Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:21950
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26266 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. S.T.V. Le), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach). Procesverloop De minister heeft op 11 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De minister heeft op 11 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser is uitgezet. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Indonesische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1974. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 april 2026 (in de zaak NL26.20472) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw. Eiser heeft verklaard dat hij zelfstandig wil terugkeren naar Indonesië. Bij brief van 5 mei 2026 van het IOM is bekend geworden dat er een vlucht voor eiser is geboekt voor 11 mei 2026. Eiser stelt dat de bewaring had moeten worden beëindigd zodra hij te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Dat is het geval per 5 mei 2026. Eiser stelt dan ook dat de maatregel van bewaring per 5 mei 2026 onrechtmatig is geworden. 5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. De minister heeft op 6 mei 2026 een belangenafweging gemaakt naar aanleiding van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw. In de M120 heeft de minister uitgebreid gemotiveerd dat artikel 59, derde lid, van de Vw niet effectief toegepast kan worden in het geval van eiser. Om herhaling van de situatie(s) die in de M120 zijn genoemd te voorkomen, diende de maatregel van bewaring te worden voortgezet totdat eiser daadwerkelijk terugkeerde naar Indonesië. De grondslag voor de maatregel is onveranderd en de gronden van de maatregel, zoals vermeld in de uitspraak van 24 april 2026, waren onverminderd aanwezig. Het onttrekkingsrisico bestond dan ook nog altijd. Dat eiser uiteindelijk alsnog zijn medewerking heeft verleend en met behulp van IOM op 11 mei 2026 is teruggekeerd naar Indonesië maakt niet dat de minister de maatregel eerder had moeten opheffen dan 11 mei 2026 of had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend voor hem hebben gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bewaring rechtmatig heeft voortgeduurd tot aan de opheffing daarvan. 6. Ook met inachtneming van de ambtshal