Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:21090
RECHTBANK Den Haag Team Handel Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van met zaaknummer C/09/684726 / HA ZA 25-393 DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens dit ministerie: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) te Den Haag,eisende partij, advocaat: mr. J.H. van der Weide, tegen 1 [gedaagde 1] B.V. te [vestigingsplaats], gedaagde partij, advocaat: mr. J.M.A. Wintgens-van Luijn, 2 [gedaagde 2] te [woonplaats 1], gedaagde partij, advocaat: mr. P. Quist, 3 [gedaagde 3] te [woonplaats 2], gedaagde partij, advocaat: mr. P. Quist. Eisende partij zal hierna worden aangeduid als RVO en gedaagde partij 1 als [gedaagde 1] . Gedaagden partijen 2 en 3 zullen worden aangeduid als [gedaagde 2 en 3] , en alle gedaagden partijen zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden] 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 februari 2025 met producties 1 tot en met 53; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] met producties 1 tot en met 45; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2 en 3] met producties 1 tot en met 60; - het tussenvonnis van 10 december 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte overlegging producties en uitlating voeging van RVO, met producties 54 en 55; - de akte overlegging producties van de RVO, met producties 56 t/m 73; - de akte nadere uitlating van [gedaagde 1] van 13 mei 2026; - de akte nadere uitlating van [gedaagde 2 en 3] van 13 mei 2026. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde 1] was tot recent een grote teler van tomaten. [gedaagde 1] handelde onder verschillende handelsnamen voor verschillende nevenactiviteiten, waaronder de handelsnaam [handelsnaam] waar het ging om de verpakking van tomaten. 2.2. [gedaagde 2] was in de periode tot 1 januari 2013 bestuurder en één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde 1] . [gedaagde 3] was in de relevante periode tot 1 januari 2013 ook bestuurder van [gedaagde 1] en ook één van de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde 1] . 2.3. De coöperatieve vereniging Telerscoöperatie FresQ U.A. (hierna: FresQ) was een coöperatie van telers van groenten en fruit. De leden van FresQ (ongeveer 150 in 2012) waren actief in de teelt van met name tomaten en paprika’s. Eén van de leden van FresQ was [gedaagde 1] . 2.4. [gedaagde 2] was één van de bestuursleden van FresQ. 2.5. De heer [naam 1] was algemeen directeur van FresQ in de relevante periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013. 2.6. Bij FresQ werden meerdere verkoopkanalen gebruikt voor de verkoop van de door de leden geteelde producten, waarbij de verkoop plaatsvond via zes zogeheten verkoopdochters. FresQ was van alle zes de verkoopdochters (in)direct enig aandeelhouder. Elke verkoopdochter had een eigen bestuur en verkoopmedewerkers in dienst. Eén van de verkoopdochters was Red Star B.V. Red Star B.V. verkocht in de periode tot 1 januari 2010 uitsluitend de tomaten die werden geteeld door [gedaagde 1] . Binnen FresQ werd Red Star B.V. daarom ook wel aangeduid als een éénmanssegment. Verkoopdochters die tomaten verkochten van meerdere telers werden ook wel aangeduid als meermanssegment. 2.7. FresQ was tevens enig aandeelhouder van FresQ Holding B.V. die op haar beurt weer aandeelhouder en bestuurder was van negen dochtervennootschappen (de zogenaamde vastgoeddochters). De vastgoeddochters waren eigenaar van gebouwen en soms daarin geïnstalleerde machines die werden gebruikt voor opslag of verpakking van door de leden geteelde producten. 2.8. [gedaagde 3] was tot 1 januari 2010 tevens bestuurder van Red Star B.V. Relevante wetgeving 2.9. Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening va Daarbij gold op grond van de raamovereenkomsten bovendien dat inhouding of terugvordering van Europese steun jegens FresQ voor rekening en risico kwamen van het lid, behalve “ ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ ”. 2.16. Ten aanzien van de investeringen in faciliteiten kwamen zogenaamde projectovereenkomsten tot stand. Deze projectovereenkomsten werden gesloten tussen FresQ en een categorie van leden alsmede – indien het ging om een investering in onroerende zaken – een vastgoeddochter. De projectovereenkomsten bevatten algemene bepalingen en bepalingen omtrent de categorie. Voorts bevatten de projectovereenkomsten bepalingen op grond waarvan de faciliteit vervaardigd of gekocht werd door FresQ dan wel een vastgoeddochter van FresQ. In ieder geval na afloop van het operationeel programma kon de faciliteit vervreemd worden. De (leden van de) categorie had(den) een eerste recht van koop van de faciliteit tegen de waarde in het economisch verkeer. Als de koopoptie niet werd uitgeoefend, mocht FresQ of de vastgoeddochter de faciliteit aan een derde vervreemden. 2.17. Ook bij de projectovereenkomst gold dat als geen subsidie werd verkregen voor een faciliteit, dit voor rekening en risico kwam van de categorie. Ten aanzien van inhouding of terugvordering van subsidie volgt uit de projectovereenkomsten dat dit voor rekening en risico komt van de categorie, behalve “ ten gevolge van opzet dan wel grove nalatigheid van de zijde van FresQ ”. In het geval dat een vastgoeddochter bij het project betrokken was bevatte de projectovereenkomst ook een systeem op grond waarvan de vastgoeddochter in geval van een terugvordering jegens FresQ van subsidie gehouden is een corresponderend bedrag aan FresQ te betalen. 2.18. De heer [naam 2] functioneerde binnen FresQ in de periode van 2009 tot en met 2011 als afdelingshoofd Projecten, waaronder GMO-projecten. Controle van de Europese Commissie 2.19. In de periode van 24 tot en met 28 september 2007 heeft de Europese Commissie controles verricht bij Nederlandse telersverenigingen. Daarbij ging zij na of de in de jaren 2005, 2006 en 2007 gedane uitgaven in overeenstemming waren met de steunregelingen voor telersverenigingen. Op 15 en 16 november 2007 zijn door de Europese Commissie extra controles verricht bij FresQ en een aantal daarbij aangesloten leden. Na mededelingen van de resultaten aan Nederland en een bemiddelingsprocedure heeft de Commissie bij Uitvoeringsbesluit 2011/244/EU van 15 april 2011 door Nederland gedeclareerde uitgaven aan EU-financiering onttrokken voor een bedrag van € 22.691.407,79 voor onder meer de in de jaren 2006, 2007 en 2008 door telersvereniging FresQ in het kader van haar operationele programma’s gemaakte kosten. 2.20. Nederland heeft tegen dit besluit van de Europese Commissie beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. Bij arrest van 16 september 2013 heeft het Gerecht dit verworpen (Nederland/Commissie, T‑343/11, ECLI:EU:T:2013:468). Het Gerecht is onder meer tot de conclusie gekomen dat de verkoop van de producten door verkoopdochters die in handen zijn van FresQ, maar ten aanzien waarvan de Nederlandse regering niet heeft aangetoond dat zij onder het toezicht en de leiding van FresQ optreden, niet kan worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht, waarin is bepaald dat de telersvereniging zelf de stuwende kracht moet zijn bij de afzet van de producten van haar leden. Geen bewijs is geleverd dat sprake is van een telersvereniging in de zin van het Unierecht. Bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 november 2014 (Nederland/Commissie, C-610/13 P, ECLI:EU:C:2014:2349) is de door Nederland ingestelde hogere voorziening afgewezen. 2.21. De controles door de Europese Commissie en de uitkomsten daarvan hebben het Productschap aanleiding gegeven FresQ onder verscherpt toezicht te plaatsen. In dat kader is FresQ door het Productschap erop gewezen dat zij op verschillende p Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Productschap de erkenning van FresQ als producentenorganisatie geschorst met ingang van 28 augustus 2012 voor maximaal een jaar. 2.31. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft vervolgens op verzoek van het Productschap onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek door de NVWA zijn neergelegd in drie rapporten van respectievelijk 30 maart 2013, 20 juni 2013 en 21 juni 2013. 2.32. Het Productschap heeft bij besluit van 23 augustus 2013 de erkenning van FresQ als producentenorganisatie met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 28 november 2014 ongegrond verklaard. Het Productschap heeft – kort samengevat – aan de intrekking ten grondslag gelegd dat FresQ ernstige inbreuk heeft gemaakt op: (i) de voorwaarde dat FresQ de doelstelling moet nastreven om de productiekosten te optimaliseren en de productieprijzen te stabiliseren; (ii) de eis van democratische controle, dat wordt voorkomen dat één of meer leden van FresQ misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van de producentenorganisatie; (iii) de eis dat FresQ verantwoordelijk dient te blijven voor de uitvoering van de uitbestede activiteit, voor de algemene beheerscontrole en voor het toezicht op de voor de uitvoering van de uitbestede activiteit getroffen commerciële regeling. Uit het besluit volgt verder dat de bovengenoemde inbreuken op de erkenningscriteria het gevolg zijn van grove nalatigheid van FresQ. Als gevolg van het besluit kan FresQ met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 geen aanspraak maken op financiële steun voor de uitvoering van een operationeel programma. In het besluit wordt geconstateerd dat reeds uitgekeerde bedragen die betrekking hebben op programma’s vanaf 2010 onverschuldigd zijn betaald en zullen worden teruggevorderd. 2.33. FresQ heeft [gedaagde 1] bij brief van 15 maart 2013 en 14 februari 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] . 2.34. Het Productschap heeft meerdere conservatoire beslagen gelegd ten laste van FresQ, onder meer onder Rabobank. Rond 30 december 2013 heeft Rabobank uit hoofde van de gelegde beslagen een bedrag van € 1.787.000 aan het Productschap betaald. 2.35. Bij besluit van 28 november 2014 heeft het Productschap het bezwaar van FresQ ongegrond verklaard. FresQ heeft vervolgens beroep ingesteld. 2.36. Bij uitspraak van 25 april 2017 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: CBb) het door FresQ ingestelde beroep verworpen. Het CBb heeft, voor zover relevant, geoordeeld als volgt: 4.3 De steun aan producentenorganisaties is onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat (volgens (thans) artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) onder andere ten doel heeft de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren en aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn. Zoals het Gerecht van de Europese Unie in het arrest van 16 september 2013 (zaak T-343/11) in de punten 119 en volgende heeft overwogen, heeft de hoofdactiviteit van een telersvereniging (thans producentenorganisatie) betrekking op de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is. Daarbij houdt de verkoop van de productie in dat de producentenorganisatie de verkoopvoorwaarden en meer in het bijzonder de verkoopprijzen daadwerkelijk kan bepalen. Door het vereiste dat de volledige productie via de producentenorganisatie wordt verkocht, en door te bepalen dat die producentenorganisatie bepaalde essentiële taken moet vervullen, heeft de wettelijke regeling van de Unie de producentenorgan Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat door onder andere financieringsovereenkomsten controle en zeggenschap uitoefenen illusoir werd. Dat dergelijke overeenkomsten bestonden tussen [naam 3] B.V. en andere leden die hun producten verkochten via FresQ Red Star B.V. is voldoende gebleken. Dat mogelijk niet alle leden dergelijke overeenkomsten hadden afgesloten maakt niet dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin een lid misbruik maakte van zijn macht of invloed. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [naam 3] B.V. heeft geprofiteerd van de overeenkomsten met de andere leden, door voor de door die andere leden geproduceerde producten een hogere prijs te ontvangen dan de andere leden zelf. FresQ heeft onvoldoende toezicht gehouden en regie gevoerd. Ook op dit punt is er naar het oordeel van het College sprake van een ernstige inbreuk op het criterium voor erkenning als producentenorganisatie dat wordt voorkomen dat één of meer leden van de producentenorganisatie misbruik maken van hun macht of invloed uitoefenen ten aanzien het beheer en de werking van de producentenorganisatie (zie de onder 1.4, tweede gedachtestreepje, aangehaalde bepalingen). 5.4 Het College is op basis van het vorenstaande van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 114 van Verordening 543/2011 verweerder terecht heeft geoordeeld dat voldoende gronden aanwezig waren om de erkenning van FresQ als producentenorganisatie in te trekken, mits de geconstateerde ernstige inbreuken het gevolg zijn geweest van grove nalatigheid dan wel opzet. Het College zal, gelet op het hierna overwogene met betrekking tot “grove nalatigheid”, de derde aan de intrekking ten grondslag gelegde intrekkingsgrond onbesproken laten. (…) 6.3 Het College is van oordeel dat verweerder FresQ terecht grove nalatigheid heeft verweten voor de ernstige inbreuken op de erkenningscriteria. Naar aanleiding van de controles door de Commissie is FresQ er, in ieder geval in 2009, uitdrukkelijk op gewezen dat er mogelijk sprake was van inbreuken op de erkenningscriteria in verband met onder meer de prijsvaststelling door de verkoopdochters. Het Productschap heeft verscherpt toezicht gehouden, maar had tot 2012 geen wetenschap van de actieve rol van [naam 4] bij het vaststellen van de producentenprijzen en de daarmee samenhangende afspraken over het toedelen van het surplus en het verdelen van het beschikbare GMO-budget. Er is door FresQ een onjuist en onvolledig beeld geschetst van de situatie en de door haar doorgevoerde aanpassingen. Met uitzondering van [naam 4] , die daarbij echter niet handelde in zijn hoedanigheid van bestuurslid van FresQ, waren de bestuursleden van FresQ, blijkens hun verklaringen, niet op de hoogte van de afspraken omtrent de vaststelling van de producentenprijzen bij FresQ Red Star B.V. en er is niet gebleken van enig toezicht hierop. Op grond van de verantwoordelijkheid die het bestuur had om op de hoofdtaak van de producentenorganisatie, de verkoop van de producten van de leden waarvoor zij erkend is, de regie te voeren en effectief controle uit te oefenen over de prijzen, had het bestuur op de hoogte moeten zijn van de overeenkomsten ten aanzien van de producentenprijzen en de aanvullende afspraken. Ondanks de door de Commissie geconstateerde inbreuken op de voorschriften en de constateringen van het Productschap heeft FresQ geen (toereikende) maatregelen getroffen. 2.37. Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft het Productschap de intrekking van de erkenning van FresQ vervroegd naar 1 juli 2009 en zijn de over de 3e en 4e kwartaal ontvangen subsidies van FresQ teruggevorderd. 2.38. Bij beslissing op bezwaar van FresQ van 13 april 2017 is het bezwaar van FresQ tegen het vervroegingsbesluit van 12 oktober 2015 ongegrond verklaard. FresQ heeft ook tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het CBb. Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft het CBb dit beroep afgewezen. Faillissement FresQ en verdere procedures 2.39. Bij vonnis van 23 RVO houdt [gedaagden] aansprakelijk voor schade die RVO heeft geleden wegens een oninbare vordering uit hoofde van teruggevorderde subsidies op FresQ. Tussen partijen is niet in geschil dat FresQ in de periode van medio 2009 tot eind 2012 voor een bedrag van ongeveer € 45 miljoen aan (Europese) GMO-subsidie heeft ontvangen, en dat om voor deze subsidies in aanmerking te komen, FresQ moest voldoen aan een aantal erkenningscriteria. Het erkenningscriterium waar het in deze procedure over gaat is het voeren van regie over de verkoop. Volgens RVO heeft [gedaagden] doelbewust in strijd met dit erkenningscriterium gehandeld door de regie over de verkoop feitelijk te behouden. De Europese Commissie heeft in 2007 reeds geoordeeld dat (de verkoopdochters van) FresQ onvoldoende regie voerde(n). [gedaagden] heeft hierna een schijnwerkelijkheid gecreëerd waarbij het op papier leek alsof FresQ Red Star, de verkoopdochter van FresQ, de regie in handen had gekregen, terwijl [gedaagden] feitelijk nog steeds de dienst uitmaakte. Alle betrokkenen die hebben samengewerkt om [gedaagde 1] feitelijk de regie te laten behouden en dit toe te dekken met een papieren schijnwerkelijkheid hebben volgens RVO als groep onrechtmatig jegens RVO gehandeld (artikel 6:162 jo. 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Volgens [gedaagden] is van het bewust handelen in strijd met de erkenningscriteria geen sprake. [gedaagde 1] heeft zich constructief opgesteld om aan de door de Commissie in 2007 gegeven uitleg van de erkenningscriteria te voldoen. Zij heeft aan haar eigen deskundigen gevraagd om te waarborgen dat zij (via FresQ Red Star) rechtmatig aanspraak kon maken op subsidie, en dit afgestemd met zowel FresQ als het Productschap. Dat achteraf is komen vast te staan dat FresQ Red Star niet de regie over de eigen verkoop voerde, was voor [gedaagden] niet te voorzien. 4.2. De rechtbank zal in dit vonnis eerst beoordelen of RVO belang bij zijn vordering heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank zal vervolgens tot het oordeel komen dat [gedaagde 1] willens en wetens in strijd met de erkenningscriteria heeft gehandeld. [gedaagde 1] heeft daarmee onrechtmatig jegens RVO gehandeld. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen tot het betalen van de door RVO geleden schade, die gelijk is aan het bedrag aan subsidie dat vooralsnog niet door FresQ is terugbetaald. De rechtbank zal vervolgens tot het oordeel komen dat RVO onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht wat de individuele bijdrage van [gedaagde 2 en 3] is geweest. Om deze reden zal de vordering jegens [gedaagde 2 en 3] worden afgewezen. RVO heeft voldoende belang bij de vorderingen 4.3. De GMO-subsidies zijn een Europese subsidie. Tussen partijen is niet in geschil dat de subsidies waar het in deze zaak om gaat zijn toegekend en uitbetaald door het Productschap aan FresQ, en dat vervolgens via FresQ Red Star een gedeelte van de subsidie uiteindelijk ten goede is gekomen aan [gedaagde 1] . Tegen deze achtergrond heeft [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat RVO geen belang bij zijn vordering heeft. RVO heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij, en niet de EU, een vorderingsrecht heeft. Al zou Nederland een vorderingsrecht hebben, en de vordering tot terugbetaling van de uitbetaalde subsidie voor een deel oninbaar blijken te zijn, dan betekent dit nog niet dat de schade ook uiteindelijk door Nederland dient te worden gedragen. 4.4. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van het CBb van 13 februari 2018 volgt dat FresQ de subsidie moet terugbetalen aan het Productschap. De rechten en plichten van het Productschap zijn overgegaan op de Staat. RVO stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat zij doelbewust de erkenningscriteria heeft overtreden, en het voorzienbaar was dat FresQ de subsidie niet zou kunnen terugbetalen. Uit het voorgaande volgt dat het vorderingsrecht bij (de rechtsvoorganger van) RVO berust. Dat de EU, in de relatie m De aanvankelijke nieuwe leden exploiteerden feitelijk een tuin voor rekening en risico van [gedaagde 1] . Van onafhankelijke telers was geen sprake. 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelijktijdig met de inkoopovereenkomsten, tussen de nieuwe leden en [gedaagde 1] overeenkomsten zijn gesloten met aanvullende afspraken (hierna: de Aanvullende Afspraken). Bij de Aanvullende Afspraken is FresQ Red Star geen partij. Uit de Aanvullende Afspraken volgt onder meer dat (i) de nieuwe leden met [gedaagde 1] een vaste uitbetaalprijs zijn overeengekomen, (ii) [gedaagde 1] het positieve of negatieve verschil tussen de overeengekomen vaste uitbetaalprijs en de daadwerkelijke door FresQ Red Star gerealiseerde externe verkoopprijs ontvangt, (iii) de minimale uitbetaalprijs toereikend dient te zijn, en dat deze naar boven kan worden bijgesteld als de prijs niet kostendekkend is, en naar beneden kan worden bijgesteld indien de minimale uitbetaalprijs te hoog is in relatie tot de daadwerkelijke kosten en (iv) dat [gedaagde 1] bereid is tot financiering van de teelt. Met het oog op de financiering van de teelt hebben de nieuwe leden en [gedaagde 1] teeltfinancieringsovereenkomsten gesloten. 4.9. De Aanvullende Afspraken komen er naar het oordeel van de rechtbank feitelijk op neer dat de nieuwe leden tomaten zullen gaan telen voor rekening en risico van [gedaagde 1] . Dat dit ook de bedoeling van de Aanvullende Afspraken was volgt uit de e-mailwisseling tussen onder meer [naam 4] en [gedaagde 2] van 9 november 2009 waarin over de te maken afspraken met betrekking tot Red Growers Westland B.V. (hierna: RGW) werd onderhandeld. De e-mail is geschreven door [naam 5] , een externe adviseur van [gedaagde 1] , de onderstreepte zinnen zijn aanvullingen van [naam 4] (in het origineel in het rood): “ [gedaagde 2] , [naam 4] , Na de bespreking vandaag vat ik de gemaakte afspraken als volgt samen: 1. Tuin Oud Camp gaat geëxploiteerd worden in Red Growers Westland BV. Aandelen en directie bij [naam 6] . 2. In beginsel is de r ichtprijs voor de uitbetaling van Red Star naar deze BV 1,23 op basis van 32 kilo verkocht product klasse 1, gebaseerd op uitgewerkte begroting (versie d.d. 9 november 2009, zie bijlage) 3. Indien werkelijke kosten boven deze richtprijs uitkomen, zal de uitbetaalprijs worden verhoogd tot het werkelijke bedrag van de totale kostprijs. (de kostprijs is inclusief fee [naam 4] en [naam 6] . ) 4. Indien gerealiseerde verkoopopbrengst KAAL ??? product binnen Red Star BV v.w.b. deze locatie hoger ligt dan de werkelijke kosten, dan is de eerste € 2 per m2 voor [gedaagde 1] voor de door hen gemaakte kosten, restant 1/3 van het overschot voor voormelde BV en 2/3 voor [gedaagde 1] . Daarbij dient tevens in acht te worden genomen een eventueel verlies dat in Engeland wordt geleden als TEM het desbetreffende product heeft ingekocht. E.e.a. genoegzaam onderbouwd. 5. [naam 4] begeleidt teelt te Lisse kostenloos. Nadere afspraken te maken over teeltvoorlichting 6. Het doorbelast en voor de kosten van € 45.000 fee voor [naam 4] / [naam 6] en het doorbelasten van het salaris van [naam 7] , of een andere bedrijfsleider zitten in de begroting en in de kostprijs. Alle overige kosten betrekking hebben op het bedrijf aan de [straatnaam] zullen doorbelast worden aan de BV. ( [naam 8] en [gedaagde 2] dit lijkt mij logisch, en probeer niet te pingellen) 7. Teeltfinanciering te regelen via RABO, indien niet of gedeeltelijk realiseerbaar, maximale teeltkrediet via [gedaagde 1] tegen 7% van € 100.000. Blijkt momenteel zeer moeilijk realiseerbaar. Concrete afspraken over - alle verplichtingen groter dan 5.000 na overleg, anders geen onderdeel nacalculatie - geen personeel op deze BV, dan wel met korte contracten - contracten niet langer dan de duur van de teelt, contracten met minimale afname zoveel mogelijk beperken elke maand / 4 wkn rapporteren en verschillen verklaren + recht op cont1C - Red Star voerd de boekhouding uit, e.e.a. in overleg met de BV ” 4 Ingangsdatum: verkopen week 40 (dus verrekening van vandaag d.d. 10-1-2011). Dit zal tot einde teelt gelden, met eventuele aanpassing in de laatste twee weken . Volgens [gedaagden] betreft het een verzoek aan [naam 3] om de vaste uitbetaalprijs van een teler te verhogen. Dat deze e-mail is verstuurd door [naam 10] kan worden verklaard dat hij de teelfinancieringen beheerde. De rechtbank leidt uit de formulering van de e-mail af dat van een vrijblijvend verzoek geen sprake is, onder meer omdat door [gedaagde 1] wordt bepaald voor welke periode het nieuwe tarief zal gelden. Dat [naam 10] kennelijk beleefdheidshalve de woorden “wil je” heeft gebruikt, maakt niet dat sprake is van een verzoek dat [naam 3] naast zich neer kon leggen. Dat [naam 10] als financial controller de teeltfinancieringen beheerde biedt verder geen toereikende verklaring voor zijn bemoeienis met de vaste uitbetaalprijzen, en neemt niet weg dat de vaste uitbetaalprijzen in dit geval eenzijdig door [gedaagde 1] zijn bepaald. [gedaagden] hebben in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de vaste uitbetaalprijzen eenzijdig door [gedaagde 1] werden vastgesteld. 4.12. Verder van belang is dat [naam 4] op 14 december 2012 aan het Productschap een e-mail heeft gestuurd. Uit deze e-mail volgt dat in ieder geval één van de nieuwe telers is opgericht als schijnvertoning om aan het vereiste te voldoen dat een telersvereniging moet bestaan uit ten minste vijf leden en dat [gedaagde 1] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had: “ telersvereniging Extenso is door [gedaagde 1] enkel opgericht om dit een vereiste was van FresQ in het najaar van 2009. [gedaagde 1] diende een telersvereniging te vormen met tenminste 5 leden. In dit najaar van 2009 wist [gedaagde 1] 3 telers aan zich te binden en zodoende was het aantal van 5 leden niet bereikt. Om dit aantal alsnog te kunnen bereiken is als schijnvertoning RGW (Red Growers Westland B.V., rechtbank) opgericht. De tenaamstelling van dit bedrijf kwam te staan op naam van de bedrijfsleider van [naam 4] ( [naam 4] , rechtbank). In opdracht van [gedaagde 1] heeft [naam 4] dit gehele bedrijf moeten leiden uit naam van [bedrijfsnaam] . De directeur van RGW heeft het reilen en zeilen van zijn bedrijf geheel aan [naam 4] over gelaten. Het functioneren van telersvereniging Exsento was belabberd. De leden van Extenso moesten in deze bijeenkomsten hun verantwoording aangaande de teelt aflegen aan [gedaagde 1] . Vanuit [gedaagde 1] was er weinig inbreng op deze bijeenkomsten. De bijeenkomsten waren een voor de leden een schijnvertoning omdat deze vanuit FresQ opgedragen waren. Een bestuursvergadering of een algemene ledenvergadering is er nooit geweest, ondanks het veelvuldig verzoek van [naam 4] hiertoe. [naam 4] moest van [gedaagde 1] zijn werk doen en verder zijn mond houden. Er heerste een sfeer van dictatuur door [gedaagde 1] , de leden waren bang van [gedaagde 1] , ook omdat [gedaagde 1] de leden in een financiële houdgreep had en bleef houden. [gedaagde 1] bepaalde immers de inkomens van de leden. ” 4.13. Volgens [gedaagden] kan aan de hierboven aangehaalde e-mail van [naam 4] geen waarde worden gehecht. [naam 4] is in de loop van 2012 in persoonlijk conflict met [gedaagde 1] geraakt en is toen [gedaagden] de schuld gaan geven van de financiële problemen van zijn bedrijf. De rechtbank acht het aangehaalde citaat uit de e-mail van [naam 4] echter voldoende geloofwaardig, omdat het door [naam 4] geschetste beeld dat RGW fungeerde als stroman voor [gedaagde 1] door de inhoud van de e-mails van 9 november 2009 wordt bevestigd (zie rov. 4.9) en het beeld dat [gedaagde 1] de nieuwe leden in een financiële houdgreep had wordt bevestigd door de inhoud van de Aanvullende Afspraken en hetgeen de rechtbank in rov. 4.10 en 4.11 heeft overwogen. 4.14. Op 15 oktober 2010 is 3rd Generation B.V. toegetreden tot het segment, gevolgd door Fresunto B.V. in 2011. Tussen partijen is niet in geschil dat 3rd Generation wor Waar gaat het om, we willen van een organisatie die vanuit macht wordt gestuurd , naar een organisatie die vanuit kracht wordt geleid. Dit houdt in dat niet meer 1 man bepaalt maar een team van leidinggevenden gaan leiden. De resultaat afspraken hebben als doel om alle afdelingen zelf verantwoordelijk te maken voor hun resultaat. Hier dient nog een grote omslag plaats te vinden op diverse afdelingen. We hebben in principe drie schepen met drie kapiteins aan het roer, hieronder staat èèn team van mensen die het beoogde resultaat voor dat schip dienen te behalen: Samen èèn en dezelfde koers gaan varen, met, voor en door elkaar! De drie kapiteins zijn [naam 16] , verantwoordelijk voor het resultaat van de telers, [naam 17] verantwoordelijk voor het resultaat van de verpakhal en [naam 3] , verantwoordelijk voor het resultaat van de verkoop. We hebben maar 1 product: onze tomaat. ” 4.17. De rechtbank kan het verslag van de kwartaalvergadering niet anders begrijpen dan dat bij [gedaagde 1] de overtuiging bestond dat, ook na doorvoering van het Plan van Aanpak, ( [naam 3] ) [naam 3] werd beschouwd als leidinggevende van de verkoopafdeling van [gedaagde 1] . [naam 3] wordt immers gepresenteerd als leidinggevende, die als “ kapitein aan het roer ” werd geacht om de koers van [gedaagde 1] te varen. Volgens [gedaagden] wordt in de kwartaalafspraken gerefereerd aan de zogeheten ketensamenwerking, waarbij het belangrijk is dat de verschillende pijlers binnen het productieproces (teeltproductie, verkoop en verpakking) goed met elkaar samenwerken, maar deze uitleg ligt niet voor de hand. In de notulen staat immers “ we hebben in principe drie schepen ” terwijl het springende punt nu juist is dat de verkoop is belegd bij FresQ Red Star, en de verkoop in die zin dus geen “schip” van [gedaagde 1] meer is. Als in de kwartaalvergadering slechts naar de onderlinge samenwerking binnen de pijlers zou zijn verwezen valt het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te begrijpen waarom de andere leden van Exsento niet in dit overleg zijn betrokken. De kapiteins dienen blijkens de notulen immers in onderling overleg de koers te bepalen, hetgeen niet past in een samenwerkingsverband waarbij tomaten ook door andere leden worden geteeld. Verder wijst het kwartaalverslag er ook op dat er wel degelijk prestatieafhankelijke beloningsafspraken met [naam 3] zijn gemaakt, en dat [naam 3] kennelijk ook nog steeds een leidinggevende binnen [gedaagde 1] had met wie over de beloningsafspraak is gesproken. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [naam 3] feitelijk nog altijd door [gedaagde 1] werd aangestuurd. Het intrekken van de erkenning was voorzienbaar 4.18. Uit het voorgaande volgt dat het Plan van Aanpak niet juist is geïmplementeerd. De nieuwe leden fungeerden niet als zelfstandige nieuwe telers, maar exploiteerden tuinen voor rekening en risico van [gedaagde 1] . FresQ Red Star voerde niet de regie over de eigen afzet, maar [naam 3] was ondergeschikt aan [gedaagde 1] . Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde 1] wist dat om aanspraak te kunnen maken op GMO-subsidie (i) FresQ Red Star moest worden aangestuurd door een eigen directeur (in dit geval: [naam 3] ); (ii) [naam 3] op zijn beurt diende te worden aangestuurd door de commercieel directeur van FresQ en; (iii) het Red Star segment per 1 januari 2010 diende te bestaan uit ten minste vijf leden, staat daarmee reeds vast dat [gedaagde 1] inbreuk heeft gemaakt op de erkenningscriteria en daarmee heeft bewerkstelligd dat de inbreuk van FresQ op de erkenningscriteria zou blijven voortbestaan. [gedaagde 1] wist eveneens, gelet op de uitkomst van de eerdere audit van de Europese Commissie, dat het gevolg hiervan zou zijn dat ten aanzien van lidstaat Nederland een groot bedrag aan financiering zou worden uitgesloten. In het licht van deze omstandigheden heeft [gedaagde 1] door, kort gezegd, de regie over de afzet te behouden, onrechtmatig gehandeld j Lidmaatschap FresQ/Exsento pas nadat BV formeel is opgericht. Volgens de notaris zal dit binnen enkele dagen een feit zijn. Volgens haar zijn er geen lange wachttijden op dit moment. 5. Deze mail gaat NIET naar FresQ ” De rechtbank kan de inhoud van deze e-mail niet goed plaatsen. Maar wat hiervan ook moge zijn, zelfs al zou [naam 2] hebben geweten dat in ieder geval één van de leden verbonden was aan [gedaagde 1] , dan volgt uit dezelfde e-mail dat dit niet breder binnen FresQ bekend mocht worden. [gedaagde 1] heeft geen enkele verklaring gegeven waarom, indien zij daadwerkelijk meende dat aan alle regels werd voldaan, het belang van [gedaagde 1] in Fresunto voor bepaalde personen binnen FresQ (en de buitenwereld) verborgen moest blijven. Dat [gedaagde 1] met [naam 2] over de nieuwe structuur heeft gesproken, maakt in deze omstandigheden nog niet dat zij er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat zij zich aan de regels hield. 4.21. Voor zover [gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat uit de bevindingen van de Europese Commissie tijdens de eerdere audit volgt dat de wijze van vaststellen van de verkoopprijzen van de verkoopdochters van FresQ niet verenigbaar is met de erkenningscriteria, en dat het nu gaat om de inkoopprijzen, en dat deze uitleg voor [gedaagde 1] niet voorzienbaar is, faalt dit betoog. [gedaagde 1] heeft door het in strijd met het Plan van Aanpak behouden van de regie over FresQ Red Star bewust bewerkstelligd dat FresQ nog steeds niet aan de erkenningscriteria voldeed. Het is daarmee niet relevant op welke gronden de intrekking precies is gebaseerd. Voldoende is dat de intrekkingsgronden voortvloeien uit het welbewust behouden van de regie door [gedaagde 1] . Daar is hier sprake van. Uit de uitspraak van het CBb van 25 april 2017 volgt immers dat [gedaagde 1] een bepalende rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de uitbetaalprijzen van de nieuwe leden en dat niet voldaan is aan het vereiste dat geen van de leden misbruik kan maken van zijn macht of invloed kan uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van een producentenorganisatie. De intrekkingsgronden zijn daarmee een voldoende voorzienbaar gevolg van het niet volledig doorvoeren van het Plan van Aanpak. De individuele rol van [gedaagde 2 en 3] is onvoldoende toegelicht 4.22. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld doordat zij de regie over FresQ Red Star niet uit handen heeft gegeven, en er daarmee welbewust voor heeft gezorgd dat FresQ inbreuk zou blijven maken op de erkenningscriteria. Volgens RVO heeft [gedaagde 1] niet alleen gehandeld, maar hebben meerdere (rechts)personen daarbij samengespannen, waaronder in ieder geval [gedaagde 2 en 3] . Aan zijn vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] legt RVO groepsaansprakelijkheid voor onrechtmatig daad ten grondslag (art. 6:166 lid 1 BW). 4.23. Aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 lid 1 BW bestaat indien aan vier voorwaarden is voldaan: i. de aangesprokene moet deel hebben uitgemaakt van een groep personen, waarvan ten minste één persoon schade heeft toegebracht aan een derde; ii. de kans op het aldus toebrengen van schade had de groep personen, onder wie dus de aangesprokene, behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband; iii. de aangesprokene moet kunnen worden toegerekend dat hij heeft deelgenomen aan de onrechtmatige gedragingen in groepsverband; en iv. de handeling waardoor de schade feitelijk is toegebracht moet een onrechtmatige daad jegens de gelaedeerde opleveren. 4.24. RVO heeft in de dagvaarding gesteld dat de betrokkenen door bewust de regie te behouden wetende dat FresQ daarmee niet aan de erkenningscriteria zou voldoen en wetende dat het gevolg daarvan zou zijn dat FresQ geen aanspraak kon maken op subsidie, en dit toe te dekken met een schijnwerkelijkheid, [gedaagden] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld. Met betrekking tot [gedaagde 2 en 3] stelt RVO niet meer dan dat, voor zover nodig, aan hen ook een persoonlijk ernstig De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat RVO en de Curatoren zijn overeengekomen dat eventuele opbrengsten uit deze procedure door de RVO worden afgedragen aan de boedel ter verdeling onder de gezamenlijke crediteuren volgens de wettelijke rangorde. Er bestaat dus geen risico dat [gedaagde 1] dubbel moet betalen. Eigen schuld 4.30. [gedaagde 1] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van RVO in de zin van artikel 6:101 BW. De eigen schuld bestaat eruit dat (i) het Productschap heeft gefaald in haar rol als toezichthouder; (ii) RVO er mee heeft ingestemd dat de Curatoren ervoor hebben gekozen ten aanzien van de overige telers/leden van FresQ de versterkte subsidie niet terug te vorderen; en (iii) de RVO na de terugvorderingsbesluiten geen enkele actie heeft ondernomen waardoor de wettelijke rente is opgelopen tot een bedrag van € 5,5 miljoen. 4.31. In het midden kan blijven of het Productschap vóór 2009 in haar taken als toezichthouder heeft gefaald. Voor zover daarvan sprake is, heeft RVO de daaruit voortvloeiende schade immers voor eigen rekening genomen. Dat het Productschap in 2010 heeft ingestemd met het Plan van Aanpak, en heeft bevestigd dat het Plan van Aanpak juist was doorgevoerd, kan RVO niet worden tegengeworpen. [gedaagde 1] heeft immers de werkelijke gang van zaken binnen FresQ Red Star voor het Productschap verborgen gehouden. 4.32. Met betrekking tot het tweede verwijt is de navolgende achtergrond van belang. In de tussen FresQ en de leden gesloten projectovereenkomsten is een uitsluitingsclausule opgenomen. Uit deze uitsluitingsclausule volgt volgens de Curatoren dat FresQ de door de leden ontvangen subsidies niet kan terugvorderen wanneer de terugvordering het gevolg is van opzet of grove nalatigheid aan de zijde van FresQ. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de uitspraak van het CBb van 25 april 2017, aan de zijde van FresQ sprake is van grove nalatigheid. Uit het faillissementsverslag volgt dat de Curatoren tot de conclusie zijn gekomen dat “ de telers/leden van FresQ die geen rol hebben gespeeld in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de ernstige schendingen van de erkenningscriteria, zich toch met succes op de blokkerende clausule tegen de eventuele vordering van de curator kunnen beroepen. ” Uit het faillissementsverslag volgt verder dat de Curatoren, in overleg met de Staat als grootste crediteur in het faillissement, om deze reden tot de conclusie zijn gekomen om niet tot terugvordering over te gaan. Volgens [gedaagde 1] heeft de Staat/RVO, door in te stemmen met het besluit van de Curatoren, niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Nu [gedaagde 1] op geen enkele wijze heeft toegelicht dat een vordering van de Curatoren jegens de overige leden enige kans van slagen zou hebben, kan reeds om deze reden het verwijt van [gedaagde 1] niet tot een geslaagd beroep op eigen schuld leiden. 4.33. Het laatste verwijt van [gedaagde 1] heeft betrekking op het oplopen van de wettelijke rente. [gedaagde 1] heeft er in dit verband op gewezen dat de intrekking van de erkenning van FresQ heeft plaatsgevonden in augustus 2013 en dat het faillissement van FresQ is uitgesproken in mei 2017. RVO heeft de verjaring van de vordering telkens wel gestuit, maar tot 2025 gewacht met het aanhangig maken van de vordering. Door het jarenlang stilzitten is de rentecomponent van de vordering opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 5,5 miljoen. RVO heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het verloop van de strafrechtelijke procedure heeft afgewacht. Nadat de strafrechtelijke procedure door middel van een transactie in oktober 2024 was beëindigd, heeft RVO er voor gekozen om zelf een civielrechtelijke procedure aanhangig te maken. [gedaagde 1] heeft vervolgens onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom RVO deze afweging in redelijkheid niet heeft mogen maken. Van eigen schuld is dus niet gebleken. Het beroep van [gedaagde 1] op de bep