Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:21612
AMBV, discussie verantwoordelijke lidstaat valt buiten reikwijdte rechtsmiddel o.g.v. art. 43 lid 1 AMBV, niet in strijd met art. 47 Handvest, toegang asielprocedure Zweden, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36760 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Abou Zarad als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toepasselijk recht 4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom eerst welk recht in deze zaak van toepassing is. 4.1. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. 4.2. Het bestreden besluit is na de inwerkingtreding van de AMBV genomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat in deze procedure voor het overige de AMBV van toepassing is, waaronder artikel 43 van de AMBV over de draagwijdte van het rechtsmiddel. Totstandkoming van het besluit 5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zweden een verzoek om overname gedaan. Zweden heeft dit verzoek aanvaard, op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Verantwoordelijke lidstaat 6. Eiser heeft op 30 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland waarover op 25 juni 2026 het bestreden besluit is genomen. Eiser heeft eerder, op 29 augustus 2025, asiel aangevraagd in België. In die procedure heeft België een overnameverzoek gedaan aan Zweden. Dat verzoek werd niet tijdig beantwoord waardoor Zweden werd geacht hiermee op 2 oktober 2025 stilzwijgend te zijn akkoord gegaan. Eiser heeft zijn overdracht naar Zweden, zonder succes, aangevochten in België en is op 30 oktober 2025 feitelijk overgedragen aan Zweden. Eiser heeft in Zweden geen asielaanvraag ingediend. 7. Eiser voert in deze procedure aan dat Zweden niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser had in Zweden een verblijfsvergunning, maar heeft in 2021 het grondgebied van de EU verlaten. De verblijfsvergunning is op 17 februari 2023 ingetrokken en op 29 augustus 2025 is eiser de EU weer ingereisd. Zweden is, gelet op het verlaten van het grondgebied van de EU door eiser, ten onrechte op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening akkoord gegaan met het claimverzoek van Nederland. Ook het eerdere (fictieve) claimakkoord tussen België en Zweden op 2 oktober 2025 is om deze reden onjuist geweest. Uit de uitspraak van de Belgische rechter blijkt dat eisers advocaat destijds niet heeft aangevoerd dat de verblijfsvergunning was ingetrokken. Eiser stelt dat hij dus geen effectief rechtsmiddel heeft gehad, en dat deze fout in de Nederlandse procedure moet worden hersteld. Opnieuw zonder juridische grondslag overdragen worden aan Zweden zou immers in strijd zijn met het doel en nuttig effect van de Dublinverordening/AMBV. Eiser wijst ook op verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie , waaruit volgt dat de rechter moet kunnen oordelen over een verkeerde toepassing van de Dublinverordening. Eiser wijst er ook nog op dat de Zweedse autoriteiten er in het claimakkoord ten onrechte vanuit gingen dat de intrekking van de verblijfsvergunning van kracht is geworden op 2 mei 2024. Eiser vindt dat de minister contact had moeten opnemen met België en Zweden om duidelijkheid te krijgen over de ingetrokken vergunning. 7.1. Volgens eiser kan toepassing van de AMBV (waaronder artikel 43) niet leiden tot minder rechtsbescherming. De wetgever van de EU mag immers niet de omvang van het recht op een effectief rechtsmiddel, dan is neergelegd in artikel 47 van het Handvest , beperken. Volgens eiser moet artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de AMBV zo gelezen worden dat onder ‘omstandigheden van na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing’ ook de omstandigheid valt dat pas in de Nederlandse procedure aan het licht is gekomen dat de overdracht van Zweden naar België niet gebaseerd is op de Dublinverordening. 8. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV heeft eiser het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De draagwijdte van dat rechtsmiddel is echter beperkt tot een beoordeling of: a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen. 8.1. De rechtbank leidt uit artikel 43, eerste lid, van de AMBV af dat het betoog van eiser dat Zweden niet de verantwoordelijke lidstaat is, buiten de draagwijdte van het rechtsmiddel valt. De rechtbank volgt eiser niet dat sprake is van omstandigheden van ná het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de verordening, zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b van de AMBV. De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht over van de verantwoordelijkheid van Zweden - zijn vertrek van het grondgebied van de lidstaten in 2021 en de intrekking van zijn verblijfsvergunning op 17 februari 2023 – zijn van vóór het overdrachtsbesluit. Dat pas in Nederland duidelijk is geworden en aangevoerd dat België is uitgegaan van onjuiste informatie, doet daar niet aan af. 8.2. Dat de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel in strijd is met artikel 47 van het Handvest, volgt de rechtbank niet. Artikel 47 van het Handvest biedt een recht op een effectief rechtsmiddel aan ‘eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden’. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV biedt de mogelijkheid om een inbreuk op privé-, familie- en gezinsleven, het belang van het kind, en een risico op een onmenselijke en vernederende behandeling naar voren te brengen. Eiser heeft op de zitting gewezen op het belang van de eerlijke verdeling onder de Dublinverordening/AMBV, maar heeft niet toegelicht welke van zijn rechten en vrijheden geschonden zijn door een onjuiste vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. 8.3. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet beoordeelt of de minister terecht uitgaat van de verantwoordelijkheid van Zweden. Wat eiser hierover heeft aangevoerd bespreekt de rechtbank dus niet. Toegang tot de asielprocedure in Zweden 9. Eiser voert aan dat uit de eerdere ervaringen in Zweden na de overdracht vanuit België blijkt dat hij bij overdracht een reëel loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser verwacht namelijk dat zijn asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Eiser heeft verklaard dat bij aankomst in Zweden op 30 oktober 2025 zijn gegevens werden genoteerd en werd gezegd dat hij geen recht had op asiel. Als de minister vindt dat eiser hiermee onvoldoende heeft uitgelegd dat hij geen asiel kon aanvragen, had de minister daarover moeten doorvragen. Eiser kan deze ervaring niet onderbouwen met documenten, wat vanzelfsprekend is als hij geen asielaanvraag mocht doen. Eiser wijst, ter onderbouwing van zijn stelling dat hem toegang tot de procedure en opvangfaciliteiten is ontzegd, erop dat er geen lopende asielaanvraag is in Zweden, ondanks zijn overdracht vanuit België. Hij wijst er verder op dat de manier waarop hij is behandeld haaks staat op landeninformatie waaruit blijkt dat terugkerende Dublinclaimanten in Zweden in een accommodatiecentrum worden opgevangen als hun zaak nog aanhangig is. 10. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Zweden zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan, en dat in Zweden sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. 10.1. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat in Zweden sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Eiser heeft met zijn verklaringen over zijn ervaringen in Zweden ook niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Zweden in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Ook als wordt aangenomen dat eiser in Zweden geen toegang kreeg tot de asielprocedure en de opvang, dan had het op de weg gelegen van eiser om daarover in Zweden een klacht in te dienen en hulp te zoeken. Eiser heeft dat niet gedaan en heeft ook niet onderbouwd dat klagen in Zweden onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Er is daarom niet gebleken dat eiser zijn rechten in Zweden niet kan effectueren. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 30 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie. EU 604/2013. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Arresten van 10 december 2013, C394/127, ECLI:EU:C:2013:813 ( Abdullahi), van 7 juni 2016, C-155/15, ECLI:EU:C:2016:410 (Karim) en C63/15, ECLI:EU:C:2016:409 (Ghezelbash), en van 15 april 2021, C194/19, ECLI:EU:C:2021:270 (H.A.). Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie ook punt 62 van de considerans bij de AMBV.