Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:21258
Afwijzing verzoek om ontslag op staande voet niet rechtsgeldig te verklaren. Werknemer voldoet niet aan re-integratieverplichting. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag DJ c Rep.nr.: 12182158 RP VERZ 26-50464 Datum: 29 juli 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. N. Bagci-Çiçek, tegen de besloten vennootschap Albert Heijn B.V. , gevestigd te Den Haag, verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. Z.A. Leering. Partijen worden ‘ [verzoeker] ’ en ‘Albert Heijn’ genoemd. 1 Het procesverloop 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - een verzoekschrift van 14 april 2026 met producties 1 tot en met 3: - een verweerschrift en een voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek met producties 1 tot en met 31; - een reactie op het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek van [verzoeker] , tevens vermeerdering van het verzoek. 1.2. Op 6 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het verzoekschrift en het zelfstandig tegenverzoek. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. N. Bagci-Çiçek. Namens Albert Heijn zijn verschenen [naam 1] (supermarktmanager en leidinggevende van [verzoeker] , hierna: de leidinggevende) en [naam 2] (HR specialist), bijgestaan door mr. Z.A. Leering. Mr. Leering heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft voor het overige aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Deze bevinden zich in het griffiedossier. 1.3. Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] is op [datum] 2016 bij Albert Heijn in dienst getreden. Sinds 22 mei 2023 vervult hij de functie van Shiftleader met een all-in uurloon van € 22,34 bruto en een arbeidsomvang van 12 uur per week. De Cao voor Personeel van Grootwinkelbedrijven in Levensmiddelen is op het dienstverband van toepassing. 2.2. Op 2 maart 2025 is [verzoeker] aangesproken op de wijze waarop hij uitvoering gaf aan zijn werkzaamheden en zijn communicatie daarover. Op 14 mei 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden over het te laat openen van de winkel en het daarbij onjuist registreren van uren (niet aanpassen en/of doorgeven van werktijden). Op grond van de bevindingen heeft Albert Heijn hem twee weken geschorst vanwege het vermoeden van urenfraude. Albert Heijn heeft hem op 19 mei 2025 een officiële waarschuwing gegeven wegens het handelen in strijd met de binnen Albert Heijn geldende procedures waaronder de regels over werktijden, aanwezigheid en urenregistratie. Daarbij is tevens gewezen op zijn voorbeeldfunctie als leidinggevende. 2.3. Op 23 mei 2025 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. Op 27 mei 2025 heeft Albert Heijn hem gewezen op het verzuimprotocol waaruit blijkt dat de werknemer tijdens ziekte bereikbaar moet zijn voor zijn leidinggevende en de Arbodienst. Ook is hij gewaarschuwd dat het loon wordt opgeschort als hij niet voor of op 3 juni 2025 contact zou opnemen. 2.4. Op 7 juni 2025 heeft de leidinggevende [verzoeker] per e-mail verzocht om voor 10 juni 2025 om 15 uur telefonisch contact op te nemen omdat hij [verzoeker] niet kon bereiken. [verzoeker] heeft niet aan dit verzoek voldaan. Bij e-mail van 10 juni 2025 heeft de leidinggevende gevraagd om donderdag 12 juni 2025 voor 17 uur telefonisch contact met hem op te nemen. 2.5. De Arbodienst heeft op 12 juni 2025 geoordeeld dat bij [verzoeker] sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening met beperkingen ten aanzien van eigen arbeid, die deels werkgerelateerd is. De Arbodienst adviseerde om gesprekken te voeren over de werkgerelateerde problematiek omdat die een positieve bijdrage kunnen leveren aan zijn belastbaarheid en re-integratie. 2.6. Naar aanleiding van dit advies heeft Albert Heijn [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 8 juli 2025. Aangegeven is dat zijn loonbetaling stopgezet zou worden als hij niet zou komen. [verzoeker] is niet op het gesprek verschenen waarna de loonbetaling is stopgezet. Op 11 en 28 juli 2025 heeft Albert Heijn verzocht om uitvoering te geven aan het advies van de Arbodienst en beschikbare data voor een gesprek door te geven. [verzoeker] heeft hier niet op gereageerd. 2.7. Albert Heijn heeft [verzoeker] opgeroepen voor een telefonisch consult bij de bedrijfsarts op 20 augustus 2025. In de brief is meegedeeld dat het belangrijk is om aanwezig te zijn en dat de afspraak niet vrijblijvend is. Bij e-mail van 17 augustus 2025 heeft [verzoeker] aan de leidinggevende gemeld dat hij wegens een keelontsteking niet tot het telefonische consult in staat was. De leidinggevende heeft daarop geantwoord de afmelding niet te accepteren en gewaarschuwd voor mogelijke consequenties als hij niet bereikbaar zou zijn. [verzoeker] was op het aangezegde tijdstip niet bereikbaar. 2.8. In een brief van 21 augustus 2025 schreef Albert Heijn [verzoeker] onder meer het volgende: “Wij constateren dat je je de afgelopen twaalf weken structureel niet houdt aan de geldende regels uit de Wet Verbetering Poortwachter en het Verzuimprotocol. Daarmee houd je je niet aan je re-integratieverplichtingen. Je was uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 20 augustus 2025. Je was echter niet bereikbaar. We hebben jouw huidige belastbaarheid dan ook niet kunnen vaststellen. Zoals in de brief van 15 augustus 2025 aangegeven, blijft de reeds opgelegde loonstop per 8 juli 2025 ook om deze reden in stand. We verwachten van je dat je met ons in gesprek treedt over de door jou ervaren werkgerelateerde problematiek. We verzoeken je om uiterlijk 28 augustus 2025 contact op te nemen met ondergetekende om een afspraak te plannen voor uiterlijk 4 september 2025. Daarnaast zul je opnieuw worden uitgenodigd bij de bedrijfsarts (…)” 2.9. Op 25 augustus 2025 heeft een telefonisch consult met de bedrijfsarts plaatsgevonden. Op 5 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende over de werkgerelateerde problematiek. De loonbetaling is vanaf 5 september 2025 hervat. 2.10. [verzoeker] heeft in het gesprek op 5 september 2025 aangegeven dat hij niet in zijn eigen filiaal wilde re-integreren. De leidinggevende heeft in een telefoongesprek op 10 september 2025 aangegeven dat de re-integratie toch in het eigen filiaal moet plaatsvinden omdat de bedrijfsarts daarvoor geen belemmeringen heeft geconstateerd. Op 14 september 2025 heeft [verzoeker] herhaald dat hij niet in het eigen filiaal wilde re-integreren. In een e-mail van 15 september 2025 heeft de leidinggevende laten weten dat [verzoeker] op 16 september 2025 in het eigen filiaal werd verwacht en gewaarschuwd dat het niet verschijnen zou leiden tot een loonstop. Ook is aangegeven dat [verzoeker] een formeel verzoek tot overplaatsing naar een ander filiaal zou kunnen indienen maar dat hij in de tussentijd in het eigen filiaal werd verwacht. Hem is verzocht hierover uiterlijk 18 september 2025 duidelijkheid te geven. 2.11. [verzoeker] is op 16 september 2025 niet gekomen waarna Albert Heijn een nieuwe loonstop heeft ingesteld. Op 18 september 2025 heeft [verzoeker] een verzoek tot overplaatsing naar een ander filiaal ingediend omdat hij geen vertrouwen meer stelde te hebben in zijn leidinggevende. Albert Heijn heeft geantwoord de mogelijkheden te zullen onderzoeken maar dat hij tot die tijd in het eigen filiaal diende te re-integreren. 2.12. Op 21 september 2025 is [verzoeker] niet verschenen om re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Op 30 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en een waarnemend leidinggevende (vanwege vakantie van de leidinggevende). De waarnemend leidinggevende heeft laten weten dat [verzoeker] overgeplaatst zou kunnen worden naar een ander filiaal. Op 5 oktober 2025 heeft [verzoeker] laten weten dat hij geen overplaatsing naar dat filiaal wenste. 2.13. Met ingang van 7 oktober 2025 is de loonbetaling hervat. In een gesprek met de waarnemend leidinggevende is afgesproken dat [verzoeker] zijn werkzaamheden zou uitbreiden naar zijn contracturen. Op 19 oktober 2025, 26 oktober 2025 en 8 november 2025 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. 2.14. Op 15 november 2025 heeft [verzoeker] gewerkt maar kwam hij drie kwartier te laat. Op 16 november 2025 en 23 november 2025 heeft hij, om aan zijn contracturen te komen, langer gewerkt dan waarvoor hij was ingepland. Dat is volgens de huisregels van Albert Heijn niet toegestaan: te laat komen mag niet worden gecompenseerd met langer doorwerken. Op 16 november 2025 heeft hij de winkel alleen afgesloten hetgeen ook in strijd met de huisregels is. Voor deze voorvallen heeft hij op 29 november 2025 een schriftelijke waarschuwing gekregen. 2.15. Op 7 december 2025 heeft hij zich opnieuw ziekgemeld. Hij was niet bereikbaar ten tijde van de op 10 december 2025 gemaakte belafspraak. Op 14 december 2025 heeft hij zich weer ziek gemeld. Er zijn belafspraken gemaakt op 16, 17, 18 en 19 december 2025. [verzoeker] was geen van die data bereikbaar waarna het loon opnieuw is stopgezet. Op 20 december 2025 nam [verzoeker] contact op waarna een afspraak is gemaakt voor 24 december 2025. Die datum is er telefonisch contact geweest waarbij is afgesproken dat de leidinggevende hem op 28 december 2025 weer zou bellen. Hij was toen echter niet bereikbaar. 2.16. De bedrijfsarts heeft [verzoeker] op 5 januari 2026 volledig arbeidsgeschikt verklaard. Wel moest volgens de bedrijfsarts een gesprek plaatsvinden over de werkgerelateerde problematiek. De leidinggevende heeft [verzoeker] diverse malen gevraagd naar zijn beschikbaarheid voor een gesprek hierover. [verzoeker] heeft hierop geantwoord dat hij ‘alles behalve beschikbaar’ was en heeft geen voorstel voor een andere datum gedaan. Daarna is afgesproken dat de leidinggevende hem op 10 januari 2026 zou bellen. In dat geval deelde [verzoeker] mee dat hij alleen een juridische procedure nog als oplossing zag. 2.17. De leidinggevende heeft [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 23 januari 2026 en aangeven dat hij zijn werkzaamheden op 25 januari 2026 diende te hervatten. In dat gesprek heeft [verzoeker] te kennen gegeven het advies van de bedrijfsarts niet te zullen volgen omdat hij niet wilde samenwerken met zijn leidinggevende waar hij ‘jeuk’ van kreeg. Tevens gaf hij aan een eventuele overplaatsing te zullen weigeren. 2.18. Op 25 januari 2026 verscheen hij niet op het werk. Albert Heijn heeft hem bij brief van 27 januari 2026 mediation en/of vrijwillige overplaatsing aangeboden. Op 10 febuari 2026 heeft Albert Heijn hem nogmaals mediation aangeboden. [verzoeker] heeft niet op het aanbod gereageerd. 2.19. Op 31 januari 2026 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld bij de shiftleader. Die vroeg hem om zich ziek te melden bij zijn leidinggevende. Dat heeft [verzoeker] niet gedaan. De leidinggevende heeft geprobeerd hem te bellen maar kreeg geen contact. Albert Heijn heeft schriftelijk laten weten de ziekmelding niet te accepteren omdat de Arbodienst hem op januari 2026 arbeidsgeschikt heeft beoordeeld. Albert Heijn vermeldde dat de afwezigheid als ongeoorloofd verzuim zou worden aangemerkt en dat geen loon over de niet gewerkte uren zou worden betaald. [verzoeker] heeft daar bij e-mail van diezelfde dag als volgt op gereageerd: “Ik begin mij af te vragen of de Albert Heijn te (…) alleen maar onbekwame managers aantrekt. Heel bijzonder dat iemand met een bacteriële infectie in zijn amandelen niet als ziek wordt aangemerkt. Ik vind het overigens bewonderenswaardig dat jij kan bepalen wanneer ik wel en niet ziek ben, ben of ken jij toevallig een waarzegster? Ik ben morgen, zondag 1 februari, ook niet in staat om te komen werken. Ik wens je heel veel succes en plezier met het inhouden van loon (…)” 2.20. [verzoeker] is op 1 februari 2026 niet op het werk verschenen. Bij e-mail van 3 februari 2026 heeft Albert Heijn hem opgeroepen voor een consult bij de bedrijfsarts op 6 februari 2026 om aan te tonen dat hij op 31 januari en 1 februari 2026 daadwerkelijk ziek was. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat hij die dagen ziek was maar zijn werkzaamheden vanaf 6 februari 2026 kon hervatten. Albert Heijn heeft hem daarna opgeroepen om op 7 en 8 februari 2026 te komen werken. Niet komen zou leiden tot ongeoorloofd verzuim en geen betaling van salaris. [verzoeker] heeft daarop het volgende geantwoord: “Ik wil hierbij formeel aangeven dat de huidige situatie voor mij niet langer werkbaar is met jou. Vorige week ben ik daadwerkelijk ziek geweest door een bacteriële infectie aan mijn amandelen. Dat dit in twijfel is getrokken, ervaar ik als zeer kwalijk en pijnlijk. Dit heeft mijn vertrouwen in een veilige en respectvolle werkomgeving ernstig geschaad. Daarnaast merk ik dat het conflict telkens escaleert zodra ik op de werkvloer aanwezig ben. Een concreet voorbeeld hiervan is het gesprek waarvoor ik onlangs naar de locatie ben gekomen: ik voelde mij daarbij niet veilig, totaal niet op mijn gemak en heel erg prikkelbaar. Dit bevestigt voor mij dat de situatie inmiddels zo gespannen is, dat normaal functioneren niet meer mogelijk is. Ik ervaar hierdoor duidelijke stressklachten en heb continu het gevoel dat alles wat ik doe of zeg tegen mij gebruikt kan worden. Op dit moment ervaar ik geen veilige werksfeer. Onder deze omstandigheden kan ik mijn werkzaamheden niet op een gezonde en verantwoorde manier uitvoeren, Ik geef daarom aan dat ik niet bereid ben om op deze manier door te werken zolang deze situatie voortduurt. Wat betreft een oplossing wil ik hierbij expliciet aangeven dat ik dit traject uitsluitend nog via juridische weg wil laten verlopen. Daarnaast ben ik alleen bereid het gesprek aan te gaan met [naam 3] van HR. Ik ga geen verdere één-op-één gesprekken aan en ook geen gesprekken zonder HR-vertegenwoordiging.” 2.21. Albert Heijn heeft hem daarna nogmaals gewaarschuwd dat hij moest komen. [verzoeker] kwam niet op 7 februari 2026 waarna Albert Heijn hem heeft nieuw opgeroepen om op 8 februari 2026 wel te komen. Op 8 februari 2026 is [verzoeker] evenmin komen werken. 2.22. Daarna is hij opgeroepen om op 14 februari 2026 te komen. Meegedeeld is dat het niet verschijnen tot arbeidsrechtelijke maatregelen zou leiden. [verzoeker] is op 14 februari 2026 niet komen werken. Bij brief van 15 februari 2026 heeft Albert Heijn hem geschorst. Op 16 februari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, vanwege het niet nakomen van gemaakte afspraken over werkhervatting en/of re-integratie en/of structureel weigeren (re-integratie)werkzaamheden te verrichten. 3 Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt - na vermeerdering van het verzoek - bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat het op 16 februari 2026 door Albert Heijn gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is; Albert Heijn te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 16 februari tot en met 30 juni 2026, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening; Albert Heijn te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 1 juli 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening; Albert Heijn te veroordelen tot uitbetaling van de vakantiedagen die zijn opgebouwd vanaf 16 februari 2026; Albert Heijn te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. [verzoeker] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Albert Heijn had geen dringende reden om hem te ontslaan. [verzoeker] was op 31 januari en 1 februari 2026 ziek, zoals de bedrijfsarts heeft bevestigd. Het is niet aan de werkgever om te beoordelen of een werknemer ziek is, dat oordeel is voorbehouden aan de bedrijfsarts. [verzoeker] heeft ernstige stressklachten door de ontstane spanningen en de wijze waarop hij door zijn leidinggevende werd benaderd. Het heeft het gevoel dat hij selectief wordt aangesproken op gedragingen waarvoor andere werknemers niet of nauwelijks worden aangesproken. Daardoor is de arbeidsrelatie ernstig onder druk komen te staan. In plaats van zijn klachten serieus te nemen heeft Albert Heijn zijn ziekmelding terzijde geschoven en hem herhaaldelijk opgeroepen om te werken terwijl de onderliggende problematiek niet was opgelost. [verzoeker] heeft zich door de houding van Albert Heijn niet gesteund gevoeld. Hij heeft zijn frustraties geuit in de e-mail van 6 februari 2026. Daarop heeft hij geen inhoudelijke reactie ontvangen. Daardoor heeft hij zich tijdelijk teruggetrokken uit het contact maar dat betekent niet dat hij structureel heeft geweigerd om te werken. 4 Het verweer en het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek 4.1. Albert Heijn voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verzoeker] was gehouden om instructies van Albert Heijn over de re-integratie op te volgen. In plaats daarvan reageerde hij nauwelijks op berichten en voerde hij geen passende werkzaamheden uit terwijl hij daartoe volgens de bedrijfsarts wel in staat was. Hij heeft de re-integratieverplichtingen dermate geschonden dat ontslag op staande voet de enige oplossing was. [verzoeker] was vanaf 6 februari 2026 volgens de bedrijfsarts arbeidsgeschikt maar heeft desondanks diverse oproepen om te komen werken genegeerd. Indien [verzoeker] meende dat hij vanaf 6 februari 2026 wel arbeidsongeschikt was had hij een second opinion bij het UWV moeten aanvragen. Een minder vergaande maatregel was niet mogelijk Albert Heijn heeft drie keer een loonstop ingesteld. Dat heeft het gedrag van [verzoeker] echter niet veranderd. Zelfs nadat hij expliciet was gewaarschuwd dat niet verschijnen tot arbeidsrechtelijke maatregelen zou leiden kwam hij niet. 4.2. Voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet niet in stand laat verzoekt Albert Heijn: de arbeidsovereenkomst onmiddellijk of op korte termijn te ontbinden; te verklaren voor recht dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en geen recht heeft op een transitievergoeding; [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente; te bepalen dat een eventuele vergoeding pas opeisbaar is als onherroepelijk in rechte komt vast te staan dat het ontslag op staande voet nietig is. 4.3. [verzoeker] concludeert tot afwijzing van de tegenverzoeken. 5 De beoordeling 5.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. 5.2. Volgens art. 7:677 lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Uit art. 7:678 BW volgt dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In art. 7:678 lid 2 onder j en k BW is bepaald dat het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke bevelen van de werkgever en het op andere wijze grovelijk veronachtzamen van verplichtingen als dringende reden kunnen worden aangemerkt. 5.3. De beoordeling van de vraag of een opgegeven reden onder de omstandigheden een gerechtvaardigdheid ontslag op staande voet kan opleveren is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien. De aard en de ernst van de dringende reden moeten worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden. Daarbij zijn onder meer de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de wijze waarop de werkgever heeft gereageerd op eerdere soortgelijke gedragingen van belang. Van belang kunnen ook zijn de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder de gevolgen van het ontslag, maar ook als de gevolgen voor de werknemer ingrijpend zijn, kan de afweging van belangen in het nadeel van de werknemer uitvallen. 5.4. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden moet ook worden betrokken dat de werkgever op grond van de art. 7:658a en 7:660a BW, in het geval van een zieke werknemer, verplicht is maatregelen te nemen die zijn gericht op de re-integratie. De werknemer is in zo’n geval verplicht om de door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften op te volgen en mee te werken aan in het kader van de re-integratie getroffen maatregelen. 5.5. Verder is van belang dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan een ontslag in de weg staat wanneer de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen, en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van die verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt. 5.6. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet in dit geval gerechtvaardigd is en overweegt daarover het volgende. 5.7. Vaststaat dat [verzoeker] bij herhaling heeft verzuimd om de in het kader van het re-integratietraject gegeven instructies van Albert Heijn op te volgen. Zo was hij sinds de eerste ziekmelding op 23 mei 2025 diverse keren niet bereikbaar voor zijn leidinggevende, reageerde hij meerdere keren niet op terugbelverzoeken, en was hij ook meerdere keren niet bereikbaar op het moment dat hij een telefonisch consult had. Ook is hij meerdere keren niet komen opdagen op dagen waarop hij werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie moest verrichten. [verzoeker] heeft de verplichtingen die hij op grond van het re-integratietraject had dan ook in ernstige mate geschonden. 5.8. De redenen die [verzoeker] daarvoor stelt te hebben overtuigen niet. Volgens hem werd hij anders behandeld dan andere werknemers en werd hij selectief aangesproken op gedragingen waarop andere werknemers niet of nauwelijks werden aangesproken. Hij heeft daarbij verwezen naar de schorsing in mei 2025 vanwege het vermoeden van urenfraude en het gesprek dat daarover heeft plaatsgevonden. Dit incident heeft hem aangegrepen en had zijn ziekmelding tot gevolg. De kantonrechter overweegt hierover dat [verzoeker] de juistheid van de bevindingen van Albert Heijn op dit punt op zichzelf niet heeft betwist. Dat de urenfraude bij [verzoeker] zwaarder is opgevat dan bij andere werknemers zou zijn gebeurd, heeft [verzoeker] niet onderbouwd en is ook overigens niet gebleken. Op zichzelf is begrijpelijk dat de kwestie [verzoeker] heeft aangegrepen maar dat doet niet af aan zijn verplichtingen om instructies in het kader van de re-integratie op te volgen. 5.9. [verzoeker] ervaarde sinds die tijd een arbeidsconflict met zijn leidinggevende. De leidinggevende heeft hem echter meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek hierover zoals de bedrijfsarts had geadviseerd. Het is aan [verzoeker] zelf te wijten dat dit gesprek niet meteen heeft plaatsgevonden: oproepen daarvoor en uitnodigen om beschikbare data door te geven heeft hij meerdere malen genegeerd. 5.10. [verzoeker] heeft verder aangevoerd dat het gezien de verhouding met zijn leidinggevende niet mogelijk was om in het eigen filiaal te re-integreren. Vaststaat echter dat Albert Heijn [verzoeker] in oktober 2025 overplaatsing naar een ander filiaal heeft aangeboden maar dat aanbod heeft [verzoeker] afgewezen, naar eigen zeggen omdat hij dan meer reistijd zou hebben en omdat in dat filiaal iemand werkte waar hij niet mee kon opschieten. Dat het filiaal vanwege reisafstand niet passend zou zijn is niet gebleken. De keuze van [verzoeker] om geen gebruik te maken van de overplaatsingsmogelijkheid had tot gevolg dat hij met zijn leidinggevende moest samenwerken. Aangezien hij daar zelf voor had gekozen kan hij zich niet op het standpunt stellen dat die samenwerking niet van hem gevergd kon worden. Overigens heeft Albert Heijn hem in januari 2026 nogmaals overplaatsing voorgesteld. Op dit voorstel heeft [verzoeker] echter niet gereageerd. Albert Heijn heeft hem dus twee keer de mogelijkheid gegeven om voor een andere leidinggevende te werken maar daarvan heeft [verzoeker] geen gebruik gemaakt. Daarnaast heeft Albert Heijn twee keer mediation aangeboden. Ook daar is [verzoeker] niet op ingegaan. Dit alles leidt tot de conclusie dat Albert Heijn veel pogingen en voorstellen heeft gedaan om het gestelde conflict op te lossen. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om daarvan gebruik te maken. Aangezien hij dat niet heeft gedaan kan hij zich niet op het standpunt stellen dat re-integratie onder deze leidinggevende niet mogelijk was. 5.11. Dat wordt niet anders doordat de leidinggevende zijn ziekmelding op 31 januari en 1 februari 2026 niet heeft geaccepteerd terwijl later bleek dat hij wel ziek was. Gelet op het feit dat [verzoeker] zich niet op de juiste wijze had ziekgemeld, niet telefonisch bereikbaar was en het om de zoveelste ziekmelding ging, is de twijfel hierover niet onbegrijpelijk en rechtvaardigt die niet de conclusie dat [verzoeker] bij voorbaat niet werd geloofd of dat hij anders werd behandeld dan andere werknemers. 5.12. Aangezien de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [verzoeker] vanaf 6 februari 2026 wel weer in staat was om zijn werkzaamheden op te pakken, had [verzoeker] aan de oproepen om aan het werk te gaan moeten voldoen. Ondanks dat Albert Heijn [verzoeker] tot drie keer toe heeft gemaild dat hij op het werk werd verwacht en hem heeft gewaarschuwd voor de consequenties als hij dat niet zou doen, is hij niet verschenen. Dit valt [verzoeker] ernstig aan te rekenen. Gelet op het verloop van het re-integratietraject waarbij [verzoeker] diverse malen instructies niet opvolgde, kan dit als de spreekwoordelijke druppel worden beschouwd. Het levert dan ook een dringende reden voor ontslag op staande voet op. 5.13. De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat een minder vergaande maatregel op zijn plaats was geweest. Albert Heijn heeft tot drie keer toe een loonsanctie opgelegd. Dat heeft het gedrag van [verzoeker] echter niet beïnvloed: meteen na hervatting van het loon veronachtzaamde hij opnieuw de instructies. Ook heeft Albert Heijn hem twee keer overplaatsing naar een ander filiaal aangeboden maar daarop is hij niet ingegaan. Ten slotte heeft Albert Heijn hem mediation aangeboden en ook dat aanbod heeft hij naast zich neergelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Albert Heijn inmiddels dermate veel pogingen gedaan om de re-integratie vlot te trekken dat niet van haar verwacht kon worden dat zij dit nogmaals zou proberen. 5.14. De vermelding in de brief van [verzoeker] van 6 februari 2026 dat hij wilde praten met iemand van HR erbij maakt het voorgaande niet anders. In de eerste plaats is het niet aan een werknemer om te bepalen hoe en met wie een gesprek plaatsvindt maar bovendien vermeldde [verzoeker] in dezelfde brief dat hij het traject alleen via de juridische weg wilde vervolgen. Uit de brief blijkt dus juist dat [verzoeker] niet bereid was om over herstel van relatie te praten. Die brief hoefde voor Albert Heijn dan ook geen aanleiding zijn om anders te handelen dan zij heeft gedaan. 5.15. Bij vraag of de geconstateerde gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren moeten de persoonlijke omstandigheden worden betrokken. Vaststaat dat een ontslag op staande voet nadelige gevolgen voor [verzoeker] heeft. Deze gevolgen kunnen echter niet afdoen aan de ernst van de gestelde feiten.. Dat betekent dat sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt. 5.16. Het ontslag op staande voet is dan ook terecht gegeven wat betekent dat de verzochte verklaring voor recht en de nevenverzoeken worden afgewezen en dat het voorwaardelijk ingestelde zelfstandige tegenverzoek niet besproken hoeft te worden. Proceskosten 5.17. Omdat [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld moet hij de proceskosten aan de kant van Albert Heijn betalen. Deze worden begroot op € 1.009,- bestaande uit € 865,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De kantonrechter: 6.1. wijst de verzoeken af; 6.2. veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure die aan de kant van Albert Heijn worden begroot op € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen; 6.3. veroordeelt [verzoeker] in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juli 2026.