Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:21825
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/706022 / KG ZA 26/561 Vonnis in kort geding van 29 juni 2026 in de zaak van 1 . HOLLANDIA INFRA B.V. te Krimpen aan den IJssel, 2. STRUKTON INFRASTRUCTURE SPECIALTIES B.V. te Utrecht, eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident, advocaten mrs. D.R. Versteeg, E. Vendrig en A.M. Kapteijn te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat) te Den Haag, gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaten mrs. J.N.E. Weyne, J.E. Palm en T.M.O. Bottinga te Den Haag. Eiseressen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk ‘de Combinatie’ genoemd. Gedaagde in de hoofdzaak wordt hierna ‘Rijkswaterstaat’ of ‘de Staat’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de (gewijzigde) dagvaarding, betekend op 5 juni 2026; - de akte houdende overlegging producties van de Combinatie met daarbij de producties 1 tot en met 4; - de conclusie van antwoord met daarbij de producties 1 tot en met 7; - de incidentele conclusie houdende verzoek tot gerechtelijk bevel overlegging van bepaalde gegevens ex artt. 22 Rv en 195 Rv van de zijde van de Combinatie; - de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van de Staat met daarbij producties 1 tot en met 3; - de akte overlegging producties van de zijde van de Combinatie met productie 5; - de op 17 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, namens partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Op 18 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan in het door de Combinatie opgeworpen incident. Op 29 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan in de hoofdzaak tussen partijen. Het onderstaande vormt de uitwerking van beide beslissingen, die is vastgesteld op 14 juli 2026. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De Staat heeft een Europese aanbesteding volgens de concurrentiegerichte dialoog (de aanbesteding) uitgeschreven voor de opdracht voor het ontwerpen en uitvoeren van het project ‘Vervanging Gerrit Krolburg’ (de opdracht) overeenkomstig het Aanbestedings-reglement Werken 2016. De Combinatie is deelnemer aan de aanbesteding. De Gerrit Krolburg is een belangrijke verkeersader in de stad Groningen. Rijkswaterstaat wenst een nieuwe beweegbare brug inclusief de daarvoor benodigde systemen en twee nieuwe voetgangersbruggen te realiseren. Met de gemeente is in een realisatieovereenkomst afgesproken dat de brug uiterlijk eind juni 2029 in gebruik kan worden genomen. 2.2. Voorafgaand aan de publicatie van de aanbesteding heeft Rijkswaterstaat twee marktconsultaties gehouden waarin aan de markt is meegegeven dat voor de uitvoering van de opdracht gebruik zal worden gemaakt van een design & construct contract met als toepasselijke voorwaarden de UAV-GC 2025. 2.3. Op 25 september 2025 heeft Rijkswaterstaat de aankondiging bekendgemaakt en opgenomen dat de opdracht wordt verleend in de vorm van een design & construct contract met als voorwaarden de UAV-GC 2025: “De aanbesteder is voornemens de opdracht te verlenen in de vorm van een design & construct opdracht, met als voorwaarden de UAV-GC 2025. De omvang en reikwijdte van de opdracht en de voorwaarden waaronder de opdracht wordt gerealiseerd worden opgenomen in de basisovereenkomst, de vraagspecificatie, de bijlagen bij de vraagspecificatie, de annexen en overige contractdocumenten.” 2.4. Rijkswaterstaat heeft in de selectiefase drie gegadigden geselecteerd om deel te nemen aan de dialoogfase. In de periode januari tot en met april 2026 zijn drie dialoogrondes gehouden. Ook hebben er specialistische overleggen plaatsgehad. Rijkswaterstaat heeft met de Combinatie drie escalatiegesprekken gevoerd. 2.5. Op 5 mei 2026 heeft de Combinatie bij brief een uitgebreid uitgewerkte klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt over de voorwaarden van de opdracht en de informatiev Rijkswaterstaat te gebieden om – zo hij de opdracht nog wenst te gunnen – over te gaan tot heraanbesteding van de opdracht, waarbij Rijkswaterstaat de voorwaarden van de opdracht dient aan te passen zodat de aanbesteding zal voldoen aan de eisen van het aanbestedingsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit, waarbij Rijkswaterstaat in ieder geval acht slaat op alle bezwaren die door de Combinatie in haar klacht van 5 mei 2026 en in het kader van dit geschil zijn geuit, inclusief de daarbij voorgestelde oplossingen; XII. te bepalen dat Rijkswaterstaat een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100.000 althans een door de voorzieningenrechter in goede justitiële te bepalen bedrag, bij schending van een van de hiervoor meer subsidiair gevorderde ge- en verboden, te vermeerderen met een bedrag van € 10.000, per dag dat de overtreding voortduurt; 3.2. Daartoe voert de Combinatie – samengevat – het volgende aan. Rijkswaterstaat hanteert in de aanbesteding tegenstrijdige en onmogelijke eisen. Daarmee heeft Rijkswaterstaat een opdracht in de markt gezet die op voorhand op onderdelen onuitvoerbaar is. Daardoor is het niet mogelijk een passende aanbieding te doen, waardoor inschrijvingen ook niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De aanbesteding dient dan ook aangepast te worden. Ook hanteert Rijkswaterstaat disproportionele eisen die in strijd zijn met artikel 3.9 van de Gids Proportionaliteit en past hij de UAV-GC 2025 niet integraal toe zonder dat te motiveren. De aansprakelijkheidsrisico’s die daarmee gepaard voor de Combinatie maken het haar onmogelijk om een representatieve prijs voor het werk af te geven. Dat geldt ook voor de andere inschrijvers, zodat de beste prijs niet valt vast te stellen. Dit is in strijd met het uitgangspunt dat de aanbestedende dienst zoveel mogelijk maatschappelijke waarde dient te creëren. De disproportionele risicoverdeling klemt temeer nu dus sprake is van onmogelijke eisen en een gebrek aan ontwerpvrijheid. Rijkswaterstaat moet dan ook worden veroordeeld tot aanpassing van de eisen en omdat sprake is van een concurrentiegerichte dialoog moet er ten minste nog één dialoogronde worden gevoerd over de aangepaste eisen. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling in het incident 4.1. De Combinatie heeft op 15 juni 2026 naar aanleiding van de inhoud van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak een incident opgeworpen houdende een verzoek tot gerechtelijk bevel overlegging van bepaalde gegevens ex artikelen 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 195 Rv. De Combinatie heeft de voorzieningenrechter verzocht om Rijkswaterstaat te bevelen om zo snel mogelijk, uiterlijk 24 uur vóór de zitting een afschrift van de volgende gegevens als productie(s) in het geding te brengen, dan wel een afschrift daarvan op grond van artikel 195 Rv aan de Combinatie te verstrekken: het ontwerp dat Rijkwaterstaat in de voorbereidingsfase heeft laten opstellen door een ingenieursbureau om de maakbaarheid van het project te valideren; alle gegevens (onderzoeken, berekeningen, tekeningen, ramingen etc.) die aan voornoemd ontwerp en daarmee uitgevoerde validatie ten grondslag liggen; alsmede alle gegevens/keuzes (verdere ontwerpen, keuze voor wel/niet hanteren van bepaalde eisen, etc.) die uit voornoemd(e) ontwerp en validatie voortkomen. zo nodig op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Rijkswaterstaat in de kosten van het incident. 4.2. De Combinatie heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat Rijkswaterstaat bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak een beroep doet op een validatie dat heeft plaatsgevonden door het ingenieursbureau dat door Rijkwaterstaat is ingeschakeld. De Combinatie meent dat het voor het op waarde schatten van het verweer van Rijkswaterstaat noodzakelijk is om kennis te nemen van de stukken. Ook voert de Combinatie aan dat op Rijkswaterstaat een waarheids- en volledigheidsplicht rust op grond van artikel 21 Rv. Het gaat niet a De meer subsidiaire vorderingen zien in de kern op intrekking van de aanbesteding en uitkering van de ontwerpvergoeding van € 750.000. 5.2. Hierna zullen eerst de door de Combinatie gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen worden beoordeeld. Gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen Profiel vrije ruimte / dikte van de val / maximale hoogte wegas 5.3. De Combinatie stelt dat het onmogelijk is om gelijktijdig aan de eisen met nummers SYS-00410, SYS-00387, SYS-01569, SYS-01058 en SYS-01062 te voldoen omdat de brug dan niet meer in het ‘plaatje’ past. Dat het voldoen aan deze eisen onmogelijk zou zijn is door de Combinatie echter in het geheel niet toegelicht, terwijl Rijkswaterstaat betwist dat het onmogelijk is. Daarbij komt nog eens dat Rijkswaterstaat deze betwisting kracht heeft bijgezet met in incident verstrekte berekeningen van RHDHV. Bij die stand van zaken wordt kan er niet vanuit worden gegaan dat sprake is van een onmogelijke combinatie van eisen op dit punt. Gestelde onmogelijke eis voor breedte van de trappen 5.4. In vraagspecificatie VSE-SYS-02031 is onder meer opgenomen dat de werkbordessen- en trappen een Profiel van Vrije ruimte (PVR) moeten hebben met een breedte van 800 mm (productie 3-4 Combinatie, pagina 83). De Combinatie stelt dat als gevolg van de breedte-eis van de torens, alsmede “de constructie-opbouw en de andere functionaliteiten die noodzakelijk zijn” ook de trappen gelimiteerd zijn in breedte, namelijk maximaal 760 mm. Dat is volgens de Combinatie niet alleen in strijd met voornoemde eis, maar ook met de Machineverordening (EU 2023/1230). De voorzieningenrechter oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat een breedte van 800 mm voor de trappen een onmogelijkheid is. Het lag op de weg van de Combinatie om onderbouwd uiteen te zetten waarom de breedte eis van de torens – waarover verder geen toelichting is gegeven – eraan in de weg staat dat de trappen een breedte van 800 mm hebben. Rijkswaterstaat heeft verder bij conclusie van antwoord in het incident onder meer een validatie van RHDHV overgelegd van het bovenaanzicht van de trappen in de heftorens (productie 3 in het incident Rijkswaterstaat) waarin de trappen met de breedte van 800 mm zijn ingetekend. Daarbij komt dat door Rijkswaterstaat erop is gewezen dat op grond van de afbeelding nr 45 uit het E-PvE (pagina 43) volgt dat in de top van de heftorens van ladders in plaats van trappen gebruik mag worden gemaakt. Dit alles in ogenschouw genomen geldt dat de Combinatie ook op dit punt onvoldoende naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat sprake is van een onmogelijke eis. Gestelde onmogelijke eis in het E-PvE over grootte van de kelder 5.5. De Combinatie wijst erop dat het werk moet voldoen aan de eisen van de hiervoor genoemde Machineverordening. Zij voert aan dat dit consequenties heeft voor de machines, installaties en onderdelen die in de technische ruimtes onder het wegdekniveau (kelder) worden geplaatst. Machines dienen te worden afgeschermd en dienen op een veilige wijze te kunnen worden bereikt voor inspectie en onderhoud. De Combinatie stelt dat op grond van een technische analyse een ruimere kelder nodig is dan in het E-PvE is voorzien. Omdat Rijkswaterstaat niet wil afwijken van haar E-PvE, meent de Combinatie dat sprake is van tegenstrijdigheid met de Machineverordening, waardoor het onmogelijk is om tot een juist ontwerp te komen. 5.6. Bij dagvaarding heeft de Combinatie voornoemde stelling niet (nader) toegelicht. De Combinatie heeft nadien wel een notitie van [naam 1] + [naam 2] overgelegd waarin de machineveiligheid van het tenderontwerp Gerrit Krolburg is beoordeeld. Met de Staat oordeelt de voorzieningenrechter dat deze notitie onvoldoende aannemelijk maakt dat sprake is van tegenstrijdigheid van de eisen in het E-PvE en eisen uit de Machineverordening. Daarvoor is van belang dat Rijkswaterstaat onbetwist heeft aangevoerd dat de schetsontwerpen die [naam 1] + [naam 2] in haar notitie per onderdeel heeft beoorde De Combinatie hanteerde bij dagvaarding dan ook nog wel het uitgangspunt dat de aanbesteding conform de UAV-GC 2025 kan plaatsvinden, maar zij stelde dat de toepassing daarvan onjuist was en bijsturing behoefde (waarover hierna meer). 5.11. Waar de Combinatie in de dagvaarding nog stelt dat van ontwerpvrijheid nauwelijks sprake is omdat in het E-PvE al vergaande ontwerpbeslissingen zijn genomen, heeft zij ter zitting aangevoerd dat de strakke kaders die Rijkswaterstaat hanteert met het E-PvE maken dat er van een design en construct opdracht in het geheel geen sprake is omdat ‘alle’ ontwerpkeuzes voor de Gerrit Krolburg al door Rijkswaterstaat zijn genomen zodat voor opdrachtnemer alleen nog de technische inpassing van de onderdelen resteert. De Combinatie stelt dat daarvoor de traditionele UAV 2012 de geëigende bouwvorm is. Ook stelt de Combinatie dat bij zo’n opdracht de concurrentiegerichte dialoog niet passend is. 5.12. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van de Combinatie dat toepassing van de UAV-GC 2025 vanwege de afwezigheid van ontwerpvrijheid niet op zijn plaats is. In de marktconsultatiedocumenten van 29 mei 2024 en 11 februari 2025 (productie 1 en 2 van de Staat) staat vermeld dat Rijkswaterstaat het project integraal als een design & construct-contract volgens de UAV-GC 2025 in de markt wil zetten. Ook in paragraaf 2.2 van de aanbestedingsleidraad staat dit vermeld. De Combinatie heeft verder onbetwist aangevoerd dat in de periode januari tot en met april 2026 dialoogrondes zijn gehouden en dat met de Combinatie vijf specialistische overleggen zijn gevoerd. Aan de Combinatie kan meegegeven worden dat het E-PvE, zoals zij stelt, allerminst ‘hoog over’ enkele esthetische uitgangspunten vermeldt, maar dat daarin vrij gedetailleerde uitgangspunten, kaders en normen zijn opgenomen. De stelling van de Combinatie dat álle ontwerpkeuzes al zijn gemaakt is echter onvoldoende toegelicht. Het door de Combinatie aangehaalde voorbeeld op pagina 53 en 54 van het E-PvE (randnummer 6 pleitnota) is in ieder geval onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Daar komt bij dat in het kader van de hierboven opgenomen beoordeling van de door de Combinatie gestelde onmogelijke eisen is gebleken dat kennelijk wel ontwerpkeuzen mogelijk blijven (zoals lokale afscherming in plaats van volledige, en inspectie met behulp van laagwerkers). De voorzieningenrechter zal dan ook als uitgangspunt hanteren dat de opdracht in de vorm van een design & construct contract met als voorwaarden de UAV-GC 2025 kan plaatsvinden. Dat de concurrentiegerichte dialoog voor de aanbesteding niet geschikt zou zijn, is mede gelet op de gehouden dialoogrondes waar dit bezwaar kennelijk niet is opgeworpen, niet aannemelijk gemaakt. Gestelde disproportionele eisen en voorwaarden Gestelde afwijking van UAV-GC 2025 doordat Vraagspecificatie hoger in rang staat 5.13. Artikel 3 lid 2 van de Basisovereenkomst bepaalt de rangorde voor het geval contractdocumenten onderling tegenstrijdig zijn. Deze rangorde is als volgt: a) de Basisovereenkomst, b) de Vraagspecificatie, c) de bij de Vraagspecificatie gevoegde annexen, d) de UAV-GC 2025, e) de Aanbieding en f) de documenten als bedoeld in paragaaf 1 sub d UAV-GC 2025. De Combinatie stelt dat de Vraagspecificatie tal van eisen en voorschriften bevat die tot vergaande afwijkingen van de UAV-GC leiden. Zij stelt dat opdrachtnemer volledig verantwoordelijk is voor het opstellen van een ontwerp dat moet voldoen aan alle eisen waarvan nu al duidelijk is dat die innerlijk tegenstrijdig zijn, terwijl de opdrachtnemer ook onvoldoende ontwerpvrijheid heeft om de opdracht uit te kunnen voeren. 5.14. Hierboven is geoordeeld dat van de door de Combinatie gestelde tegenstrijdige en onmogelijke eisen niet gebleken is, zodat op voorhand niet aangenomen kan worden dat de opdrachtnemer gehouden is tegenstrijdige eisen in het ontwerp op te nemen. Ook van het ontbreken van ontwerpvrijheid is onvoldoende gebleken. Verder heeft Rijkswaterstaat schrijft: “Opdrachtnemer mag dus werken tussen zonsondergang en zonsopgang en hij mag werken in het geval van broedende vogels, mits Opdrachtnemer werkt op basis van een goedgekeurd ecologisch werkprotocol (paragraaf 4.8 Vraagspecificatie Proces) waarin ook beheersmaatregelen zijn beschreven met betrekking tot onder andere broedende vogels en lichtschuwe dieren.” Blijkens de klachtbrief van 5 mei 2026 (productie 1 de Combinatie) is dit punt overigens al eerder aan de orde gekomen. De Combinatie heeft in deze brief VRA-0393 en het antwoord daarop opgenomen en hieruit volgt dat al eerder een nuance is gemaakt: “Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat deze voorschriften dienen te worden genuanceerd. Er kan wel gewerkt worden, mits op basis van een goedgekeurd ecologisch werkprotocol waarin beheersmaatregelen zijn beschreven met betrekking tot onder andere (broed)vogels en lichtschuwe dieren” . Dat Rijkswaterstaat disproportionele eisen zou hanteren doordat opdrachtnemers in een jaar tijd ruim een half jaar niet kunnen werken, is dan ook niet gebleken en net zo min dat Rijkswaterstaat op dit punt pas na dagvaarding een handreiking heeft gedaan. Gestelde onvoldoende informatievoorziening 5.17. De Combinatie stelt dat op grond van paragraaf 3 lid 3 UAV-GC een verzwaarde informatieplicht voor Rijkswaterstaat geldt. Zij stelt dat het onmogelijk is dat Rijkswaterstaat alleen over een E-PvE zou beschikken en dat Rijkswaterstaat afwijkt van de UAV-GC door niet extra informatie te verstrekken. In het incident is het verzoek van de Combinatie om Rijkswaterstaat te bevelen informatie van RHDHV te verstrekken afgewezen. Voor het beslissingskader omtrent de verplichting tot informatieverstrekking op grond van paragraaf 3 van de UAV-GC wordt naar de beoordeling van het incident verwezen. Niet aannemelijk is geworden dat Rijkswaterstaat (noodzakelijke) informatie over de onder 4.5 bedoelde daadwerkelijke toestand, waaronder de bodemgesteldheid, beschikt die gedeeld dient te worden. De Combinatie werpt wel in het algemeen op dat gebrekkige informatievoorziening zich vooral wreekt ten aanzien van het effect dat de ondergrond op het werk kan hebben, maar zij stelt niet welke concrete informatie ontbreekt. Niet valt in te zien om welke reden Rijkswaterstaat in strijd met de UAV-GC 2025 zou handelen. 5.18. Dat Rijkswaterstaat de suggestie van de Combinatie om gebruik te maken van een voorzieningenregeling voor onvoorziene aspecten die de bodem raken niet heeft willen overnemen, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een disproportionele risicoverdeling. Rijkswaterstaat heeft aangevoerd dat zij vanwege onzekerheid over de aard en het aantal archeologische vondsten en de locatie daarvan een gedetailleerde regeling voor archeologie heeft opgenomen. Ook stelt zij dat, anders dan de Combinatie bij dagvaarding uiteen heeft gezet, voor de sloop van alle landhoofden van de brug (dus niet alleen het Zuidelijk landhoofd) met stelposten wordt gewerkt. Voor wat betreft het verleggen van kabels heeft Rijkswaterstaat onbetwist aangevoerd dat bepaalde kabels en leidingen al zijn verlegd, of dat Rijkswaterstaat daarvoor zorgdraagt gedurende het project, bijvoorbeeld voor tijdrovende of kostbare verleggingen. De Combinatie heeft onvoldoende naar voren gebracht om aan te tonen dat ten aanzien van de risico’s die verband houden met de bodem sprake is van een disproportionele risicoverdeling. 5.19. Ook stelt de Combinatie dat zich een risico voordoet in geval van prijsstijgingen. Een handelingskader zoals ‘Samen doorbouwen in onzekere tijden’ zou ontbreken. De Combinatie onderkent wel dat Rijkswaterstaat in verband met fluctuerende staalprijzen een regeling heeft getroffen om het risico voor de opdrachtnemer in te perken. Zij weerspreekt ook niet dat in de overeenkomst is voorzien in een risicoregeling in verband met verrekening van wijzigingen van lonen, sociale lasten, prijzen, huren en vrachten. Dat