Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:21171
Artikel 59 (AMP) / De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat de inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is / ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.39317 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 1.2. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 23 juli 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 2.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. De gemachtigde van eiser voert aan dat op 5 juli 2026 eisers asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. In de beschikking is opgenomen dat eiser tijdens de behandeling van een op tijd ingediende voorlopige voorziening niet uit Nederland mag worden verwijderd. Op 13 juli 2026 heeft eiser beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft op 14 juli 2026 de maatregel van bewaring omgezet naar onderhavige maatregel. Door verweerder is ten onrechte de maatregel van bewaring ter fine van de uitzetting opgelegd. Eiser mag namelijk zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland afwachten en hij mag niet worden uitgezet. 4. De rechtbank overweegt het volgende 5. Op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling in bewaring stellen als die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan. Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf: ( f) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de Procedureverordening van toepassing is; ( h) in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist. 5.2. Eisers asielaanvraag is met toepassing van de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening. In artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening staat opgenomen dat er geen schorsende werking is als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Dit houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft nadat op 5 juli 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Dit maakt dat eiser niet langer in bewaring kon worden gehouden op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is. 5.3. De omstandigheid dat eiser de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten levert slechts een tijdelijke belemmering op die aan de uitzetting in de weg staat. Zodra uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening is eiser, als het verzoek wordt afgewezen, weer daadwerkelijk uitzetbaar. 6. Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Verordening (EU) 2024/1348 Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.