Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:21103
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/13297 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen [eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser [eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres [eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 3] , eiser 2 [eiser 3] , V-nummer: [v-nummer 4] , eiser 3 [eiseres 2] , V-nummer: [v-nummer 5] , eiseres 2 tezamen: eisers, en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum kort verblijf. 1.1. Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 9 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 mei 2025 op het bezwaarschrift van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Eisers hebben op 12 juni 2026 beroep ingesteld. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eisers hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser en eiseres zijn geboren op [geboortedatum 1] 1975 en [geboortedatum 2] 1979. Eiser 2 en 3 en eiseres 2 zijn de kinderen van eiser en eiseres en zijn geboren op [geboortedatum 3] 2010. Eisers hebben de Marokkaanse nationaliteit. Eisers hebben op 16 juli 2014 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum kort verblijf voor familiebezoek. Zij willen hun nicht, [referente] (referente), bezoeken. 2.1 Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen, omdat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond. Wat vinden eisers in beroep? 3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat zij wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 12 van de Vreemdelingenwet omdat zij het doel en de omstandigheden omtrent hun reis voldoende hebben aangetoond. Ook hebben zij voldoende middelen van bestaan. Daarnaast voeren eisers aan dat uit de overgelegde geboorteaktes kan worden opgemaakt of zij bijvoorbeeld dezelfde ouders of opa’s hebben. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eisers ontvankelijk is. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 69 van de Vreemdelingenwet 2000 een termijn van vier weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is op grond van artikel 3:41 Awb in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van die te late indiening achterwege. 6. Het bestreden besluit dateert van 13 mei 2025, waardoor de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 10 juni 2025. Eisers hebben op 12 juni 2025, dus buiten de gestelde vier weken beroep ingediend. Bij aangetekende brief van 20 april 2026 heeft de rechtbank eisers in de gelegenheid gesteld schriftelijk te laten weten waarom zij het beroepschrift na afloop van de termijn hebben ingediend. Nu hier geen reactie op is gekomen, kan de rechtbank niet vaststellen of er een verschoonbare reden is geweest voor het niet tijdig indienen van het beroepsch