Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:2161
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6962 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. G.W.M. de Leest), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen , verweerder (gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van een verzoek tot herziening. 1.1. Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 7 april 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze afwijzing gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verweerder heeft bij besluit van 6 januari 2023 aan eiser een onderzoek naar zijn drugsgebruik (geschiktheidsonderzoek) opgelegd en zijn rijbewijs geschorst. Dit naar aanleiding van een melding van de politie van een vermoeden van rijden onder invloed van drugs. Eiser heeft niet (volledig) aan het onderzoek meegewerkt, waarna verweerder bij besluit van 4 september 2023 het rijbewijs van eiser ongeldig heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen ingesteld. 3. Eiser heeft op 24 maart 2025 verweerder verzocht om herziening van deze besluiten. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de tegen hem lopende strafzaak wegens rijden onder invloed is geseponeerd in verband met onvoldoende bewijs. De Officier van Justitie is daartoe overgegaan omdat uit het dossier niet kon worden herleid wanneer de bij hem afgenomen bloedmonsters bij het laboratorium zijn aangekomen en of deze verzegeld zijn ontvangen. Verder blijkt uit het dossier niet of eiser is geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek. Eiser wijst erop dat dit strikte waarborgen zijn. 4. Verweerder heeft het verzoek om herziening afgewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor het opleggen van een geschiktheidsonderzoek gaat om een vermoeden van rijden onder invloed, niet dat dit onomstotelijk vaststaat. De omstandigheid dat het bloedonderzoek strafrechtelijk niet kan worden meegenomen en dat eiser niet schriftelijk over de uitslag van het onderzoek is geïnformeerd, maakt niet dat er voor het aannemen van een vermoeden geen waarde kan worden gehecht aan de overige feiten en omstandigheden die worden genoemd in het proces-verbaal van de politie. Het sepot is daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid (novum). Wat zijn de regels? 5. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb staat dat indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid staat dat wanneer deze niet worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Het tweede lid kan overeenkomstig worden toegepast op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit. Artikel 8, eerste lid, van de WVW bepaalt dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. In artikel 8, vijfde lid, van de WVW staat dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in Het bestuursorgaan kan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd. 8. De vraag die de rechtbank in deze zaak allereerst moet beantwoorden is of verweerder het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen omdat geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Het moet daarbij gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. 9. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, is een sepot op zich geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid. De beslissing van de Officier van Justitie om eiser niet strafrechtelijk te vervolgen is weliswaar genomen na het besluit waarvan herziening is verzocht, maar een na dit besluit genomen beslissing is op zichzelf geen nieuw gebleken feit of omstandigheid. Dit kan anders zijn als het sepot nieuwe feiten of veranderde omstandigheden meldt. 10. De Officier van Justitie is tot een bewijssepot overgegaan, omdat uit het strafdossier niet kon worden herleid dat de bloedmonsters verzegeld bij het laboratorium zijn aangekomen en eiser niet schriftelijk is geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat een bloedtest niet als vereiste wordt genoemd in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling voor het aannemen van een vermoeden van rijden onder invloed. Het overschrijden van een grenswaarde is evenmin een vereiste. Daarmee speelt ook het al dan niet kunnen laten verrichten van een tegenonderzoek van een bloedtest, geen rol bij het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid is wel vereist dat proces-verbaal is opgemaakt wegens overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw én dat de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen. In dit geval is in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal opgenomen dat een speekseltest een indicatie aangaf voor de stof cocaïne , dat eiser vergrote pupillen en wijd opengesperde ogen had en heeft verklaard dat hij de avond ervoor crack had gerookt. Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan en rechter in begins