Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:22077
Kort geding. LIMM wil bekers die volgens haar plasticvrij zijn zonder markering verkopen. Zij vordert dat de voorzieningenrechter de ILT beveelt om een standpunt in te nemen over de vraag of een markering nodig is. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. Het is niet de taak van de ILT om daarover een standpunt in te nemen voordat een product op de markt is gebracht. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/708646 / KG ZA 26-767 Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026 in de zaak van LIMM B.V. te Oosterwolde, eiseres, hierna te noemen: LIMM, advocaten: mr. C.S.G. de Lange en mr. V.N. Oosterom, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, althans de ILT, advocaten: mr. N.J.K. Eijpe en mr. M.T. Peters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de akte overlegging producties, met producties 1 tot en met 7; - de dagvaarding van 10 juli 2026; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8; - de akte overlegging aanvullende productie van LIMM, met productie 8; - de mondelinge behandeling van 24 juli 2026, waarbij door LIMM pleitnotities zijn overgelegd; - de brief van de Staat met bijlage van 30 juli 2026; - de brief van LIMM met twee bijlagen van 30 juli 2026. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling van 24 juli 2026 is de zaak aangehouden in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Na ontvangst van de brieven van 30 juli 2026, waarin partijen zich hebben uitgelaten over deze uitspraak, is vonnis bepaald op 14 augustus 2026. Het vonnis is vervolgens – na vooraankondiging – vandaag uitgesproken. 2 De feiten 2.1. LIMM wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn (hierna: de bekers). De bekers zijn niet voorzien van een markering als bedoeld in artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (hierna: Bbv). 2.2. Bij brief van 8 januari 2026 heeft LIMM de Inspectie Leefomgeving en Transport (de ILT) verzocht om het haar te laten weten indien zij van mening is dat de bekers niet voldoen aan de eisen om als plasticvrij product in de markt te worden gezet. 2.3. Bij brief van 27 januari 2026 heeft de ILT LIMM laten weten dat zij geen antwoord kan geven op de vraag of de bekers al dan niet plastic bevatten, omdat de ILT geen rol heeft in het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic. Pas op het moment dat LIMM de bekers daadwerkelijk op de markt brengt, is het aan de ILT om vast te stellen of de bekers inderdaad plasticvrij zijn en terecht niet zijn voorzien van de markering op basis van artikel 15e van het Bbv, zo staat in deze brief. De ILT heeft in deze brief enkele aandachtspunten vermeld waar zij op let bij het vaststellen of eenmalige drank- en voedselverpakkingen plastic bevatten. Een daarvan is dat lijmen, verven en inkten als polymere materialen van de SUP-richtlijn zijn uitgesloten als deze niet als structureel hoofdbestanddeel fungeren. 2.4. Bij brief van 1 april 2026 heeft LIMM een proefpakket van de bekers aangeboden aan de ILT. Bij brief van dezelfde datum heeft LIMM de ILT verzocht handhavend op te treden tegen het op markt brengen van de bekers zonder markering op grond van artikel 15e van het Bbv. 2.5. Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) het verzoek om handhaving afgewezen omdat zij van mening was dat geen sprake was van het op de markt brengen van de bekers in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e, van het Bbv. 2.6. Bij brief van 28 mei 2026 heeft LIMM zich, nadat zij bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 mei 2026, gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland met het verzoek om te bepalen dat de ILT een nieuw besluit neemt op het handhavingsverzoek, waarin zij inhoudelijk beoordeelt of sprake is van een overtreding. Het verzoek van LIMM is bij brief van 1 juni 2026 doorgezonden aan de Afdeling. 2.7. Bij uitspraak van 30 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het verzoek van LIMM van 28 mei 2026 afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling is niet op voorhand gebleken dat de motivering die ten grondslag ligt aan het besluit van 7 mei 2026 onjuist is. De voorzieningenrechter van de Afdeling volgt LIMM niet in haar betoog dat zij de bekers op de markt heeft aangeboden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Bbv. 2.8. LIMM heeft bij brief van 30 juli 2026 haar bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2026 ingetrokken. 3. Het geschil 3.1. LIMM vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter de ILT veroordeelt om schriftelijk en gemotiveerd aan LIMM kenbaar te maken of de bekers naar het oordeel van de ILT vallen onder de reikwijdte van de verplichting tot markering als bedoeld in artikel 15e van het Bbv, onder veroordeling van de Staat de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente. 3.2. LIMM vindt dat de ILT onrechtmatig handelt doordat zij weigert een standpunt te in te nemen over de vraag of de lijm en inkt die de bekers bevatten als structureel hoofdbestanddeel van de bekers moeten worden aangemerkt. Daarmee oefent de ILT haar publieke functie als toezichthouder onzorgvuldig uit en dit heeft onevenredig grote gevolgen voor LIMM. Voor LIMM als ondernemer is er namelijk geen rechtszekerheid. Zij wordt gedwongen een mogelijke overtreding te begaan terwijl zij uitdrukkelijk heeft gevraagd om duidelijkheid. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling Bestuursrechtelijke procedure 4.1. De Staat voert aan dat LIMM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Hij wijst op vaste rechtspraak, die inhoudt dat een (rechts)persoon niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering bij een burgerlijke rechter als een bestuursrechtelijke weg open staat of stond die met voldoende waarborgen is omkleed. 4.2. Dit verweer slaagt niet. De voorzieningenrechter is het eens met LIMM dat de bestuursrechtelijke procedure en dit kort geding betrekking hebben op verschillende rechtsvragen. In de bestuursrechtelijke procedure was de vraag aan de orde of de staatssecretaris handhavend moest optreden. Om die vraag te beantwoorden was de (voor)vraag aan de orde of LIMM de bekers op de markt heeft aangeboden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Bbv. In de onderhavige procedure gaat het om de vraag of de ILT voordat LIMM de bekers op de markt brengt (desgevraagd) kenbaar moet maken of de bekers haars inziens onder de reikwijdte van de verplichting tot markering als bedoeld in artikel 15e van het Bbv vallen. Spoedeisend belang 4.3. De Staat voert verder aan dat LIMM geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, aangezien het haar vrij staat om de bekers op de markt te brengen zonder daarover een standpunt te verkrijgen van de ILT. 4.4. Ook dit verweer slaagt niet. De voorzieningenrechter acht voldoende toegelicht dat de vordering spoedeisend is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent de omstandigheid dat een standpunt van de ILT niet gebruikelijk of wettelijk vereist is voordat de bekers op de markt worden gebracht, niet dat LIMM daarbij geen belang heeft. LIMM heeft aangegeven dat zij zich wenst in te schrijven voor aanbestedingen van overheden en dat daarvoor nodig is dat de bekers voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Zij loopt naar eigen zeggen grote commerciële en juridische risico’s wanneer zij de bekers op de markt brengt zonder te weten wat het standpunt van de ILT is. Op dit moment maakt LIMM kosten voor de opslag van de bekers en staat haar financiële positie onder druk, zo stelt zij. Onrechtmatige daad 4.5. De voorzieningenrechter begrijpt dat LIMM vindt dat het nalaten van de ILT om een standpunt in te nemen over de bekers in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De voorzieningenrechter volgt LIMM hierin niet. Daartoe overweegt hij als volgt. 4.6. Zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, ziet de voorzieningenrechter dat LIMM belang heeft bij een standpunt van de ILT over vraag of de bekers moeten worden voorzien van een markering als bedoeld in artikel 15e van het Bbv voordat zij ze op de markt brengt. Maar de omstandigheid dat het nalaten om een standpunt in te nemen (grote) gevolgen kan hebben voor LIMM, betekent op zichzelf niet dat sprake is van onrechtmatigheid aan de zijde van de ILT. 4.7. Zoals LIMM erkent, is de ILT toezichthouder. Zij is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde in artikel 15e van het Bbv. Het behoort niet tot de taken van de ILT om te testen of een product plasticvrij is voordat het op de markt wordt gebracht. De Staat heeft erop gewezen dat het innemen van een inhoudelijk standpunt in deze situatie een precedent schept en dat de ILT er niet op is toegerust en niet de capaciteit heeft om producten te controleren voordat deze op de markt worden gebracht. 4.8. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de brief van de staatssecretaris van 19 december 2025. In deze brief heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer laten weten dat is onderzocht hoe tegemoet kon worden gekomen aan het door het bedrijfsleven ervaren knelpunt dat er in Nederland geen organisatie of instantie is waar bedrijven en organisaties kunnen laten testen of certificeren of hun product plasticvrij is. De staatssecretaris heeft daarover vermeld: ‘Ik wil vooropstellen dat de ILT niet de aangewezen partij is om te testen of certificeren of een product plasticvrij is. Uit gesprekken die gevoerd zijn met onder andere bedrijven, brancheorganisaties en andere lidstaten, rijst bovendien het beeld op dat men het meest gebaat zou zijn bij een testprotocol op Europees niveau. Het risico bestaat dat als Nederland eigenstandig een testprotocol vaststelt, het bedrijfsleven verschillende interpretaties zal ervaren in verschillende lidstaten. Ik ben daarom voornemens om dit verzoek neer te leggen bij de Europese Commissie als inbreng voor de evaluatie van de SUP Richtlijn die de Commissie uiterlijk juli 2027 afrondt.’ Specifieke situatie LIMM 4.9. LIMM heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beleidsvrijheid van de ILT in dit specifieke geval met zich mee brengt dat de ILT een inhoudelijk standpunt inneemt. Zij heeft echter niet gesteld waarom dit specifieke geval anders is dan andere. Zij heeft gewezen op de onzekerheid waarin zij verkeert, maar zij heeft niet gesteld waarom haar situatie anders is dan die van andere bedrijven die vergelijkbare bekers op de markt brengen en net als LIMM zouden willen laten testen of hun product plasticvrij is. 4.10. Voor zover LIMM stelt dat de ILT (tijdens telefoongesprekken en de zitting bij de Afdeling) signalen heeft afgegeven dat LIMM met het op de markt brengen van de bekers een overtreding begaat, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet aannemelijk is geworden. De Staat heeft betwist dat de ILT een standpunt heeft ingenomen over de vraag of de bekers vallen onder de plicht tot markering als bedoeld in artikel 15e van het Bbv. Volgens de Staat heeft de ILT alleen in het algemeen informatie gegeven over artikel 15e van het Bbv en een eventueel handhavingstraject. 4.11. LIMM heeft verder gewezen op het vonnis van 15 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11021. In dat vonnis is overwogen dat de omstandigheid dat de afnemers van het betreffende bedrijf na een waarschuwing van de ILT het betreffende product niet meer wilden verkopen voor rekening en (ondernemers)risico van dat bedrijf komt en niet aan de Staat kan worden tegengeworpen, eens te minder omdat het betreffende bedrijf dit had kunnen voorkomen door vooraf toelating van de producten te verzoeken. 4.12. Zoals LIMM stelt, verschilt de situatie die heeft geleid tot dat vonnis wezenlijk van de situatie waar het hier om gaat. Het betreffende bedrijf had om toelating van de betreffende producten kunnen verzoeken aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In een vergelijkbare mogelijkheid voor LIMM is niet bij wet voorzien. De vraag of dat gevolgen heeft wanneer de ILT gebruik maakt van toezichts- en/of handhavingsbevoegdheden tegen LIMM ligt hier niet voor. Gelijkheidsbeginsel 4.13. Tijdens de zitting heeft LIMM gesteld dat de ILT in ieder geval één keer eerder, voordat een product op de markt was gebracht, een uitspraak heeft gedaan over de toelaatbaarheid daarvan zonder markering. Indien een andere partij kan verzoeken dat de ILT zich uitspreekt over de toelaatbaarheid van een product zonder markering, dan vindt LIMM dat zij dat ook kan. De voorzieningenrechter vat dit op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 4.14. Tijdens de zitting heeft de Staat erkend dat eenmaal telefonisch is gezegd dat het erop leek dat er geen plastic in een beker zat. Daarmee is echter niet gebleken dat eerder een schriftelijk standpunt, zoals hier door LIMM gevorderd, is afgegeven. Uit de toelichting ter zitting blijkt voorts dat het gaat om een fout, in die zin dat de ILT vervolgens door andere partijen werd gebeld om zich uit te spreken en dat zij daarvoor niet de capaciteit heeft. Dat de ILT zich eenmaal heeft uitgesproken over de aanwezigheid van plastic in een beker, wil naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zeggen dat zij daartoe in andere gevallen ook gehouden is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat gemaakte fouten moeten worden herhaald. Kennisneming normen 4.15. Tijdens de zitting heeft LIMM naar voren gebracht dat zij ervan uitgaat dat de ILT normen hanteert bij de uitleg van artikel 15e van het Bbv en dat zij recht heeft op kennisneming van die normen. De voorzieningenrechter gaat daaraan voorbij, aangezien LIMM geen kennisneming heeft gevorderd. Conclusie 4.16. Naar voorlopig oordeel handelt de ILT niet onrechtmatig. De voorzieningenrechter wijst de vordering van LIMM daarom af. Proceskosten 4.17. LIMM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.766 - nakosten € 189 Totaal € 2.101 4.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vordering van LIMM af; 5.2. veroordeelt LIMM in de proceskosten van € 2.101, welk bedrag wordt verhoogd met € 98 en de kosten van betekening als LIMM na verloop van veertien dagen niet aan deze veroordeling heeft voldaan en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt LIMM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn voldaan; 5.4. verklaart 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026. ms Ingevolge artikel 15e van het Bbv voorziet de producent of importeur van kunststof drinkbekers voor eenmalig gebruik in overeenstemming met verordening (EU) 2020/2151 die drinkbekers van markeringen waarmee opvallende, duidelijk leesbare en onuitwisbare informatie wordt verstrekt over: a. passende en niet passende manieren om zich van de drinkbekers te ontdoen, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, bedoeld in artikel 10.4 van de Wet milieubeheer; b. de aanwezigheid van kunststoffen in de drinkbekers en de negatieve effecten op het milieu van zwerfafval of andere ongepaste manieren om zich van de drinkbekers te ontdoen. Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder e, van het Bbv wordt in dit besluit verstaan onder op de markt aanbieden: in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt. Kamerstukken II, 2025/26, 30 872, nr. 323, p. 10