Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:21799
Veroordeling voor belaging, bedreiging, vernieling, lokaalvredebreuk en wederspannigheid. Verdachte ontoerekeningsvatbaar. Oplegging tbs met dwangverpleging. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/262764-24 en 15/194919-24 en 15/204485-24 (ttz.gev.) Datum uitspraak: 30 juli 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1977 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), op dit moment gedetineerd in het [instelling 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.M. Demirer naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: ten aanzien van dagvaarding I (met parketnummer 09/262764-24): 1 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 oktober 2023 tot 16 augustus 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster 1] , door stelselmatig: - die [aangeefster 1] te bellen en/of - die [aangeefster 1] berichten via social media en/of brieven te sturen en/of - bij de woning van die [aangeefster 1] langs te gaan en/of - bij de school van de dochters van die [aangeefster 1] binnen/langs te gaan met het oogmerk die [aangeefster 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; 2 hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2024 tot 21 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster 2] de volgende teksten te sturen: - " jullie gaan er aan jullie tijd is om" en/of - " als er een haartje van mijn meiden wordt beschadigd kom ik jullie allemaal halen" en/of - " Doe juli fucking werk diw juli onder mom komen anders laat ik juli van aardbodem voorgoed verdwijnen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking; 3 hij op of omstreeks 28 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 4 hij op of omstreeks 24 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, in het besloten lokaal aan de [adres 1] bij het pand van [instelling 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 31 mei 2024 schriftelijk de toegang tot het pand van [instelling 2] ontzegd voor de duur van één jaar; 5 hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, in het besloten lokaal aan de [adres 2] bij [bedrijf] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 3 juni 2024 schriftelijk de toegang tot die [bedrijf] ontzegd voor de duur van één jaar; ten aanzien van dagvaarding II (met parketnummer 15/194919-24): hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Haarlem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten als Buitengewoon opsporingsambtenaar bij de rechtbank Haarlem, om de verdachte uit de zittingszaal te begeleiden, door met kracht te rukken en/of te trekken in tegenovergestelde richting dan waar voornoemde ambtenaren verdachte trachten te bewegen; ten aanzien van dagvaarding III (met parketnummer 15/204485-24): hij op of omstreeks 24 juni 2024 te Alkmaar in het besloten lokaal basisschool [school] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 30-05-2024 schriftelijk de toegang tot die basisschool ontzegd voor de duur van 1 jaar. 3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De rechtbank zal de officier van justitie ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging, omdat de verdachte op de pleegdatum de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot was van de aangeefster [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1] ) en vervolging van vernieling in dat geval op grond van artikel 316, eerste lid, en artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is uitgesloten. 4 De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, met uitzondering van het bij dagvaarding I onder feit 3 ten laste gelegde, bewezen kunnen worden verklaard. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het bij dagvaarding III ten laste gelegde bepleit en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.4. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte vanaf november 2023 niet meer in zijn huis mocht en geen contact meer mocht hebben met [aangeefster 1] en hun kinderen in het kader van een ondertoezichtstelling van het gezin. Uit het verhoor van de verdachte op 17 augustus 2024 blijkt dat hij het daar niet mee eens was en dat hij al negen maanden bezig was met klachten daartegen. De rechtbank constateert dat die negen maanden overeenkomen met het moment waarop het contactverbod is ingegaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte dan ook op de hoogte was van het feit dat hij vanaf dat moment geen contact meer mocht hebben met [aangeefster 1] . Verder leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat het opzet van de verdachte erop gericht is geweest om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] . De verdachte heeft immers vanaf november 2023 tot en met juli 2024 veelvuldig en op indringende wijze contact met haar opgenomen, terwijl hij wist dat hij geen contact mocht hebben. De verdachte is meermalen naar de woning van [aangeefster 1] gegaan, heeft daar aangebeld en door de brievenbus geroepen, heeft [aangeefster 1] brieven gestuurd, heeft haar veelvuldig gebeld en heeft dreigende en beledigende mails naar haar gestuurd. De verklaring van de verdachte dat hij zich zorgen maakte om hun kinderen en daarom contact zocht met [aangeefster 1] , maakt dit niet anders en doet ook niet af aan het wederrechtelijke van zijn handelen. Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dit stelselmatig heeft gedaan. Daarbij had hij het oogmerk om haar te dwingen iets te dulden, te doen, namelijk dat zij contact met hem zou opnemen, en vrees aan te jagen. De rechtbank concludeert dat kan worden bewezen dat de verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] in de periode van 1 november 2023 tot en met 31 juli 2024. Ten aanzien van dagvaarding III Het standpunt van de raadsman dat de verdachte op 24 juni 2024 niet wist dat hij niet in de basisschool mocht komen, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisant op 3 juni 2024 de pandverboden voor onder meer de basisschool aan de verdachte heeft overhandigd en de inhoud daarvan aan hem heeft meegedeeld. 4.5. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: ten aanzien van dagvaarding I: 1 hij in de periode van 1 november 2023 tot en met 31 juli 2024 te Alkmaar, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster 1] , door stelselmatig: - die [aangeefster 1] te bellen en - die [aangeefster 1] brieven te sturen en - bij de woning van die [aangeefster 1] langs te gaan met het oogmerk die [aangeefster 1] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen; 2 hij in de periode van 17 mei 2024 tot en met 21 juni 2024 te Alkmaar, [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangeefster 2] de volgende teksten te sturen: - " jullie gaan er aan jullie tijd is om" en - " als er een haartje van mijn meiden wordt beschadigd kom ik jullie allemaal halen" en - " Doe juli fucking werk diw juli onder mom komen anders laat ik juli van ardbodem voor goed verdwijnen"; 4 hij op 24 juni 2024 te Alkmaar in het besloten lokaal aan de [adres 1] , bij [instelling 2] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 3 juni 2024 schriftelijk de toegang tot het pand van [instelling 2] ontzegd voor de duur van één jaar; 5 hij op 11 juli 2024 te Alkmaar in het besloten lokaal aan de [adres 2] , bij [bedrijf] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 3 juni 2024 schriftelijk de toegang tot die [bedrijf] ontzegd voor de duur van één jaar; ten aanzien van dagvaarding II: hij op 12 juni 2024 te Haarlem, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren , [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten als Buitengewoon opsporingsambtenaar bij de rechtbank Haarlem, om de verdachte uit de zittingszaal te begeleiden, door met kracht te rukken en/of te trekken in tegenovergestelde richting dan waar voornoemde ambtenaren verdachte trachtten te bewegen; ten aanzien van dagvaarding III: hij op 24 juni 2024 te Alkmaar in het besloten lokaal, bij basisschool [school] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 3 juni 2024 schriftelijk de toegang tot die basisschool ontzegd voor de duur van 1 jaar. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 6 De strafbaarheid van de verdachte 6.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, gelet op het Pro Justitia rapport van 18 september 2024, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. De officier van justitie heeft zich op dit rapport gebaseerd, omdat recentere rapportages zich niet uitlaten over de toerekenbaarheid. Ondanks dat alleen de feiten 1, 2 en 3 van dagvaarding I in het rapport zijn meegenomen, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook de andere feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend. Deze feiten zijn namelijk in dezelfde periode gepleegd en uit het dossier blijkt dat ook de achtergrond van deze feiten erin is gelegen dat de verdachte ervan overtuigd is dat zijn dochters seksueel worden misbruikt. De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Er zijn namelijk omstandigheden waaruit blijkt dat de verdachte zichzelf op momenten onder controle kon houden. Daarnaast is de conclusie dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar is slechts afkomstig van één psychiater en gebaseerd op een rapport dat inmiddels bijna twee jaar oud is. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Pro Justitia rapporten De rechtbank heeft in de eerste plaats acht geslagen op de bevindingen en conclusie van dr. B.A. Blansjaar, psychiater, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 18 september 2024. De deskundige is in zijn rapportage tot de conclusie gekomen dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een psychose met achtervolgings- en hypochondere waandenkbeelden, maniforme ontremming en een onderliggende depressieve stemmingsdaling. Gezien het toestandsbeeld bij onderzoek en gegevens in de beschikbaar gestelde stukken die wijzen op een ziektebeloop van tenminste meerdere maanden is bij de verdachte waarschijnlijk sprake van een waanstoornis, hoewel schizofrenie of een bipolaire stemmingsstoornis met psychotische kenmerken en gemengde maniforme en depressieve kenmerken vooralsnog niet kunnen worden uitgesloten. De feiten kunnen worden beschouwd als geheel voortgekomen uit een psychische stoornis van de verdachte. Hij had een psychose waardoor hij er met waanzekerheid van overtuigd was dat zijn kinderen seksueel misbruikt werden en hij probeerde op maniform ontremde wijze hen te beschermen. Geadviseerd wordt daarom om hem de belaging, bedreiging en vernieling bij bewezenverklaring in het geheel niet toe te rekenen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia rapporten van 25 juni 2025 en 27 maart 2026, opgesteld door H.E.W. Koornstra, psycholoog, en F. Verstraeten, psychiater. Uit het eerste rapport volgt dat de onderzoekers de verdachte niet hebben kunnen spreken en dat het zeer aannemelijk is dat de eerder vastgestelde waanstoornis nog steeds aanwezig is, omdat de verdachte niet medicatietrouw is. Uit het tweede rapport volgt dat de verdachte heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken en dat het zeer aannemelijk is dat de eerder vastgestelde waanstoornis nog steeds aanwezig is, waarvoor in het korte contact met de verdachte ook aanwijzingen worden gezien. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat de conclusies en adviezen uit het rapport van 18 september 2024 gedragen worden door de bevindingen van de psychiater. De omstandigheid dat dit rapport is opgemaakt door alleen een psychiater en niet ook een psycholoog en dat dit rapport inmiddels bijna twee jaar oud is, geeft onvoldoende aanleiding om aan de conclusies uit dat rapport te twijfelen, gelet ook op de inhoud van de recentere rapporten van 25 juni 2025 en 27 maart 2026 en de bevindingen die passen bij het gedrag dat de verdachte op de terechtzitting heeft laten zien. De rechtbank legt deze conclusies dan ook aan haar oordeel ten grondslag en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Hoewel het advies van de deskundige alleen ziet op de bewezenverklaarde belaging en bedreiging, acht de rechtbank ook de overige bewezenverklaarde feiten niet toerekenbaar aan de verdachte. Zij neemt daartoe in aanmerking dat die feiten in dezelfde periode zijn gepleegd en dat de wanen omtrent zijn dochters ook bij deze feiten een terugkerend element waren. De rechtbank acht het aannemelijk dat de psychopathologie op dezelfde wijze heeft doorgewerkt. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 7 De oplegging van een maatregel 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (38z-maatregel) wordt opgelegd met het oog op begeleiding van de verdachte na afloop van de gemaximeerde tbs met dwangverpleging. Tot slot heeft zij gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v van het Wetboek van Strafrecht (38v-maatregel) voor de duur van twee jaren, in de vorm van een contactverbod met aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . Zij heeft gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat bij overtreding van deze maatregel telkens een week vervangende hechtenis wordt toegepast met een maximum van zes maanden. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht geen tbs met dwangverpleging op te leggen, omdat niet voldaan is aan het gevaarscriterium. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen oplegging van een 38v- en/of 38z-maatregel. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich in een periode van negen maanden schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Nadat hij geen contact meer mocht hebben met zijn ex-partner en kinderen in het kader van ondertoezichtstelling van het gezin heeft hij zijn ex-partner belaagd. Vrijwel dagelijks ontving zij dreigende en/of beledigende mails van de verdachte, werd zij gebeld of stond de verdachte voor haar deur. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Uit de verklaring van het slachtoffer op de terechtzitting blijkt dat zij zich hierdoor zeer angstig, onveilig en gespannen heeft gevoeld. Daarnaast heeft de verdachte een medewerkster van een instelling voor jeugdbescherming meerdere keren bedreigd met de dood. Deze medewerkster oefende een publieke taak uit en moest zich daarbij veilig kunnen voelen. Het handelen van de verdachte is beangstigend geweest voor het slachtoffer. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk door bij een instelling voor jeugdbescherming, een apotheek en de basisschool van zijn kinderen binnen te dringen, terwijl hem eerder de toegang was ontzegd. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de daar geldende regels en voorschriften. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verzet tegen bijzondere opsporingsambtenaren tijdens een terechtzitting bij een rechtbank. Door zijn handelen heeft de verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van de volgende in deze strafzaak opgemaakte rapporten: het verslag van het trajectconsult van het NIFP van 28 augustus 2024; het Pro Justitia rapport van 18 september 2024; het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 11 november 2024; het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 11 maart 2025; het verslag van het trajectconsult van het NIFP van 19 maart 2025; het Pro Justitia rapport van 25 juni 2025; het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 18 juli 2025; het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 26 augustus 2025; het Pro Justitia rapport van 27 maart 2026. Het trajectconsult van 28 augustus 2024 Op 28 augustus 2024 is de verdachte in het kader van deze strafzaak voor het eerst gezien door een psychiater. Uit de beoordeling volgt dat sprake was van een uitgebreid waansysteem waarbij de verdachte de overtuiging heeft dat zijn kinderen slachtoffer zijn van sekshandel via een groot internationaal netwerk waarbij zijn partner en verschillende instanties betrokken zijn. Concluderend was sprake van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld en werd geadviseerd tot plaatsing van de verdachte in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum en het opmaken van een Pro Justitia rapport door een psychiater. Het Pro Justitia rapport van 18 september 2024 Zoals hiervoor onder 6.3 beschreven volgt uit dit rapport dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een psychose met achtervolgings- en hypochondere waandenkbeelden, maniforme ontremming en een onderliggende depressieve stemmingsdaling. De psychiater schat in dat sprake is van een hoog risico op recidive. Geadviseerd wordt het recidiverisico bij bewezenverklaring te beperken door (het laten onderzoeken van de mogelijkheden voor) een zorgmachtiging voor klinische psychiatrische behandeling van de verdachte met (ook) parenterale antipsychotische medicatie en ambulante nazorg. Reclasseringsadvies van 11 november 2024 De reclassering is gevraagd opties te onderzoeken voor een forensisch traject. De reclasseringsmedewerkers zagen in het gesprek met de verdachte dezelfde waandenkbeelden. Ook toonde de verdachte geen ziekte-inzicht. Het advies van de reclassering was een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden indien op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg een zorgmachtiging mogelijk was die medicamenteuze behandeling (antipsychotica) verplicht (met een kortdurende opname bij medicatieweigering). Zorgmachtiging Het openbaar ministerie heeft daarom op de terechtzitting van 28 november 2024 het standpunt ingenomen dat schorsing van de voorlopige hechtenis in het persoonlijk belang van de verdachte de voorkeur had, vanaf het moment dat hij in een kliniek kon worden opgenomen. De verdachte is op 16 december 2024 opgenomen in [instelling 3] op grond van een zorgmachtiging. Reclasseringsadvies 11 maart 2025 Op 4 februari 2025 is de verdachte ontslagen uit [instelling 3] . Hij was toen ingesteld op medicatie en hoefde niet langer te verblijven in de kliniek. De reclassering heeft ongeveer een maand later geadviseerd om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de verdachte de voorwaarden had overtreden. Hij had onder meer contact opgenomen met de twee slachtoffers terwijl hij een contactverbod had en hij wilde niet meewerken aan een begeleid wonen traject en een ambulante behandeling. De reclassering zag geen mogelijkheden om op korte termijn met voorwaarden en toezicht de risico’s te beperken. Het trajectconsult van 19 maart 2025 Op 19 maart 2025 is de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Hij is die dag ook gezien door een psychiater. Tijdens dat consult werd een gefrustreerde man waargenomen bij wie duidelijk sprake was van een waanstoornis. De verdachte was terughoudend om hierover te vertellen, uit angst om weer onjuist gediagnosticeerd te worden. De waanstoornis leek stabieler in vergelijking met het voorgeleidingsconsult van een jaar eerder. De verdachte gaf aan op dat moment geen medicatie te gebruiken, omdat hij van mening was dat dit niet nodig was. Het Pro Justitia rapport van 25 juni 2025 Op 18 april 2025 is de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw geschorst onder voorwaarden. In dezelfde periode zijn een psychiater en psycholoog benoemd als deskundigen en hebben zij de opdracht gekregen van de officier van justitie om de verdachte te onderzoeken. Een zorgmachtiging leek namelijk onvoldoende om het recidivegevaar te beperken. Toen de psycholoog en psychiater hun onderzoek naar de verdachte wilden uitvoeren, kon hij door de rapporteurs niet getraceerd worden. Gebleken is dat de verdachte niet onderzocht kan worden zolang de preventieve hechtenis geschorst is. De rapporteurs achten het aannemelijk dat de eerder vastgestelde waanstoornis nog steeds aanwezig is, omdat de verdachte niet medicatietrouw is. Het reclasseringsadvies van 18 juli 2025 Op 18 juli 2025 heeft de reclassering weer geadviseerd om de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen De verdachte had ambulante behandeling bij GGZ Noord Holland Noord in Alkmaar. Hij was hier dreigend aanwezig en wilde de GGZ onder druk zetten om dingen geregeld te krijgen. Hierdoor heeft GGZ Noord Holland Noord besloten om de behandeling voortijdig negatief af te sluiten. De verdachte had twee hulpvragen: hem helpen met jeugdzorg en hem afhelpen van de parasieten waarmee hij dacht vol te zitten. GGZ Noord Holland Noord zag geen behandelingang, geen contactgroei en geen inzicht. Ook heeft de verdachte meermaals het contactverbod met zijn ex-partner overtreden. De schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte is vanwege het voorgaande op 1 augustus 2025 dan ook weer opgeheven. Het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 In het laatste reclasseringsadvies wordt het recidiverisico als hoog ingeschat gezien de houding van de verdachte, de aanwezigheid van waanideeën en het gebrek aan medewerking aan behandeling. De verdachte toont geen zelf- of ziekte-inzicht, bagatelliseert de ernst van zijn gedrag, externaliseert en voelt zich slachtoffer. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen en adviseert dan ook negatief over tbs met voorwaarden. Het Pro Justitia rapport van 27 maart 2026 De psycholoog en de psychiater die in juni 2025 geen onderzoek hebben kunnen verrichten naar de verdachte, deden in 2026 opnieuw een poging. De verdachte is tweemaal bezocht door beide rapporteurs. De rapporterend psycholoog sprak de verdachte op 19 februari en 20 maart 2026 in totaal gedurende een half uur, de rapporterend psychiater op 25 februari en 13 maart 2026 gedurende in totaal twintig minuten. De verdachte weigerde zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen. Hij heeft aangegeven de rapporteurs niet te vertrouwen. Dit lijkt volgens de rapporteurs (mede) voort te komen vanuit een breder aanwezige achterdocht waar zijn ex-partner ook een rol in speelt. De rapporteurs concluderen dat het zeer aannemelijk is dat sprake was van een stoornis ten tijde van het ten laste gelegde en dat sprake is van een gelijktijdigheidsverband. De rapporteurs achten het zeer aannemelijk dat de eerder bij de verdachte vastgestelde waanstoornis nog steeds aanwezig is, omdat de verdachte daar niet of zeer beperkt voor is behandeld. In het korte contact met de verdachte zien de rapporteurs ook aanwijzingen voor die stoornis. Tbs met dwangverpleging De verdachte is vanwege het voorgaande aan te merken als een weigerende observandus in de zin van artikel 37a, vierde lid, Sr. Op grond van deze bepaling doet de rechter zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een tbs-maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen. De rechtbank merkt het Pro Justitia rapport van 18 september 2024 en de verslagen van het trajectconsult van 28 augustus 2024 en 19 maart 2025 aan als een ander advies of rapport als bedoeld in artikel 37a, vierde lid, Sr. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapporten van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het gedragskundig onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank betrekt daarbij dat die bevindingen passen bij het gedrag dat de verdachte op de terechtzitting heeft laten zien. De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het, in het bijzonder gelet op de hardnekkige psychiatrische problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico en het ontbreken van beschermende factoren, noodzakelijk is dat de verdachte een langdurige klinische behandeling zal ondergaan. Gelet op het voortraject acht de rechtbank een zorgmachtiging onvoldoende doelmatig. Ook tbs met voorwaarden, of een ander voorwaardelijk alternatief, acht de rechtbank niet haalbaar. De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De bewezenverklaarde belaging en bedreiging zijn misdrijven waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid, Sr oplegging van tbs mogelijk is en tijdens het begaan van deze feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte intensief zal worden behandeld en begeleid voor zijn stoornissen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan de verdachte tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd. Duur van de maatregel Op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij tbs is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (een geweldsmisdrijf). De beslissing over de vraag of tbs gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e Sr gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 6, p. 5). De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde belaging en bedreiging onder de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden niet aangemerkt kunnen worden als geweldsmisdrijven. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs. De tbs met dwangverpleging kan derhalve maximaal vier jaar bedragen. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een gemaximeerde tbs met dwangverpleging opleggen. 38v-maatregel De rechtbank zal de 38v-maatregel opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte zich gedurende twee jaren onthoudt van contact met [aangeefster 1] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van zeven dagen, met een maximum van zes maanden. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat de verdachte zich jegens [aangeefster 1] belastend zal blijven gedragen en wederom een strafbaar feit zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding deze maatregel ook ten aanzien van [aangeefster 2] op te leggen. 38z-maatregel De rechtbank zal ook de 38z-maatregel op leggen teneinde toezicht op en begeleiding van de verdachte te verzekeren na beëindiging van de tbs. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. De tbs van de verdachte wordt gelast en naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. Ook na de tbs met dwangverpleging kan de noodzaak voor die maatregel nog bestaan. De rechtbank zal de maatregel daarom opleggen. 8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. 8.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Immateriële schade Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank kan in deze zaak weliswaar niet naar objectieve maatstaven vaststellen dat er geestelijk letsel is bij [aangeefster 1] , maar is desondanks van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [aangeefster 1] met zich brengen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte gedurende acht maanden [aangeefster 1] heeft belaagd door veelvuldig en op indringende wijze contact met haar te zoeken onder meer door haar te bellen, mailen en naar haar huis te gaan. De verdachte heeft door zijn handelen herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] . Uit de vordering en de slachtofferverklaring blijkt dat [aangeefster 1] zich niet veilig voelde en bang was dat de verdachte ineens voor de deur zou staan. Ze sliep slecht, voelde continue stress en voelde zich opgejaagd. Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing van de vordering onvoldoende volgt dat de benadeelde immateriële schade heeft geleden voor een bedrag van € 8.000,00, omdat de door de benadeelde beschreven gevolgen niet alleen zien op de bewezenverklaarde belaging, maar (vooral) ook op de daaraan voorafgaande relatie van de benadeelde met de verdachte. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse Schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat dit vraagt om aanhouding van de zaak voor een verdere uitwisseling van standpunten van partijen over eventuele aanvullende schade. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 maart 2024 (het midden van de periode van 1 november 2023 tot en met 31 juli 2024), omdat vast is komen staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskosten Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] . 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 38v, 38w, 38z, 57, 138, 180, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart de officier van justitie ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/262764-24 (dagvaarding I) onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 4 en 5 en bij dagvaarding II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van dagvaarding I, feit 1: belaging; ten aanzien van dagvaarding I, feit 2: bedreiging, meermalen gepleegd; ten aanzien van dagvaarding I, feit 4 en 5, en dagvaarding III: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen; ten aanzien van dagvaarding II: wederspannigheid; verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar; ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging ; terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte; beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd; 38v-maatregel legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht , inhoudende dat: - de verdachte voor de duur van twee jaren zich zal onthouden van iedere vorm van contact – direct of indirect – met [aangeefster 1] , geboren [geboortedatum 2] 1972;beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden, waarbij toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft; beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is; 38z-maatregel legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht ; de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] en de schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald , ten behoeve van [aangeefster 1] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Beuze, voorzitter, mr. C.M. Zandbergen, rechter, mr. C.A.W. Zijlstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2026.