Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:21674
Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/4719 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2026 in de zaak tussen de korpschef van de politie, uit Den Haag, eiser (gemachtigde: C.I. Postma), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. M.S. Winkel) Inleiding 1. [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser heeft verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering. 1.1. De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op het herbeoordelingsverzoek op 10 juni 2026 ontvangen. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Het beroep is ontvankelijk en gegrond 2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. 3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 9 september 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. De nadere beslistermijn 4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. 5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 5.1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat het Uwv alsnog binnen een door de rechtbank te bepalen termijn een besluit neemt. 5.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege een grote toename van aanvragen en van verzoeken om herbeoordeling door werknemers en werkgevers, en vanwege een flink tekort aan verzekeringsartsen om deze beoordelingen uit te voeren. 6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken. 6.1. Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. 6.2. In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. De nadere beslistermijn in deze zaak 7. Het Uwv verzoekt de rechtbank om aan te sluiten bij de beslistermijn van vier maanden die door enkele andere rechtbanken wordt gehanteerd. Het Uwv heeft echter niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen. 8. In dit beroep heeft het Uwv niet toegelicht wanneer wel een besluit kan worden genomen. Het is de rechtbank dus niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. Rechterlijke dwangsom 9. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. 11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding nu geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken; - bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden; Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat in artikel 6:12 van de Awb. De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5. De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3.