Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:20896
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-3643 Zaaknummer: C/09/703210 Datum beschikking: 25 juni 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 13 april 2026 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het F9-formulier van 4 juni 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek. Op 11 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk P. Nuangtanom; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te Den Haag. - Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige]. - [minderjarige] verblijft momenteel bij de man. - Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige]. Verzoek en verweer De vrouw heeft verzocht: - te bepalen dat [minderjarige] voorlopig aan haar wordt toevertrouwd; - te bepalen dat zij, met uitsluiting van de man, het voortgezet gebruik heeft van de woning gelegen te [plaats 1] aan het [adres], met inbegrip van de zich daarin bevindende inboedel, met de bepaling dat de man deze woning moet verlaten en niet meer mag betreden; - de man te veroordelen om aan haar een voorlopige bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] te betalen van € 200,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht: - te bepalen dat [minderjarige] voorlopig aan hem toevertrouwd wordt; - te bepalen dat hij het exclusief gebruik van de huurwoning aan het [adres] te [plaats 1] toegewezen krijgt; - te bepalen dat de vrouw kinderalimentatie van € 77,- per maand voor de eerste van de maand aan hem dient te voldoen; - voorwaardelijk, indien de vrouw het kind en het exclusief gebruik van de woning toegewezen krijgt, een zorgregeling voor de man en het kind te bepalen, waarbij er een 50/50 week-op-week-af-zorgregeling is; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Toevertrouwing [minderjarige] en voorlopige zorgregeling Standpunt vrouw De vrouw heeft, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. De man heeft een ziekte waardoor hij zal komen te overlijden. De man heeft haar op 29 maart 2026 een overeenkomst voorgehouden en van haar geëist dat zij deze zou tekenen. Hierin was opgenomen dat [minderjarige] na het overlijden van de man bij de familie van de man zou worden ondergebracht, in het bijzonder bij zijn meerderjarige dochter [naam 2]. De vrouw heeft geweigerd deze overeenkomst te tekenen, waarna de man haar het huis heeft uitgezet en het contact met [minderjarige] heeft ontzegd. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Bovendien heeft zij sinds de geboorte van [minderjarige] voor hem heeft gezorgd. Sinds de vrouw werkt, heeft de man [minderjarige] naar school gebracht en hem van school gehaald. Nu partijen uit elkaar zijn, wil zij weer voor hem zorgen. De vrouw kan haar werktijden aanpassen, zodat zij [minderjarige] voortaan weer zelf naar school kan brengen en hem kan ophalen. Gezien het onvoorspelbare gedrag van de man is het van belang dat [minderjarige] veiligheid wordt geboden en dat hij aan de vrouw wordt toevertrouwd. Op de zitting heeft de vrouw aanvullend subsidiair verzocht – in het geval [minderjari Aangezien de vrouw nu niet over een zelfstandige woonruimte beschikt waar zij [minderjarige] zou kunnen ontvangen, acht de rechtbank een week-op-week-af-regeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. Hij zou in dat geval in de week dat hij bij de vrouw verblijft op een onzekere plek bij derden moeten verblijven. Dit (subsidiaire) verzoek van de vrouw wordt dus afgewezen. Op de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over het contact tussen [minderjarige] en de vrouw vanaf de zitting tot de datum van deze beschikking. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige] in die periode op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur bij de vrouw verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige] bij de man thuis ophaalt en terugbrengt. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen deze afspraken stipt zullen nakomen. De rechtbank ziet aanleiding bij de beoordeling van de verzoeken over de zorgregeling, aan te sluiten bij deze voorlopige afspraak. Nu de vrouw niet beschikt over zelfstandige woonruimte, zal de rechtbank geen overnachtingen van [minderjarige] bij de vrouw vaststellen. De rechtbank houdt verder rekening met de werkdagen en -tijden van de vrouw. De rechtbank zal de volgende voorlopige (onbegeleide) zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vaststellen. [minderjarige] zal voorlopig bij de vrouw verblijven: - iedere week op dinsdag van 16.00 uur tot 20.00 uur, vrijdag uit school tot 20.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur; - om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur; - waarbij geldt dat de vrouw [minderjarige] bij de man thuis (en op vrijdag uit school) ophaalt en terugbrengt. Uitsluitend gebruik echtelijke woning De rechtbank begrijpt dat de vrouw met het verzoek ‘voortgezet gebruik van de woning’ en de man met het verzoek ‘exclusief gebruik van de huurwoning’ bedoelen het uitsluitend gebruik van de woning te verzoeken. Standpunt vrouw De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. Zij verblijft momenteel bij een kennis in [plaats 2] maar kan daar slechts tijdelijk blijven. Zij heeft geen familieleden in Nederland waar zij kan verblijven, in tegenstelling tot de man die wel elders, bijvoorbeeld bij zijn dochter [naam 2], kan verblijven. Standpunt man De man heeft zich verzet tegen het verzoek van de vrouw en heeft eveneens verzocht om het uitsluitend gebruik van de woning. De man heeft aangegeven dat hij niet bij zijn familieleden kan verblijven. Daarbij heeft hij rust nodig vanwege zijn medische behandelingen. De man heeft geprobeerd om een urgentieverklaring aan te vragen, maar dit is niet gelukt. Hij heeft daarom meer belang bij de woning dan de vrouw. Overwegingen rechtbank Bij de beoordeling van de vraag wie voorlopig in de woning mag blijven, moeten alle belangen worden betrokken. Vast staat dat beide partijen een belang hebben bij de woning, omdat voor beiden geldt dat zij geen zelfstandige vervangende woonruimte hebben en beiden afhankelijk zijn van verblijf bij familie of vrienden. Daarnaast is er nog het belang van [minderjarige], dat in de afweging moet worden betrokken. Zoals hiervoor al is overwogen, is het in het belang van [minderjarige] dat er voorlopig zo min mogelijk wijzigingen komen in zijn ritme wat betreft school en vrijetijdsbesteding en dat hij dit dus allemaal vanuit de hem vertrouwde woning kan blijven doen. Gelet hierop en nu [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, is het in het belang van [minderjarige] dat het uitsluitend gebruik van de woning aan man toekomt. Op die manier kan [minderjarige] de komende tijd zoveel als mogelijk de dagelijkse gang van zaken laten doorlopen. De rechtbank overweegt daarbij dat zij een regeling van birdnesting, waarbij beide partijen afwisselend in de woning verblijven en voor [minderjarige] zorgen, in dit geval niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] acht omdat daarvoor vereist is dat Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 5.996,-. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.260,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Bij een NBI van € 2.180,- tot € 2.430,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.230,- en € 2.280,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 77,- per maand in aanmerking nemen. Draagkracht vrouw Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 1.924,- bruto per vier weken en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over de periodes 1 tot en met 5 van 2026. Uit deze salarisspecificaties is gebleken dat de vrouw in sommige periodes een (telkens wisselend) bedrag aan meeruren uitgekeerd heeft gekregen. In deze voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank hier geen rekening mee houden, mede omdat de man deze meeruren in zijn draagkrachtberekening voor de vrouw ook niet heeft meegenomen. Gelet hierop zal de rechtbank voor de door de vrouw te betalen premies uitgaan van periode 3 van 2026, nu op deze loonstrook geen meeruren zijn opgenomen. De rechtbank zal dan ook rekening houden met de pensioenpremies van € 85,- bruto per maand, de nabestaandenpensioenpremie van € 3,- bruto per maand, de arbeidsongeschiktheidspremies van € 17,- per maand en de inkomensverzekering van € 8,- bruto per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.070,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.050,- en € 2.100,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 96,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen. Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 173,- per maand (€ 77,- + € 96,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 329,- per maand. Gelet op de zorgregeling zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 126,- per maand (25% van € 502,-). Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vrouw. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige]. Het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] is dus gelijk aan haar draagkracht. Conclusie Gelet op het voorgaande is de vrouw voorlopig gehouden om met ingang van 25 juni 2026 een bedrag van € 96,- per maand aan de man te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige]. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] te [plaats 1], en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], aan de man zal worden toevertrouwd; bepaalt dat de vrouw voorlopig gerechti