Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:21084
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/3260 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. B. van Zanten), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (belanghebbende). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd, en die ertoe strekt dat ze de balustrade van hun dakterras deels moeten verwijderen. Eisers zijn het niet eens met de last. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit om de last op te leggen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat, op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, niet valt vast te stellen dat er sprake is van een overtreding, en dat daarom geen last had mogen worden opgelegd. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft eisers bij besluit van 13 mei 2024 (het primaire besluit) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het dakterras en de balustrade van hun woning aan de [adres 1] . Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven. Wel is de motivering aangevuld. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde; het college, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde; en belanghebbende, vergezeld door zijn partner, [naam] . Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten. 2.3. Eisers hebben de dag na de zitting nog stukken opgestuurd naar de rechtbank. Omdat het onderzoek al gesloten was en omdat die stukken allemaal al in het dossier zaten en de rechtbank er niet om heeft gevraagd, worden ze verder niet betrokken bij de beoordeling. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eisers zijn sinds 1981 eigenaars en bewoners van de woning [adres 1] . Belanghebbende is (mede-)eigenaar van de woning [adres 2] , die aan de woning van eisers grenst. Op 18 maart 1992 is aan eisers een bouwvergunning verleend voor de aanleg van een dakterras op de bovenverdieping van hun woning, aan de achterkant. Op 24 augustus 1992 heeft het college akkoord gegeven op een gewijzigd bouwplan. In 1994 is ter plekke een dakterras met balustrade gerealiseerd. 3.1. Naar aanleiding van een verzoek om handhaving hebben twee inspecteurs van de Haagse Pandbrigade op 24 januari 2023 een bezoek gebracht aan de woning van belanghebbende. Van daaruit is de feitelijke situatie opgenomen en zijn foto’s gemaakt van het dakterras van eisers. De inspecteurs hebben geconstateerd dat dakterras en balustrade zijn gerealiseerd in afwijking van de in 1992 verleende omgevingsvergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college eisers op 16 februari 2023 een waarschuwing gestuurd. 3.2. Na een nieuw verzoek om handhaving, een tweede controlebezoek en een gesprek tussen eisers en medewerkers van de gemeente is uiteindelijk op 6 oktober 2023 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In de last staat dat de overtreding kan worden beëindigd door het bouwwerk te verwijderen of de verbouwing ongedaan te maken, en het bouwwerk terug te brengen naar de laatste situatie waarvoor vergunning is verleend. Dit besluit is op 18 november 2023 onherroepelijk geworden. Op 19 februari 2024 is besloten de dwangsom van € 7.500,- in te vorderen. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt. 3.3. Op 17 april 2024 heeft een inspecteur geconstateerd dat de overtreding nog steeds niet was beëindigd. Om die reden is op 22 april 2024 een Een besluit tot handhaving als waar het hier om gaat is een belastend besluit, wat wil zeggen dat het op de weg van het college ligt om aannemelijk te maken dat de feitelijke situatie afwijkt van de situatie die is vergund en dat dus sprake is van een overtreding. 5.1. Vooropgesteld moet worden dat de originele bouwvergunningen niet in het dossier zitten, en dat er alleen (verkleinde) kopieën van de tekeningen die klaarblijkelijk bij de beide vergunningen horen zijn overgelegd. Eén van die tekeningen, die volgens het stempel hoort bij de vergunning van 18 maart 1992, geeft de vergunde situatie recht van achteren weer. Op deze tekening is een balustrade te zien met geornamenteerde, bolvormige spijlen over de hele breedte van de achtergevel op de bovenste verdieping van de woning van eisers, die doorloopt in de richting van [huisnummer 2] . Het college heeft uit deze tekening afgeleid dat de balustrade is vergund in een rechte lijn, evenwijdig aan de achtergevel en zonder de uitbouw van de onderliggende verdieping te volgen. Het lijkt goed mogelijk dat dat bedoeld is weer te geven, maar met volledige zekerheid is dat niet uit deze tekening af te leiden omdat de tekening geen perspectief of diepte laat zien, en eventuele verspringingen haaks op de gevel daardoor niet te zien zijn. Een andere tekening is voorzien van de handgeschreven vermeldingen “maart 1992” en “wijzigingen [onleesbaar] 05-08-1992”. Deze tekening geeft eveneens een achteraanzicht van de situatie, waarbij de balustrade zelf niet is afgebeeld maar alleen een lijn die de hoogte daarvan aangeeft, en het woord “railing”. Daarnaast bevat deze tekening een plattegrond van de bovenverdieping van de woning inclusief de buitenruimte, in de bestaande en de vergunde situatie. Direct achter de nieuwe achtergevel (de achterwand van de ruimtes die op de tekening als “berging” en “serre” zijn aangeduid) is een strook ingetekend met terrastegels die ogenschijnlijk wordt begrensd door een dubbele lijn zonder nadere aanduiding. Langs de daklijn van de uitbouw van de onderliggende verdieping – ongeveer op de plaats waar de balustrade feitelijk is aangebracht – lopen op deze tekening drie lijnen, op drie verschillende plaatsen voorzien van de letter “b”. Doordat een legenda ontbreekt kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat “b” hier staat voor “balustrade”, zoals eisers betogen en ook de Adviescommissie bezwaarschriften heeft aangenomen, maar het kan ook niet worden uitgesloten. Dat geldt te meer omdat op de corresponderende tekening van de bestaande situatie op hetzelfde blad de daklijn met twee lijnen is aangegeven in plaats van drie, en omdat het college geen plausibele andere verklaring heeft kunnen geven voor de aanduiding “b”. Dit alles betekent dat op basis van de overgelegde tekeningen niet met zekerheid is te zeggen waar de balustrade zou moeten staan, en of de balustrade in een rechte lijn is vergund of met de feitelijk aanwezige verspringing. Daar komt nog bij dat eisers een “formulier voor ambtelijke aantekeningen” hebben overgelegd waarvan ze, onbetwist door het college, hebben gesteld dat het bij de verleende vergunningen hoort, en waarop de handgeschreven tekst staat “24/8/92 wijziging bouwplan plaatsing balustrade plus plantenbakken, geen wijziging benodigd in bouwtek”, met een paraaf. Op de beide eerderbedoelde tekeningen zijn ook stempels aangebracht met “afwijking bouwplan d.d. 24/8/92, akkoord” en een handtekening. Op grond van dit formulier en de stempels op de tekeningen kan niet worden uitgesloten dat – voor zover op basis van de tekeningen bij de oorspronkelijke vergunning van 18 maart 1992 niet al een balustrade was toegestaan op de plek waar ze nu feitelijk staat – met de wijziging van 24 augustus 1992 daarvoor alsnog toestemming is verleend. De enkele stelling van het college dat een wijziging zoals hier aan de orde – waarbij dus in plaats van een balustrade in een rechte lijn een balustrade met verspringing wordt toegestaan – zo ingrijpend is dat Op zichzelf volgt hieruit niet wat op grond van de vergunning wel of niet was toegestaan, maar het formulier vormt wel een aanwijzing dat bij de eindcontrole namens het college geen afwijkingen tussen feitelijke en vergunde situatie zijn geconstateerd. 5.5. Wat het houten scherm betreft overweegt de rechtbank dat het feit dat een dergelijk scherm op de vergunningstekeningen te zien is op zichzelf niet betekent dat het moet worden gebouwd, maar alleen dat het mag worden gebouwd. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken kan de rechtbank niet afleiden dat er een voorschrift aan de vergunning is verbonden met als strekking dat een dergelijk scherm moet worden geplaatst. Bovendien zou het ontbreken van een verplicht scherm (als daarvan al sprake zou zijn) eventueel reden kunnen zijn een last op te leggen om een dergelijk scherm alsnog te plaatsen, maar dat is niet de strekking van de last die is opgelegd, zoals het college in het verweerschrift en ter zitting ook heeft bevestigd. Ook op dit punt kan dan ook geen overtreding worden vastgesteld. 5.6. Omdat op geen van de hiervoor besproken punten met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake was van een overtreding, had het college geen mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen. Het betoog slaagt. Wat verder is aangevoerd hoeft gezien het voorgaande niet meer te worden besproken. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 5:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een overtreding en het college dus geen bevoegdheid had om handhavend op te treden, zal de rechtbank het besluit van 13 mei 2024 herroepen. Dat betekent dat de opgelegde last onder dwangsom komt te vervallen. 6.1. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Namens eisers is door een professionele rechtsbijstandverlener een beroepschrift ingediend en is aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank gaat uit van wegingsfactor 1. De vergoeding voor proceskosten in beroep bedraagt dan 2 x € 934,-, dus € 1.868,-. Omdat het besluit van 13 mei 2024 wordt herroepen en eisers om een vergoeding van hun proceskosten in bezwaar hebben gevraagd, wordt ook daarvoor een vergoeding toegekend. De rechtsbijstandverlener van eisers heeft een bezwaarschrift ingediend, maar niet aan een hoorzitting deelgenomen. De vergoeding daarvoor bedraagt € 666,- De totale vergoeding wordt daarmee € 2.534,-. 6.2. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het besluit van 13 mei 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; veroordeelt het college tot betaling van de bij eisers opgekomen proceskosten, tot een bedrag van € 2.534,-; bepaalt dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.C.A. van der Meijs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026. de griffier is verhinderd deuitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger be