Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:20774
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9200 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] (Portugal), eiser (gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten), en de Minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (jachtakte). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag mocht worden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 19 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een jachtakte. 2.1. Met het besluit van 29 april 2025 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) de aanvraag van eiser afgewezen. 2.2. Met het besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) op het administratief beroep van eiser heeft de minister de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser beschikte over een jachtakte, als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming, zoals die gold tot 1 januari 2024. 3.1. Op 26 januari 2024 heeft eiser zijn jachtgeweer van het kaliber .20 overgedragen aan een kennis die het naar een reparateur zou brengen. Die kennis was echter niet bevoegd om het jachtgeweer voorhanden te hebben, omdat hij niet over een jachtakte beschikte. Naar aanleiding hiervan heeft de korpschef op 15 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. 3.2. Op 19 februari 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan om een jachtakte als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet. 3.3. Op 7 april 2025 heeft de korpschef een voornemen tot het afwijzen van de gevraagde jachtakte aan eiser gestuurd, omdat de gedragingen van eiser volgens de korpschef niet in lijn zijn met het gedrag dat van de houder van een jachtakte mag worden verwacht en eiser zich niet strikt aan de toepasselijke regels heeft gehouden. Omdat de korpschef in de door eiser ingediende zienswijze van 8 april 2025 geen aanleiding heeft gezien om van het voornemen af te zien, heeft de korpschef de aanvraag met het primaire besluit afgewezen. 3.4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag met het bestreden besluit op het administratief beroep van eiser in stand gelaten. Toetsingskader 4. Op grond van artikel 5.9a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beslist de korpschef op de aanvraag om een jachtakte. In artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl is bepaald dat een jachtakte, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Bij de invulling van dit ‘vrees voor misbruik’ criterium heeft de korpschef beoordelingsruimte. Hierbij hanteert hij de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019). 4.1. Op gr Zowel de korpschef als de minister hebben in dit geval de relevante feiten en omstandigheden afgewogen in het licht van het tijdsverloop, en daarover een gemotiveerd besluit genomen. In dit geval is het tijdsverloop naar het oordeel van de rechtbank nog te kort om te oordelen dat de minister die omstandigheden niet had mogen meewegen. Het betoog van eiser dat de minister een actuele beoordeling had moeten uitvoeren, en daarom de omstandigheden die hebben geleid tot intrekking van de jachtakte niet had mogen meewegen in de beoordeling van de nieuwe aanvraag, slaagt daarom niet. 6.3. Ook het betoog van eiser dat de minister ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het incident van 26 januari 2024, omdat hij nooit als verdachte is aangemerkt en omdat de persoon aan wie hij zijn jachtgeweer heeft overgedragen door het gerechtshof is vrijgesproken, slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019 volgt dat de vrees voor misbruik eveneens kan worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Dat het Openbaar Ministerie heeft besloten eiser niet te vervolgen, omdat de bestuursrechtelijke sanctie van intrekking van de jachtakte volgens het Openbaar Ministerie afdoende was, maakt niet dat de minister geen gewicht heeft mogen toekennen aan het incident van 26 januari 2024. 6.4. In het licht van het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat (in ieder geval geringe) twijfel bestaat of het verantwoord is om aan eiser een jachtakte te verlenen. De rechtbank acht daarbij juist ook van belang dat eiser – omdat hij zich in een uitzonderingspositie bevond – ervan op de hoogte had moeten zijn dat hij zijn jachtgeweer niet aan iemand anders mocht overdragen zoals hij heeft gedaan. De minister heeft gezien het voorgaande ook meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang van veilige en verantwoorde omgang met vuurwapens dan aan de persoonlijke belangen van eiser bij het kunnen blijven jagen, en dus de afwijzing van de aanvraag in stand mogen laten. 6.5. Het betoog slaagt niet. Bevoegdheid operationeel manager afdeling V&T 7. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit is genomen door een functionaris die hiertoe niet is gemandateerd, omdat de operationeel manager afdeling V&T niet namens de minister bevoegd is om het bestreden besluit te ondertekenen, overweegt de rechtbank dat de operationeel manager afdeling V&T op grond van artikel 1, aanhef, onder b, onder 1o, van het mandaatbesluit Dienst Justis 2020 bevoegd is om het bestreden besluit te ondertekenen. Verbod op vooringenomenheid 8. Tot slot overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat dezelfde ambtenaar zowel bij het besluit tot intrekking van de jachtakte als bij het besluit op een nieuwe aanvraag betrokken is, geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van vooringenomenheid. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit om de aanvraag af te wijzen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.J.A. Klein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes we