7.1. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen met de mensensmokkelaar niet. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende onderbouwd met documenten. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft eiser geen goede verklaring voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van zijn asielaanvraag. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Marokko. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit , hij de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen , zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard en hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was . Wat vindt eiser in beroep? 8. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst stelt eiser dat de minister de problemen met de maffia als zelfstandig asielmotief had moeten beoordelen. Daarnaast vindt de minister de problemen met de mensensmokkelaar ten onrechte ongeloofwaardig. Het is voor eiser onmogelijk om documenten van de bedreigingen over te leggen nu deze mondeling plaatsvonden. Daarnaast heeft eiser consistent en voldoende duidelijk over zijn relaas verklaard. De minister heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom wordt tegengeworpen dat eiser aliassen heeft gebruik. Eiser heeft, anders dan de minister stelt, wel een goede reden voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van zijn asielaanvraag. Daarbij komt dat eiser zijn uitzetting niet heeft willen uitstellen. Tot slot stelt eiser dat hij moeilijk een aanvraag voor verblijf bij zijn verloofde kan indienen omdat hij vastzit. Wat is het oordeel van de rechtbank? 9. De rechtbank beoordeelt, op de wijze zoals vermeld in overweging 3, of de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk omdat de beroepsgronden geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ontvankelijkheid van de rechtbank 10. Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan worden toegekomen, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroep ontvankelijk is gelet op het standpunt van de minister ter zitting dat de gronden niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft eiser in haar brief van 1 juni 2026 verzocht om uiterlijk op 8 juni 2026 de gronden van beroep in te dienen. De rechtbank heeft de gronden op 7 juni 2026 ontvangen in het dossier van de voorlopige voorziening . Eiser heeft de gronden dus tijdig ingediend. De rechtbank verklaart het beroep om die reden dan ook ontvankelijk. Problemen met de maffia als apart asielmotief 11. Voor zover eiser aanvoert dat de minister de problemen met de maffia als zelfstandig asielmotief had moeten beoordelen, is dit punt op de zitting opgehelderd en heeft eiser deze beroepsgrond laten vallen. De gemachtigde heeft desgevraagd aangegeven dat de problemen met de maffia samenvallen met de problemen van de mensensmokkelaar. Omdat de beroepsgrond is laten vallen, behoeft dit punt dan ook geen verdere bespreking. Problemen met de mensensmokkelaar 12. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met de mensensmokkelaar terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser zijn problemen onvoldoende met documenten heeft onderbouwd. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij ook geen contact heeft gehad met zijn familie over eventuele onderbouwing van de bedreigingen. Eiser heeft verder gesteld dat zijn telefoon is gestolen en dat hij daarom de gestelde telefonische bedreigingen en zijn stelling dat hij het telefoonnummer van zijn bedreigers heeft geblokkeerd niet kan aantonen. Ook deze stelling heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser stelt in beroep dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet voldoende en consistent over zijn problemen zou hebben verklaard. Nu eiser deze stelling niet verder heeft onderbouwd, kan de rechtbank niet opmaken waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat deze beroepsgrond niet kan slagen. 12.1. Voor zover eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser wordt tegengeworpen dat hij gebruik heeft gemaakt van aliassen, overweegt de rechtbank dat de minister in het voornemen heeft toegelicht welke aliassen eiser in het verleden heeft gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 12.2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen goede reden heeft voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van zijn asielaanvraag, nu eiser dit niet nader heeft onderbouwd. De minister heeft in het voornemen en het bestreden besluit toegelicht waarom deze reden niet verschoonbaar is. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het besluit op dit punt onjuist is. Voor zover eiser stelt dat hij zijn asielaanvraag niet heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen, leidt dit ook niet tot een ander oordeel. De minister heeft terecht van eiser mogen verwachten dat hij zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk kenbaar maakt. Uit het feit dat eiser op het moment van het vertrekgesprek pas asiel aanvraagt, terwijl hij dan al maanden in vreemdelingenbewaring zit, heeft de minister terecht kunnen concluderen dat eiser met het indienen van de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk is geweest en dat hij daarmee zijn uitzetting heeft willen uitstellen. Aanvraag in kader van verblijf bij verloofde 13. Voor zover eiser in beroep stelt dat het voor hem moeilijk is om een aanvraag in te dienen voor verblijf bij zijn verloofde [persoon] gelet op het feit dat hij vastzit, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank merkt allereerst op dat eiser maar zeer beperkte informatie heeft kunnen geven over de gestelde relatie. Zo heeft hij verklaard dat sinds maart dit jaar met haar samen is, zij verloofd zijn en hij met haar wil trouwen. Ook heeft eiser verklaard dat hij alleen haar voornaam weet en haar achternaam en geboortedatum niet. Ook haar adres heeft eiser niet genoemd. Ter onderbouwing heeft eiser geen verdere documenten overgelegd. Gelet op de summiere informatie die eiser over de relatie heeft verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de minister dit voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de minister gehouden was om een beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten, slaagt deze beroepsgrond dus niet. Afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond 14. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zoals in overweging 12.1. en 12.2. overwogen, heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit, hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. Daarnaast heeft de minister de aanvraag ook afgewezen op de grond dat eisers aanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond dan ook voldoende heeft gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 15. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. 16. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 17. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.22898: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.22899: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f, g en h, van de Vw 2000. Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad. Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347. Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. NL26.22899. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f, g en h, van de Vw 2000.