Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:21110
Asielaanvraag; Syrië; Beroep gegrond; De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten; Voldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege Koerdische etniciteit en afvalligheid; Voldoende gemotiveerd dat er in Hasaka sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld; Verweerder heeft niet alle individuele omstandigheden betrokken bij de beoordeling of eiser een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld; Dit gebrek is in beroep hersteld; Voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8072 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 6 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, G. Ali als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum] 1980. Eiser komt uit Noordoost Syrië, uit de stad [plaats], in de provincie Hasaka. Eiser heeft verklaard dat hij Syrië in 2013 heeft verlaten vanwege de algemene veiligheidssituatie. Eiser vreest dat hij bij terugkeer gedood zal worden door extremistische moslims, omdat hij Koerdisch en niet religieus is. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; eisers afvalligheid van de islam. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van eisers afvalligheid van de islam in het midden gelaten, omdat het motief hoe dan ook geen aanleiding geeft tot het verlenen van een asielvergunning. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag heeft. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn Koerdische etniciteit of afvalligheid. 3.2. Verweerder vindt tot slot dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatieverordening . Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een redelijke verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende individuele omstandigheden aangevoerd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat zijn Koerdische achtergrond en de daardoor ondervonden problemen in 2004 als apart asielmotief hadden moeten worden aangemerkt en beoordeeld. Daarnaast voert eiser aan dat de beoordeling of iemand een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM dient te gebeuren aan de hand van de actuele mensenrechtensituatie in het land van herkomst en de positie van de groep waartoe betrokkene behoort. Het landenbeleid waar verweerder zich op heeft gebaseerd dateert echter van juni 2025. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 en artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Verder voert eiser aan dat uit openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie in Hasaka nog altijd volatiel is. Eiser verwijst in dit kader naar recente mediaberichten, het rapport van CEDOCA van 19 mei 2026 en informatie van de EUAA van 26 maart 2026. Ook doet eiser een beroep op een aantal uitspraken waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië slechts sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening en dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met willekeurig geweld meegenomen moeten worden bij de beoordeling. Uit een brief van Vluchtelingenwerk van 4 februari 2026 blijkt dat conflictgerelateerd geweld impact had op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser doet hierbij tevens een beroep op de uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2026. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende kenbaar inzichtelijk heeft gemaakt waarom de beperkingen van eiser aan zijn arm niet leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit. Vaststelling asielmotieven 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de Koerdische etniciteit niet als apart asielmotief heeft hoeven aanmerken. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat de Koerdische etniciteit is beoordeeld onder het asielmotief ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’. Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven zien om de aanval van Arabische voetbalsupporters op Koerdische voetbalsupporters in 2004, waarbij eiser gewond raakte, aan te merken als asielmotief. Dit heeft namelijk lange tijd voor eisers vertrek uit Syrië plaatsgevonden en vormde geen directe reden voor vertrek. Ook heeft eiser dit zelf niet als een apart asielmotief naar voren gebracht. 6.1. Eisers beroep op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, leidt niet tot een ander oordeel. Uit artikel 4 volgt dat eerdere blootstelling aan vervolging een duidelijke aanwijzing vormt voor een gegronde vrees om hieraan opnieuw te worden blootgesteld, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De bewijslast verschuift in dat geval naar verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan deze zwaardere bewijslast, nu hij in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege het incident dat hij in 2004 heeft meegemaakt. Terecht is overwogen dat eiser na dit incident nog negen jaar in Syrië heeft gewoond en niets meer over dit incident heeft vernomen van de autoriteiten. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer in de problemen zal komen vanwege dit incident. Vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit. De rechtbank acht van belang dat uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht van Syrië niet blijkt dat er sprake is van gericht geweld tegen Koerden in de provincie Hasaka, waar eiser vandaan komt en waar een grote Koerdische bevolkingsgroep woont. Uit hetzelfde Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat president Al-Sharaa op 16 januari 2026 een decreet heeft ondertekend waarin hij bevestigt dat Koerden een integraal onderdeel zijn van Syrië en belooft culturele en taalkundige rechten te erkennen, waaronder de officiële status van de Koerdische taal en nowruz als nationale feestdag. Eiser heeft aangevoerd dat er tijdens een recente nowruz viering in Hasaka schermutselingen plaatsvonden. Hoe betreurenswaardig dit ook is, volgt hieruit niet dat elke Koerd in de provincie gevaar loopt. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij wel persoonlijk te vrezen heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het incident dat eiser in 2004 heeft meegemaakt, ook onvoldoende is om eiser aan te merken als vluchteling. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen hiervoor over dit incident is overwogen. Vrees voor vervolging vanwege afvalligheid 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn afvalligheid. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser heeft verklaard dat hij de islam nooit heeft gepraktiseerd en nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn afvalligheid . Alleen het vermoeden dat eiser problemen zal krijgen met de huidige machthebbers, is onvoldoende om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Uit het ambtsbericht van januari 2026 van Syrië blijkt namelijk dat het niet praktiseren van de islam doorgaans niet leidt tot problemen met de overgangsregering. Eisers verwijzing naar het rapport van de Deense immigratiedienst van december 2025, leidt niet tot een ander oordeel. Dit rapport dateert immers van voor het Algemeen Ambtsbericht van Syrië van januari 2026. Eiser heeft geen recentere informatie overgelegd waaruit blijkt dat afvalligen in Hasaka gegronde vrees voor vervolging hebben. 8.1. Ook de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 6 februari 2026 geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de in die uitspraak genoemde omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak. In die uitspraak constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek omdat er enkel was verwezen naar het landgebonden beleid zoals neergelegd in paragraaf C7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en er geen rekening was gehouden met de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië. In onderhavige zaak heeft verweerder echter wel verwezen naar actuele landeninformatie en het standpunt ingenomen dat hieruit niet volgt dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarnaast is verweerder in het verweerschrift ingegaan op de geweldsuitbarsting in Noordoost Syrië in januari 2026. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening valt, moeten alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 9.1. Verweerder heeft het bestreden besluit van 6 februari 2026 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 en het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming de beslisnota en de brief van de Minister van Asiel en Migratie van 10 juni 2025 aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië meegenomen. Verder heeft verweerder gewezen op een ACLED-rapport van december 2025. Verweerder heeft derhalve bij de beoordeling de op dat moment beschikbare informatie gebruikt. Met het verweerschrift van 10 juli 2026 heeft verweerder deze beoordeling geactualiseerd. Verweerder heeft data betrokken van ACLED, UNHCR, EUAA en het UK Home Office. Ook heeft verweerder gewezen op informatie van CEDOCA van 19 mei 2026 en EuroNews van 30 januari 2026. 9.2. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft terecht uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten, met uitzondering van januari 2026, ook in de provincie Hasaka te zien is. Tussen 1 mei 2025 en 31 mei 2025 registreerde ACLED 220 geweldsincidenten in Hasaka, waarvan 56 in [plaats]. In 62 gevallen ging het om gevechten, in 17 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 141 gevallen om geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen 18 (juli en oktober 2025) en 40 (september 2025). Tussen januari 2026 en 31 maart 2026 registreerde ACLED 166 geweldsincidenten in Hasaka, waarvan 17 in [plaats]. In 46 gevallen ging het om gevechten, in 54 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 66 gevallen om geweld tegen burgers. Het grootste deel van de gemelde geweldsincidenten heeft plaatsgevonden in januari 2026. Verweerder verwijst naar een artikel van Euronews van 30 januari 2026 waaruit blijkt dat er in Syrië in januari 2026 hevige confrontaties hebben plaatsgevonden die inmiddels met het tekenen van een bestand op 30 januari 2026 ten einde zijn gekomen. Ook keerden binnenlandse ontheemden op grote schaal terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in de provincie Hasaka en is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot het opruimen van deze ontplofbare oorlogsresten. 9.3. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Hasaka in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 9.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Hasaka. Dat er op 30 januari 2026 een bestand is getekend betekent niet dat er geen geweldsincidenten meer plaatsvinden. Er zijn voorbeelden bekend van gericht en ongericht geweld waarbij ook burgerslachtoffers vallen. Dat blijkt eveneens uit de nieuwsberichten die eiser in beroep heeft overgelegd. Eiser heeft echter geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat het geweld na het bestand van 30 januari 2026 zodanig is opgelaaid dat uit moet worden gegaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Individuele omstandigheden bij relatief lager niveau van willekeurig geweld 10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle individuele omstandigheden van eiser heeft betrokken bij de beoordeling of hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Zo heeft eiser verklaard dat hij sinds 2004 een beperking heeft aan zijn arm en daarvoor onder behandeling staat. Verweerder heeft deze omstandigheid niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit en niet beoordeeld of deze omstandigheid eiser al dan niet kwetsbaarder maakt voor het willekeurig geweld. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ter zitting heeft verweerder zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd wat zijn beperking precies inhoudt en wat maakt dat hij hierdoor een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft er ook terecht op gewezen dat eiser deze beperking sinds 2004 heeft en zich daarna jaren staande heeft weten te houden in Syrië en Irak en heeft kunnen werken. Dat eiser geen bezittingen en netwerk heeft in Syrië is ook onvoldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van het EVRM 11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft overwogen dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar het arrest Sufi en Elmi. Ook heeft de rechtbank er hierbij op gewezen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. De Kwalificatierichtlijn is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening . Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom dezelfde uitleg worden gegeven. 11.1. Het EHRM onderscheidt in het arrest Sufi en Elmi twee situaties: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 11.2. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat van een schending van artikel 3 van het EVRM geen sprake is. Volgens verweerder moet worden voldaan aan de hogere lat van "very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling", omdat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door strijdende partijen en omdat het arrest Sufi en Elmi niet vergelijkbaar is met de situatie van eiser. Volgens verweerder heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald. 11.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Hoewel er sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat er in Syrië, en Hasaka in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan zoals omschreven in het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank acht daarbij van belang dat er zicht is op verbetering van de humanitaire omstandigheden, nu er op 30 januari 2026 een bestand is getekend en er initiatieven worden ontplooid om de humanitaire situatie te verbeteren. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat zij, anders dan aan de orde was in het arrest Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. Eiser heeft aangevoerd dat hij het risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij geen familie en bezittingen in Syrië heeft. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd de hoge lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser een volwassen man is en zich altijd zelfstandig staande heeft kunnen houden. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij vanwege de beperking aan zijn arm in een zodanig schrijnende humanitaire situatie terecht zal komen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.2 en 9.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. 12. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 6 februari 2026; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.