Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:20748
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7496 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (gemachtigde: mr. G.J.M. Naber). Inleiding 1. Met het besluit van 27 mei 2025 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de periode van januari 2025 tot en met december 2025 geen recht heeft op een studiefinanciering (te weten een overbruggingsfinanciering van januari 2025 tot en met maart 2025, een studiefinanciering van april 2025 tot en met december 2025 en een studentenreisproduct). 1.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2025. Met het bestreden besluit van 2 september 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft fysiek deelgenomen: eiser. Hieraan heeft met behulp van een videoverbinding deelgenomen: gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verweerder heeft na een controle vastgesteld dat eiser vanaf 16 december 2024 niet ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. Omdat eiser over de periode van januari 2025 tot en met december 2025 geen recht had op de toegekende studiefinanciering, heeft verweerder het recht herzien. Voorts is het recht op een studentenreisproduct komen te vervallen. Eiser is het met dit besluit niet eens. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser heeft in het systeem van verweerder aangegeven dat hij de studie HBO-Rechten voltijd bij de NTI zou gaan volgen. Volgens dit systeem gaf deze studie recht op studiefinanciering. Achteraf bleek dat het voor eiser niet mogelijk was om deze studie te volgen. Eiser stelt dat verweerder heeft nagelaten zorgvuldig te onderzoeken of de opleiding HBO-rechten voltijd bij de NTI daadwerkelijk bestaat en voldoet aan de voorwaarden voor studiefinanciering. Hierdoor zou er geen fair hearing hebben plaatsgevonden. Omdat verweerder deze opleiding zelf in het systeem heeft opgenomen, mocht eiser er op vertrouwen dat hij deze studie daadwerkelijk kon volgen en hiervoor studiefinanciering zou ontvangen. Eiser is van mening dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Tot slot stelt eiser dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Wat zijn de regels? 4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het recht op de studiefinanciering kon herzien, omdat eiser in de bewuste periode niet ingeschreven stond voor een opleiding die recht gaf op studiefinanciering. 5.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.2. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende. Met het besluit van 17 januari 2025 heeft verweerder op aanvraag een studiefinanciering toegekend. In de aanvraag heeft eiser vermeld dat hij de opleiding Finance, Tax en Advice aan de Hogeschool Utrecht zou gaan starten per 1 april 2025. Op 31 maart 2025 heeft eiser een opleidingswijziging doorgegeven, waarin hij aangeeft dat hij met ingang van 1 april 2025 de opleiding HBO-Rechten Voltijd aan de NTI zal gaan volgen. 5.3. Verweerder heeft na een controle vastgesteld dat eiser vanaf 16 december 2024 niet ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gegevens die de opleiding doorgeeft leidend zijn. Elke opleiding geeft de inschrijvingen door aan Register Onderwijsdeelnemers (ROD). Volgens dit register staat eiser vanaf 16 december 2024 niet meer ingeschreven. Eiser bet