Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:21711
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44856 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. I.M. Hidding), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Loijenga). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk niet voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek van Bureau Documenten. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de conclusies uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport buiten beschouwing gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Burundese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond2. 2.1. Eiseres heeft op 17 september 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Eiseres heeft op 11 oktober 2025 een onvertaalde reactie van de Burundese ambassade op het weerwoord van Bureau Documenten van 12 september 2025 overgelegd. 1. Vreemdelingenwet 2000. 2 Op grond van artikel 31 van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. 2.3. De minister heeft op 15 april 2026 het tweede weerwoord van Bureau Documenten van 26 november 2025 overgelegd. 2.4. Eiseres heeft op 14 april 2026 de reactie van het iMMO naar aanleiding van de vragen van de gemachtigde, de reactie van het iMMO op de uitspraak van de Afdeling3 van 2 april 20254 en een factuur van het iMMO voor het opstellen van de reactie overgelegd. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep5, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, F. Karekezi als tolk, de gemachtigde van de minister en mevrouw [naam] als vertegenwoordiger van het iMMO. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 3. Eiseres heeft eerder op 17 oktober 2005 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is bij besluit van 22 september 2006 afgewezen. Op 7 januari 20086 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 22 september 2006 vernietigd en is de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 18 maart 2008 is de aanvraag van 17 oktober 2005 wederom afgewezen. Op 1 juni 20107 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daartegen door eiseres ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 20108 kennelijk ongegrond verklaard. Op 20 juni 2018 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 juni 2018 is deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 20 september 20189 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres is bij uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 201810 afgewezen als kennelijk ongegrond. Wat is het asielrelaas van eiseres? 4. Eiseres heeft aan haar vorige asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen heeft gehad met militairen. In 2003 en 2005 zijn de militairen haar ouderlijk huis binnen Uit het onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de documenten vals, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt of hoogstwaarschijnlijk niet echt zijn. Dat de Burundese 11 Algemeen ambtsbericht Burundi maart 2017. ambassade de documenten heeft gezien en onderzocht, doet daar niets aan af. Bureau Documenten heeft in haar onderzoek en weerwoord uitvoerig gemotiveerd hoe zij tot deze conclusies is gekomen. Dat de Burundese autoriteiten over meer referentiemateriaal beschikken, dat Bureau Documenten minder actuele informatie heeft dan de Burundese autoriteiten en dat Bureau Documenten de technieken verkeerd heeft beoordeeld, zijn slechts vermoedens van eiseres. Bureau Documenten is daarnaast lid van de Kwaliteitskring Documenten en Betaalmiddelen. Borging van kwaliteit en expertise staat dan ook voorop. Dat aan een uitgegeven document van de Burundese autoriteiten zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het onderzoek van Bureau Documenten, wordt dan ook niet gevolgd. Zeker niet nu het ambtsbericht12 spreekt over corruptie van overheidsfunctionarissen. Ondanks aanwezigheid van een legalisatie op een document kan dit document door Bureau Documenten dus wel degelijk als negatief worden beoordeeld. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.3 De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister, de verklaring van onderzoek van 29 oktober 2024 en de reacties van 12 september 2025 en 26 november 2025 van Bureau Documenten, aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. 6.3.1 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de minister is ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden.13 Ook volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat de minister in beginsel ervan mag uitgaan dat het advies/de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat de redenering daarin begrijpelijk is en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten.14 Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb15 meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. 6.3.2 In de verklaring van onderzoek van 29 oktober 2024 concludeert Bureau Documenten ten aanzien van de ziekenhuisverklaring met betrekking tot overlijden dat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en daarom hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Ten aanzien van het uittreksel overlijdensakte van 8 september 2005 (nr. 96) geeft Bureau Documenten aan dat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en het document is voorzien van een legalisatie van Burundese Notariaat die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal en daarom is het document volgens Bureau Documenten vals. Nu het document wel gelegaliseerd is door de Burundese ambassade in Den Haag welke overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal is volgens Bureau Documenten sprake van een frauduleus verkregen legalisatie. Hetzelfde geldt voor het andere uittreksel overlijdensakte (nr. 95). Met betrekking tot de kopie uittreksel huwelijksakte stelt Bureau Documenten dat de opmaak en afgifte van het aan de kopie ten grondslag liggende document afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal, het document 12 Algemeen ambtsbericht Burundi maart 2017. 13 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4543, onder 4.1. 14 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765, onder 2.1. 15 Algemene wet bestuursrecht. is daarom volgens Bureau Documenten niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Nu het document door het Burundese Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Burundese ambassade te Den Haag is gelegali De documenten liggen namelijk nog steeds bij Bureau Documenten en eiseres kan deze zelf niet opvragen, omdat Bureau Documenten deze enkel aan de minister of aan deskundigen verstuurt. Het is de rechtbank daarnaast gebleken dat eiseres de minister heeft verzocht haar te laten weten welke stappen er moeten worden ondernomen om de originele documenten door Bureau Documenten naar de ambassade te laten sturen.16 Hier heeft de minister niet op gereageerd. Tijdens de zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dit verzoek niet te hebben gezien, maar dat het wel mogelijk is om de originele documenten op te laten sturen als er een contra-expert is. Maar de ambassade krijgt alleen kopieën van de documenten, omdat deze niet als contra-expert wordt aangemerkt. Volgens de minister zet Bureau Documenten dan ook haar vraagtekens bij het minutieuze onderzoek van de ambassade omdat zij de originele documenten niet hebben gezien. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien en de minister heeft dit ook onvoldoende gemotiveerd waarom de ambassade in samenwerking met de bevoegde instanties niet als deskundig ten aanzien van de authenticiteit van documenten kan worden aangemerkt. De stelling van de minister ter zitting dat originele documenten niet naar de ambassade kunnen worden gestuurd, volgt de rechtbank ook niet. Uit een uitspraak van de Afdeling van 5 november 202517 volgt namelijk dat in die zaak wel degelijk originele documenten naar de Burundese ambassade zijn gestuurd voor onderzoek. Nu er voldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de door Bureau Documenten getrokken conclusies en deze niet inzichtelijk en concludent zijn, had de minister deze verklaringen van Bureau Documenten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Deze beroepsgrond slaagt. Heeft de minister het iMMO-rapport (voldoende) bij het besluit betrokken? Wat is het betoog van eiseres? 7.1 Eiseres betwist niet dat de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 bindend is. Het iMMO stelt echter in zijn reactie van 26 mei 2025 dat de werkwijze van het iMMO in lijn met de uitspraak van de Afdeling is aangepast. Eiseres benadrukt dat het iMMO in ieder geval deskundig mag worden geacht met betrekking tot de vraag of er sprake is van psychische (medische) problematiek en ook met betrekking tot de vraag of die problematiek aanwezig was tijdens het gehoor. De Afdeling concludeerde in haar uitspraak dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in de rapportage onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de conclusie gebaseerd was op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Eiseres stelt dat zij het iMMO heeft verzocht om in haar specifieke geval duidelijk te maken of er sprake is geweest van een toegespitste beoordeling. Het iMMO heeft in een brief van 14 april 2026 daar een bevestigende reactie op gegeven. Eiseres voert daarnaast aan dat de minister onzorgvuldig is omgegaan met de inhoud van het iMMO-rapport. De minister verwijst enkel naar de uitspraak van de Afdeling en dit is onvoldoende. 16 Zie pagina 2 van de zienswijze d.d. 15 september 2025. 17 ECLI:NL:RVS:2025:5321 Wat is het standpunt van de minister? 7.2 De minister stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 bindend is. Het iMMO doet met zijn kwalificaties geen uitspraak over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het rapport is daarbij afgewogen tegen de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen en de in de huidige procedure overgelegde documenten. Dit brengt geen verandering in het oordeel van de minister over de ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen met de militairen. De verwijzing van eiseres naar de reactie van het iMMO op de uitspraak van de Afdeling gaat ook niet op, omdat dit de uitspraak van de Afdeling niet anders maakt. Daarnaast is volgens de minister in het geval van eiseres onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de conclusie in het rapport is gebaseer