Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:20731
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/2791 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J. Boringa), en de Staatssecretaris van Defensie, (gemachtigde: mr. M.I. Pronk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van de invoerrechten voor een personenauto van Nederland naar Aruba. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben met behulp van een beeldverbinding deelgenomen: eiseres en haar partner, de heer [naam 1] . Hieraan hebben fysiek deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 3] . Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Met het besluit van 2 oktober 2023 is eiseres met ingang van 1 februari 2024 een functie op Aruba toegewezen. In verband met de verhuizing van Nederland naar Aruba heeft eiseres haar auto naar Aruba verscheept. Hiervoor moest eiseres invoerrechten betalen, omdat zij haar auto nog geen zes maanden in bezit en in gebruik had in Nederland. Eiseres heeft een aanvraag om vergoeding van de invoerrechten ingediend en deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Wat vindt eiseres in beroep? 3. Eiseres stelt dat volgens het beleid van verweerder de invoerrechten gedeclareerd kunnen worden, wanneer de plaatsingsbeschikking na de datum van de tenaamstelling van het privévoertuig dateert. Eiseres verwijst hierbij naar de nieuwkomersmappen waarin dit staat beschreven. Omdat zij haar auto al in haar bezit had voordat zij wist dat zij op Aruba zou worden geplaatst, heeft zij recht op vergoeding. Daarnaast stelt eiseres dat het nog niet zeker was dat de buitenlandplaatsing daadwerkelijk doorgang zou vinden ten tijde van de aanschaf van het privévoertuig, omdat er nog een gesprek met Bedrijfsmaatschappelijk werk plaats moest vinden. 3.1. Ter zitting hebben eiseres en haar gemachtigde nader toegelicht dat er voorafgaand aan de plaatsingsbeschikking geen nadere informatie is vertrekt over de betaling van invoerrechten. Verweerder heeft met toepassing van de hardheidsclausule de invoerrechten altijd vergoed en zou op basis van het rechtzekerheidsbeginsel de hardheidsclausule nu ook moeten toepassen. Wat zijn de regels? 4. Uit artikel 3, derde lid, van de Verplaatsingskostenregeling defensie (VKRD) volgt dat een defensieambtenaar bij een tegemoetkoming in de verhuiskosten naar of van een land buiten Europa, aanspraak heeft op het transport van een motorvoertuig. De eventuele invoerrechten van dit motorvoertuig komen ten laste van de defensieambtenaar. 4.1. In artikel 31 van het Verplaatsingskostenbesluit defensie (VKBD) staat de hardheidsclausule. Hieruit volgt dat verweerder kan afwijken van artikel 3, derde lid, van de VKRD, als de toepassing hiervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag om vergoeding van de invoerrechten voor een personenauto van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Hardheidsclausule 6. Op grond van artikel 3, derde lid, van de VKRD komen invoerrechten ten laste van de defensieambtenaar. In geschil is of verweerder op basis van de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding moest zien om de hardheidsclausule van artikel 31 van het VKBD toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. 6.1. Op grond van de hardheidsclausule kan in een bijzonder geva