Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:21795
Artikel 59a, eerste lid, Vw. Gronden betwist - lichter middel - ambtshalve toetsing. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.40401 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C. van der Zijde). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als verzoek om schadevergoeding. 1.2. Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 23 juli 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten. Overwegingen De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. 2.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden. r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan Wat voert eiser aan in beroep? 3. Allereerst voert eiser aan dat niet kan worden aangenomen dat hij zich onttrekt aan het toezicht. Hij kon zich vanwege ziekte niet melden bij het COA. Ook wist verweerder waar eiser was omdat hij bij het AZC in [plaats] is gebleven. Verder moet volgens eiser een lichter middel worden opgelegd. Eiser heeft een hoge bloeddruk en psychische problematiek, en gebruikt medicatie. Hij is ook bereid om mee te werken aan terugkeer naar Luxemburg. Wat is het oordeel van de rechtbank? Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen? 4. De rechtbank stelt vast dat de gronden a en s niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden niet meer worden besproken. Daarbij weegt mee dat verweerder mag aannemen dat eiser op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken. Weliswaar zegt eiser dat hij toen ziek in bed lag, maar zijn verklaringen hierover spreken elkaar tegen. Eisers stelling dat hij graag wil meewerken aan zijn overdracht, vindt geen steun in zijn eerdere gedrag. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel? 5. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Ook heeft verweerder zich over de gestelde medische en psychische omstandigheden van eiser in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.