Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:21279
Bewezenverklaring van verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. Vrijspraak van dwang en/of geweld, onvoldoende steunbewijs. Oplegging van gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk proeftijd 3 jaren met bijzondere voorwaarden, alsmede taakstraf van 120 uur. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/097692-26 Datum uitspraak: 28 juli 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 14 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Briejer, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.W. Grift, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 28 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2011) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het zich laten pijpen door die [slachtoffer] en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang en/of geweld, door het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) in de richting van zijn, verdachtes, penis te duwen/brengen en/of vervolgens (toen zijn penis in de mond van die [slachtoffer] zat) het hoofd van die [slachtoffer] op en neer te bewegen. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak verzocht van de ten laste gelegde dwang en/of geweld. Voor het overige heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.4. Bewijsoverwegingen Juridisch kader Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Vaak staan de verklaringen lijnrecht tegenover elkaar. Zo ook in onderhavige zaak ten aanzien van het element dwang en/of geweld. Alleen de verklaring van de aangever is, zelfs als die betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Om dan toch tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te kunnen komen, moet de rechtbank beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van de aangever. Uit de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen, waarover een aangever verklaart, als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring van een aangever op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt vast dat de verdachte via de app OmeTV in contact is gekomen met de destijds 14-jarige [slachtoffer] (hierna: de minderjarige). Ze hebben berichten met elkaar uitgewisseld en op 28 december 2025 afgesproken bij de Mall of the Netherlands in Leidschendam. De minderjarige is in de auto van de verdachte gestapt. De verdachte heeft een fles sterke drank gekocht en is naar een parkeerplaats bij een sportveld gereden. De verdachte en de minderjarige hebben daar alcohol gedronken en met elkaar gezoend. De verdachte heeft nadien een tweede fles drank gekocht en is teruggekeerd naar de parkeerplaats. Daar hebben in de auto de ten laste gelegde seksuele handelingen plaatsgevonden tussen de verdachte en de minderjarige. Seksuele handelingen In deze zaak staat niet ter discussie dat de minderjarige de verdachte heeft gepijpt en dat de verdachte daarmee het lichaam van de minderjarige is binnengedrongen. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het verrichten van dergelijke seksuele handelingen door een volwassene met een 14-jarig kind op grond van artikel 248 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) verboden en strafbaar is. De leeftijd van de minderjarige is in dat verband geobjectiveerd, wat betekent dat de feitelijke leeftijd op het moment van het handelen doorslaggevend is. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of het seksueel binnendringen onder ‘dwang en/of geweld’ heeft plaatsgevonden en zodoende een gekwalificeerde verkrachting oplevert. Op dit punt lopen de verklaringen van de minderjarige en de verdachte uiteen. De minderjarige heeft verklaard dat de verdachte op enig moment zijn hand op haar achterhoofd heeft gelegd en haar hoofd in de richting van zijn penis heeft gebracht. Toen zijn penis in haar mond zat, heeft hij haar hoofd op en neer geduwd. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat de minderjarige uit zichzelf zijn penis in haar mond heeft genomen en hem circa 30 seconden heeft gepijpt. Hij heeft daarbij haar hoofd vastgehouden, maar uitdrukkelijk ontkend dat hij haar hoofd op en neer heeft geduwd of haar op een andere manier heeft gedwongen. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van de minderjarige. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of deze verklaring, ten aanzien van de dwang en/of geweld, in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. Betrouwbaarheid van de verklaring van de minderjarige De minderjarige heeft drie verklaringen afgelegd op verschillende momenten. Op de dag van het incident heeft zij in een informatief gesprek zeden in grote lijnen verklaard over de wijze waarop zij met de verdachte in contact is gekomen, de seksuele handelingen en de locatie en de omstandigheden waarin die handelingen plaatsvonden. Zij heeft daarbij ook verklaard over de door haar ervaren dwang. Vervolgens heeft zij op 3 februari 2026 bij de politie een uitgebreide verklaring afgelegd en is zij op 22 juni 2026, op verzoek van de verdediging, gehoord als getuige bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert dat de minderjarige uitvoerig en gedetailleerd heeft verklaard over de aanloop naar het incident, de wijze waarop dat plaatsvond en haar gemoedstoestand op dat moment. Zo beschrijft zij specifieke details, als de kleur van de auto en de vorm, de kleur en het alcoholpercentage van de fles alcohol. Ook heeft zij consistent verklaard over de volgorde en de aard van de seksuele handelingen, die ook overigens op grote lijnen worden bevestigd door de verdachte. Ook is de minderjarige authentiek in haar verklaringen, bijvoorbeeld over het gevoel dat zij ‘out’ ging of in slaap viel door de alcohol en dat zij een ‘beetje’ had teruggezoend. Ten aanzien van de door de verdediging geconstateerde verschillen in de verklaringen en de omstandigheid dat zij zich door de alcohol niet meer alles kan herinneren, overweegt de rechtbank dat de verklaringen van de minderjarige in de kern gelijk zijn en de inconsistenties betrekking hebben op ondergeschikte punten. Alles in aanmerking genomen, acht de rechtbank de verklaringen van de minderjarige betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank zal deze verklaringen derhalve als uitgangspunt nemen bij de beantwoording van de bewijsvraag. Steunbewijs De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verklaring van de minderjarige, ten aanzien van de dwang en/of geweld, voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. In de onderhavige zaak hebben de moeder van de minderjarige en een vriendin verklaringen afgelegd die de verklaring van de minderjarige ten aanzien van de dwang op onderdelen ondersteunen. Deze verklaringen zijn evenwel gebaseerd op wat ze van haarzelf hebben gehoord en daarmee afkomstig van dezelfde bron. Ook hebben ze de emotionele toestand van de minderjarige vlak na het ten laste gelegde feit persoonlijk waargenomen. De vriendin heeft in dit verband verklaard dat de minderjarige bezorgd en in paniek klonk en aan het huilen was. De moeder van de minderjarige heeft verklaard dat zij de minderjarige overstuur aantrof, terwijl zij normaal een koele kikker is. De rechtbank heeft haar emotie ook zelf waargenomen aan de hand van enkele video’s en spraakberichten, die de minderjarige heeft opgenomen nadat zij door de verdachte bij de Mall was afgezet. De rechtbank kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier echter niet uitsluiten dat de emoties van de minderjarige hun oorsprong vinden in andere omstandigheden dan de ten laste gelegde dwang of (licht) geweld, zoals het overmatig alcoholgebruik of de seksuele handelingen als zodanig. In het licht van deze omstandigheden vormt de emotionele gemoedstoestand van de minderjarige naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde dwang en/of geweld. Partiële vrijspraak strafverzwarende omstandigheid ‘dwang en/of geweld’ Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat voor, tijdens of na het seksueel binnendringen sprake is geweest van dwang en/of geweld. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Conclusie Concluderend acht de rechtbank de verkrachting van een minderjarige ouder dan 12 jaar en jonger dan 16 jaar wettig en overtuigend bewezen en spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de ten laste gelegde dwang en/of geweld. 3.5. De bewezenverklaring hij op 28 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2011), een seksuele handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het zich laten pijpen door die [slachtoffer] . Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en cursief weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en waarbij aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden worden gesteld. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bijzondere voorwaarden gerefereerd aan het advies van de reclassering. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (orale) verkrachting van een veertienjarig meisje. De verdachte was destijds tweeëntwintig jaar oud. Artikel 248 Sr heeft als doel om de lichamelijke en de seksuele integriteit van minderjarigen jonger dan zestien jaar te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden gelet op hun jeugdige leeftijd in onvoldoende mate in staat geacht zelf hun (seksuele) grenzen te bewaken en de gevolgen van seksueel contact voldoende te overzien. Elk seksueel contact met kinderen jonger dan zestien jaar is daarom strafbaar. De intentie van de ontmoeting met het slachtoffer was volgens de verdachte gericht op het laten plaatsvinden van seksuele handelingen, daar hadden ze van te voren over gechat. De verdachte heeft vooraf niet, of niet voldoende, gecontroleerd of het slachtoffer meerderjarig was, terwijl daar blijkens het dossier wel degelijk aanleiding toe bestond. Daarnaast heeft hij sterke drank voor haar gekocht, waarvan het slachtoffer grote hoeveelheden heeft gedronken, onder aanmoediging van de verdachte. Dat de ontmoeting voor de verdachte gericht was op seks of seksuele handelingen, blijkt verder ook uit het feit dat hij met het slachtoffer naar een verlaten parkeerterrein is gereden. Met deze handelingen heeft hij het slachtoffer in een kwetsbare en geïsoleerde positie gebracht, waarna hij haar heeft gezoend en er orale seks heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft geen oog gehad voor de kwetsbare positie van het slachtoffer en is voorbijgegaan aan de mogelijk schadelijke gevolgen van zijn handelen. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn seksuele verlangens. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten langdurige psychische gevolgen kunnen hebben voor slachtoffers en een normale (seksuele) ontwikkeling kan verstoren. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 3 april 2026 en van 30 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte zijn leven in grote lijnen op orde heeft. Hij volgt een universitaire opleiding en werkt als bezorger, waarmee hij voldoende inkomsten genereert. Hij woont nog bij zijn ouders en zijn betrokken en steunende familie wordt als beschermende factor gezien. Tegelijkertijd zijn er volgens de reclassering kwetsbaarheden. De verdachte heeft moeite met het vinden van aansluiting bij anderen en heeft beperkingen ten aanzien van de emotieregulatie. Daarnaast vermoedt de reclassering dat alcoholgebruik bij de verdachte een rol kan spelen bij het ontstaan van risicovol gedrag. Het risico op recidive van seksuele delicten wordt ingeschat op matig tot laag. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling, een alcoholverbod, een contactverbod met het slachtoffer en het vermijden van contact met minderjarigen, die niet tot zijn familie behoren. Straf De rechtbank overweegt dat gezien de aard en ernst van het feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en bij straffen die in vergelijkbare zaken, met soortgelijke seksuele handelingen, worden opgelegd. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf niet alleen vergelding, maar ook de speciale preventie voor ogen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder met zijn jonge leeftijd. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte het zichzelf kwalijk neemt dat hij een grove inschattingsfout heeft gemaakt ten aanzien van de leeftijd van het slachtoffer. Hij zegt hiervoor verantwoordelijkheid te willen nemen, dat hij van zijn fouten heeft geleerd en dat hij zich wil houden aan de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, mochten die worden opgelegd. De verdachte heeft spijt betuigd en komt daarbij oprecht over. De verdachte is een first offender. De rechtbank weegt bij de strafoplegging ook zwaar mee dat zij, anders dan de officier van justitie, de gekwalificeerde verkrachting niet bewezen acht. Concluderend komt de rechtbank uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, waarbij zij opmerkt dat de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie allerminst vergelijkbaar is met onderhavige zaak. Een dergelijke hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf als geëist, is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet passend en zou geen recht doen aan de zaak. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal een gedeelte daarvan, 6 (zes) maanden, voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal ter vermindering van het recidiverisico de proeftijd vaststellen op drie jaren en aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De rechtbank legt tevens een taakstraf op aan de verdachte van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf. 7 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 248 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 8 De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren ; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: Meldplicht bij reclassering zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011 AK Haarlem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn; Ambulante behandeling meewerkt aan de intakeprocedure en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling bij forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling; Alcoholverbod gedurende maximaal 12 maanden geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering eerder toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; Contactverbod op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 2011, zolang de reclassering dat nodig vindt; Vermijden contact met minderjarigen op geen enkele wijze contact zoekt met extra-familiaire minderjarigen en deze contacten zoveel mogelijk vermijdt. Als contacten onvermijdelijk zijn, dan zorgt de veroordeelde ervoor dat dit in overleg en met toestemming van de reclassering is; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN ; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.S. Verboom, voorzitter, mr. N.F.R. de Rooij, rechter, mr. V.J. de Haan, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2026. Bijlage I De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025438733, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 82). 1. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 14 juli 2026, voor zover inhoudende: Ik heb alcohol gehaald.