Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:2074
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/7387 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.S. Sardar MRE), en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop [bedrijfsnaam] B.V. heeft op 15 december 2020 een aanvraag omgevingsvergunning gedaan. Op 30 december 2020 is [bedrijfsnaam] B.V. gefuseerd met [eiseres] B.V. en opgehouden te bestaan. Verweerder heeft aan eiseres een aanslag leges opgelegd op 30 november 2021. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de ‘rode legeskorting’ bij uitspraak op bezwaar van 6 augustus 2024 ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen en [naam 1] (bestuurder van eiseres). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M.A van der Zwaag en mr. E.G. Borghols, met [naam 2] en [naam 3] als toeschouwers. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een professionele vastgoedinvesteerder die zich bezighoudt met het ontwikkelen van en beleggen in residentieel vastgoed. Daarnaast bestaat de portefeuille van eiseres uit kantoren, bedrijfsunits en leisure. 2. [bedrijfsnaam] B.V., rechtsvoorganger van eiseres, heeft op 15 december 2020 een aanvraag omgevingsvergunning gedaan ten behoeve van de bouw van twee woontorens met 425 appartementen en commerciële ruimten in de plint ter plaatse van [adres] en hoek [straatnaam 1] en [straatnaam 2] . 3. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag omgevingsvergunning heeft verweerder aan eiseres met dagtekening 30 november 2021 een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 816.000. 4. Verweerder heeft op 15 december 2021 het Reactieformulier overige gemeentelijke belastingen van eiseres ontvangen. Verweerder heeft dit reactieformulier in behandeling genomen als een verzoek tot toepassing van ‘rode legeskorting’ voor sociale huurwoningen conform hoofdstuk 2 van de Regeling vermindering leges Den Haag 2020 (de Regeling) en een verzoek tot toepassing van ‘groene legeskorting’ voor duurzaam bouwen conform hoofdstuk 3 van de Regeling. 5. Op 28 december 2021 is verweerder tegemoetgekomen aan het verzoek tot toepassing van de ‘groene legeskorting’, maar niet aan het verzoek tot toepassing van de ‘rode legeskorting’. 6. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres op 5 januari 2022 ontvangen. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar op 6 augustus 2024 afgewezen. Geschil 7. In geschil is of verweerder de ‘rode legeskorting’ voor sociale huurwoningen conform hoofdstuk 2 van de Regeling terecht niet heeft toegepast. Ook is in geschil of verweerder het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. 8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de ‘rode legeskorting’ ten onrechte niet heeft toegepast en dat verweerder het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Ook verzoekt eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de ‘rode legeskorting’ terecht niet heeft toegepast omdat eiseres geen toegelaten instelling is zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling en artikel 19 van de Woningwet. Ook stelt verweerder dat geen sprake is van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiseres recht heeft op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Be Hoewel de rechtbank oog heeft voor het maatschappelijk belang dat eiseres dient met het realiseren van woningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens, en ook geen twijfels heeft (die overigens ook niet door verweerder zijn geuit) aan haar maatschappelijke intenties, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een ruimer toepassingsbereik dan volgt uit de tekst van artikel 2 van de Regeling en de artikelsgewijze toelichting daarop. De wettekst biedt daar geen ruimte voor. Dat eiseres stelt dat zij is gebonden aan dezelfde regels en verhuurrestricties als die voor een toegelaten instelling gelden, maakt dit niet anders. Zij kwalificeert nu eenmaal niet als een toegelaten instelling. Voor zover eiseres stelt dat hoofdstuk 2 van de Regeling op haar van toepassing is omdat zij voldoet aan de in de toepasselijke PUK’s gestelde voorwaarden, merkt de rechtbank op dat het wel of niet voldoen aan de in de PUK’s gestelde voorwaarden losstaat van de vraag of eiseres binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van de Regeling valt. Ook de stelling van eiseres dat op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de Regeling moet worden afgeweken kan haar niet baten. Dat artikel heeft betrekking op beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb en de Regeling is geen beleidsregel, maar een algemeen verbindend voorschrift. 15. Eiseres stelt dat er in dit kader een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen haar en toegelaten instellingen en er om die reden sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van verweerder en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is. 16. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eiseres en een toegelaten instelling niet worden aangemerkt als gelijke gevallen en is van een schending van het gelijkheidsbeginsel reeds daarom geen sprake. Uit de opsomming die eiseres heeft gegeven van de regels en verhuurrestricties waar zij aan gebonden is, volgt niet dat eiseres voldoet aan alle wettelijk gestelde voorwaarden om als een toegelaten instelling te kwalificeren zoals die volgen uit de BTIV en de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting. Zo is bijvoorbeeld de rechtsvorm anders en valt eiseres ook niet onder het wettelijk geregelde toezicht voor toegelaten instellingen dat wordt uitgeoefend door de Autoriteit woningcorporaties. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen. 17. Eiseres beroept zich voorts op het vertrouwensbeginsel omdat de afdeling Belastingzaken van de Gemeente Den Haag bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat de regeling wel op haar zou worden toegepast ook al valt zij strikt genomen niet onder de definitie van een toegelaten instelling. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. 18. Dat door verweerder of enige andere overheidsinstantie toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiseres redelijkerwijs mocht afleiden dat hoofdstuk 2 van de Regeling op haar van toepassing was, is niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij met de heer [naam 4] - die destijds werkzaam was bij de gemeente Den Haag - heeft afgesproken dat hij een voorstel zou schrijven voor de gemeente, met als doel om afspraken te maken over de legeskorting. De heer [naam 4] zou een vaststellingsovereenkomst (VSO) tussen eiseres en gemeente Den Haag laten opstellen waarin zou worden overeengekom