Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:20357
Gevoegde behandeling van 14 zaken. Er zijn aanslagen rioolheffingen opgelegd voor units op een afsluitbaar terrein. De units zijn te gebruiken als hobbyruimte, opslagruimte, werkruimte of stallingsruimte. De units beschikken niet over een eigen wateraansluiting of waterafvoer. De unitgebruikers hebben toegang tot een gemeenschappelijke ruimte met toilet. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van de afvoer van afvalwater en een belastbaar feit in de zin van de Verordening. De vrijstelling in de Verordening voor garageboxen is niet van toepassing aangezien de units niet als garageboxen in gebruik zijn. De keuze om per perceel rioolheffing te heffen is niet willekeurig, onredelijk of in strijd met enig rechtsbeginsel. Er is ook geen strijd met het gelijkheidsbeginsel of evenredigheidsbeginsel. Beroepen ongegrond. Er worden geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, omdat het financieel belang per belanghebbende minder dan € 1.000 is. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/2223, SGR 25/2286, SGR 25/2290, SGR 25/2294, SGR 25/2297, SGR 25/2301, SGR 25/2302, SGR 25/2303, SGR 25/2304, SGR 25/2305, SGR 25/2306, SGR 25/2307, SGR 25/2308 en SGR 25/2310 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de 14 zaken tussen ieder van de belanghebbenden genoemd onder 1, belanghebbenden (gemachtigde: mr. A. Vreugdenhil), en de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan ieder van de belanghebbenden voor het jaar 2024 een (of meer) aanslag(en) rioolheffing van € 195,72 per unit opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. Belanghebbenden hebben daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank de 14 zaken gevoegd zoals bedoeld in artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht. De zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Namens belanghebbenden zijn de gemachtigde en [naam 1] (voorzitter van de Vereniging van Eigenaren) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Belanghebbenden zijn eigenaren en gebruikers van een of meerdere units op een afsluitbaar terrein aan de [straat] (zie hieronder). Tot de gedingstukken behoort een verkoopbrochure waarin de units staan beschreven als garageboxen die zijn te gebruiken als hobbyruimte, opslagruimte, werkruimte en stallingsruimte. De units beschikken niet over een eigen wateraansluiting of waterafvoer. Zaaknummer Belanghebbende Unit(s) SGR 25/2223 [belanghebbende 1] [unit 1] SGR 25/2286 [belanghebbende 2] [unit 2] SGR 25/2290 [belanghebbende 3] [unit 3] SGR 25/2294 [belanghebbende 4] [unit 4] SGR 25/2297 [belanghebbende 5] [unit 5] SGR 25/2301 [belanghebbende 6] B.V. [unit 6] SGR 25/2302 [belanghebbende 7] [unit 7] en [unit 8] SGR 25/2303 [belanghebbende 8] [unit 9] SGR 25/2304 [belanghebbende 9] B.V. [unit 10] en [unit 11] SGR 25/2305 [belanghebbende 10] [unit 12] en [unit 13] SGR 25/2306 [belanghebbende 11] [unit 14] SGR 25/2307 [belanghebbende 12] [unit 15] SGR 25/2308 [belanghebbende 13] [unit 16] SGR 25/2310 [belanghebbende 14] [unit 17] 2. Voor zover hier van belang, bevat het terrein twee panden, bestaande uit unit [unit 10] tot en met [unit 18] (pand 1) en unit [unit 13] tot en met [unit 16] (pand 2). In pand 2 bevindt zich een gemeenschappelijke ruimte van de Vereniging van Eigenaren. In de gemeenschappelijke ruimte bevinden zich de deelmeters en aardlekschakelaars van de units en een toilet. Belanghebbenden hebben door middel van een elektronische toegangssleutel (tag) toegang tot de gemeenschappelijke ruimte inclusief het toilet. Geschil 3. In geschil is of de aanslagen rioolheffing terecht zijn opgelegd. 4. Belanghebbenden beantwoorden bovenstaande vraag ontkennend en stellen dat: i. i) er vanuit de units geen directe of indirecte lozing van afvalwater plaatsvindt op de gemeentelijke riolering; ii) vijf units zijn vrijgesteld van rioolheffing op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel d, van de Verordening op de heffing en de invordering van riool- en waterzorgheffing gemeente Pijnacker-Nootdorp 2022 (de Verordening); iii) de rioolheffing willekeurig en onredelijk is; (iv) er sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. 5. Ter zitting hebben belanghebbenden de beroepsgrond inzake de overschrijding van de opbrengstlimiet ingetrokken. Verder hebben belanghebbenden ter zitting, na de toelichting van verweerder over het onderzoek met contrastvloeistof, ingestemd met de hemelwaterroute zoals beschreven door verweerder; dat houdt in dat het hemelwater van pand 2 via een duiker naar de sloot aan de [straat] wegloopt. 6. Verweerder stelt dat de aanslagen rioolheffing terecht zijn opgelegd en heeft de stellingen van belanghebbenden gemotiveerd weersproken. Beoordeling van het geschil Juridisch kader 7. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan door gemeenten onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 8. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een rioolheffing in te voeren. In de Verordening is onder meer het volgende bepaald: “ Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2. Belastingplicht: […] d. onder gemeentelijke riolering verstaan: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van water, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente. Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; […] Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: […] d. een onroerende zaak die zelfstandig in gebruik is als parkeerplaats of garagebox (WOZ-objectsoort 1700, 1710 of 3636) met een WOZ-waarde lager of gelijk aan € 30.000,-.” Belastbaar feit 9. Door partijen is in beroep onderscheid gemaakt tussen de afvoer van hemelwater en de afvoer van afvalwater vanaf pand 1 en pand 2. De rechtbank stelt voorop dat zij uit de tekst van de Verordening niet kan afleiden dat in het geval van de afvoer van hemelwater op de gemeentelijke riolering sprake is van een belastbaar feit. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt bij het belastbaar feit immers uitsluitend de afvoer van afvalwater genoemd. De stelling van verweerder dat onder de term “afvalwater” zowel afvalwater als hemelwater moet worden verstaan, vindt geen steun in de Verordening, mede omdat in artikel 1 van de Verordening juist een onderscheid wordt gemaakt tussen afvalwater en hemelwater terwijl voor beide termen geen begripsbepaling is opgenomen. 10. De rechtbank beoordeelt daarom voor de onderhavige zaken uitsluitend of sprake is van de afvoer van afvalwater. Gelet op de inrichting en het gebruik van de units en de twee panden, is de enige mogelijke bron van afvalwater het gemeenschappelijk toilet in pand 2. Tussen partijen is in verband daarmee in geschil of vanuit de individuele units indirect afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd via het gemeenschappelijke toilet. 11. Belanghebbenden stellen dat geen sprake is van de voornoemde afvoer. Volgens belanghebbenden wordt het toilet sporadisch of zelfs niet gebruikt door de unitgebruikers, aangezien de unitgebruikers doorgaans slechts korte tijd bij hun unit aanwezig zijn. Er is hierdoor een oppervlakkige of zelfs geen relatie tussen de lozingen vanuit het toilet en het gebruik van de units, waardoor deze lozingen niet aan de unitgebruikers kunnen worden toegerekend. Daarnaast stellen belanghebbenden dat het toilet moet worden gekwalificeerd als een zelfstandig perceel in de zin van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening in samenhang met artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Volgens belanghebbenden is de toiletruimte blijkens zijn indeling bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en staat de toiletruimte qua functionaliteit geheel los van de units (sanitaire voorziening versus opslag). 12. Naar het oordeel van de rechtbank slagen deze beroepsgronden niet. Vast staat dat alle uniteigenaren mede-eigenaar zijn van de toiletruimte en dat het toilet (sporadisch) afvalwater op de gemeentelijke riolering loost. Dat het aantal lozingen beperkt is, zoals belanghebbenden onweersproken hebben gesteld, betekent niet dat deze afvoer niet aan de units kan worden toegerekend. De hoeveelheid afgevoerd afvalwater is immers niet relevant voor de vraag of sprake is van een belastbaar feit. Belanghebbenden hebben daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de toiletruimte een zelfstandig perceel is in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel c, van de Wet WOZ. Voor het antwoord op de vraag of een gedeelte van een eigendom blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, is op zijn minst vereist dat zodanig gedeelte redelijk afsluitbaar is en aldus kan worden gescheiden van de overige gedeelten van het object. Bepalend hierbij is de toestand waarin het gebouwd eigendom in feite verkeert. In de onderhavige situatie hebben de belanghebbenden door middel van een tag vrij toegang tot de toiletruimte. In die zin is de toiletruimte niet daadwerkelijk afgesloten of gescheiden van de units. Dat de units en het toilet andere functies hebben, maakt nog niet dat het toilet een zelfstandig perceel is. 13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vanaf de units, via het gemeenschappelijk toilet, indirect afvalwater wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Er is dus sprake van een belastbaar feit in de zin van artikel 2 van de Verordening. Vrijstelling voor garageboxen 14. Belanghebbenden stellen dat op vijf units de vrijstelling van artikel 4, aanhef onderdeel d, van de Verordening van toepassing is (zie onder 8). Dit betreft de units [unit 10] (SGR 25/2304), [unit 1] (SGR 25/2223), [unit 3] (SGR 25/2290), [unit 12] (SGR 25/2305) en [unit 4] (SGR 25/2294), welke in 2024 allen een WOZ-waarde van € 30.000 hebben. Volgens belanghebbenden kwalificeren deze vijf units als garageboxen in de zin van WOZ-objectsoort 1700 zoals bedoeld in artikel 4 van de Verordening. 15. De rechtbank stelt voorop dat in de Verordening de term garagebox niet is gedefinieerd en evenmin is toegelicht wat de WOZ-objectsoort 1700 inhoudt. Uit de gedingstukken en hetgeen is verklaard ter zitting volgt dat deze WOZ-objectsoort is overgenomen uit de ‘Uniforme soort-objectcodelijst’ van de Waarderingskamer (de lijst). In de lijst van 15 augustus 2023, welke tot de gedingstukken behoort, staat bij de WOZ-objectsoort 1700 de opmerking: “Een afzonderlijke garage of garagebox, meestal voor één auto.” Bij het bepalen van de WOZ-waarde heeft verweerder de units aangemerkt als de objectsoort “opslag/distributie”, wat overeenkomt met code 3175 in de lijst. 16. Uit artikel 4, aanhef onderdeel d, van de Verordening volgt dat voor toepassing van de vrijstelling de units zelfstandig in gebruik moeten zijn als garagebox. Aangezien de termen “garage” en “garagebox” niet nader zijn geduid in de Verordening of de lijst, sluit de rechtbank aan bij de gangbare betekenis van deze woorden in het dagelijks taalgebruik, te weten een overdekte of afgesloten stallingsruimte voor een auto. Belanghebbenden hebben desgevraagd verklaard dat onbekend is hoe de vijf units in de praktijk worden gebruikt. Daarnaast heeft verweerder onweersproken gesteld dat de units worden gebruikt als bedrijfsruimte. Gelet hierop hebben belanghebbenden niet aannemelijk gemaakt dat de vijf units in gebruik zijn als een garagebox en kunnen de beroepen op de vrijstelling niet slagen. Willekeurig en onredelijk 17. Belanghebbenden stellen dat de rioolheffing willekeurig, onredelijk en disproportioneel is. In dit kader wijzen belanghebbenden erop dat van de 59 unitgebruikers in totaal € 11.547,48 aan rioolheffing is geheven (59 x € 195,72). Volgens belanghebbenden zou een enkelvoudige aanslag van € 195,72 al relatief hoog zijn geweest gezien de sporadische lozingen vanuit het gemeenschappelijke toilet. 18. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet blijkt dat bij de vormgeving van de rioolheffing gemeenten grote vrijheid is gelaten. Zo mogen gemeenten zelf invulling geven aan de belastingplichtige, de heffingsgrondslag, de heffingsmaatstaf en de tarieven. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over de in de belastingverordening gemaakte keuzes te oordelen, tenzij deze keuzes bijvoorbeeld leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad bij het toekennen van de bevoegdheid om rioolheffing te heffen. 19. De rechtbank is van oordeel dat de keuze om per perceel rioolheffing te heffen, gegeven de vrijheid die de wetgever aan gemeenten heeft toegekend, op zichzelf niet willekeurig, onredelijk of in strijd met enig rechtsbeginsel is. Dat hierdoor voor alle units afzonderlijk een aanslag is opgelegd, terwijl sprake is van afvoer van afvalwater via één gemeenschappelijk toilet, maakt dit niet anders. Verder geldt dat de rioolheffing een bestemmingsheffing is, waardoor er geen relatie hoeft te zijn tussen enerzijds de verschuldigde heffing en anderzijds het individuele nut dat belanghebbenden aan de met de heffing bekostigde voorziening ontlenen. Los daarvan heeft verweerder terecht aangevoerd dat de opbrengst van de rioolheffing tevens bestemd is voor de gemeentelijke taken op het gebied van hemelwaterafvoer en grondwaterbeheer (zie artikel 1 van de Verordening). Gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel 20. Belanghebbenden stellen dat de Verordening in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, omdat de Verordening – door voor de perceelsafbakening onverkort de objectafbakening uit de Wet WOZ toe te passen – voor recreatieterreinen wordt uitgegaan van één object en er dus slechts één aanslag rioolheffing wordt opgelegd, terwijl in het onderhavige geval voor elk van de 59 units een aanslag rioolheffing is opgelegd. Volgens belanghebbenden is er geen verschil tussen de units en recreatieterreinen dat dit onderscheid kan rechtvaardigen. Deze beroepsgrond kan niet slagen nu omdat verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de gemeente Pijnacker-Nootdorp niet over recreatieterreinen beschikt. De door belanghebbenden gestelde ongelijkheid en onevenredigheid doet zich derhalve in de praktijk niet voor. 21. Daarnaast stellen belanghebbenden dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef onderdeel d, van de Verordening leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Volgens belanghebbenden is volledig onduidelijk hoe de units verschillen van de vrijgestelde garageboxen en wordt door de vrijstelling een grote groep potentiële belastingplichtigen buiten de heffing gelaten, terwijl belanghebbenden tot de kleinere groep behoren die wel in de heffing worden betrokken. Verweerder heeft hierop toegelicht dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef onderdeel d, van de Verordening is bedoeld voor garageboxen die dienstbaar zijn aan een woning en die door de regels op het gebied van de objectafbakening als afzonderlijk WOZ-object zijn gekwalificeerd. Volgens verweerder is de vrijstelling bedoeld om te voorkomen dat in dergelijke gevallen zowel aan de woning als de (naburige) garagebox een aanslag rioolheffing wordt opgelegd. 22. Zoals reeds overwogen onder 18, is gemeenten grote vrijheid gelaten bij de vormgeving van de rioolheffing. Deze vrijheid geldt ook voor objectvrijstellingen zoals die in artikel 4, aanhef onderdeel d, van de Verordening. Voor zover de units en de vrijgestelde garageboxen al gelijke gevallen zijn, is de door verweerder gegeven reden voor de vrijstelling een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de gemeente heeft geprobeerd te voorkomen dat de eigenaar of gebruiker van een woning met een afzonderlijke garagebox dubbel wordt belast. Belanghebbenden hebben daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de rioolheffing door deze vrijstelling in onevenredige mate op hen drukt. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. Slotsom 23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de aanslagen rioolheffing terecht opgelegd en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Vergoeding van immateriële schade 24. Ter zitting hebben belanghebbenden verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als belastinggeschillen niet binnen een redelijke termijn worden beslecht, dan wordt in principe verondersteld dat de belastingplichtige immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen wordt hierbij als redelijk beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In dit geval zijn de bezwaarschriften door verweerder ontvangen op 3 april 2024 en doet de rechtbank uitspraak op 21 juli 2026. Dit betekent dat voor elke belanghebbende de redelijke termijn met afgerond vier maanden is overschreden. 25. De Hoge Raad heeft op 14 juni 2024 (kort gezegd) bepaald dat vanaf die datum geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn meer wordt toegekend als het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden. In deze zaken is het financieel belang per belanghebbende € 195,72 of € 391,44 (afhankelijk van het aantal units) en is de redelijke termijn met vier maanden overschreden. De rechtbank zal daarom voor elke zaak volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De verzoeken om vergoeding van immateriële schade worden dan ook afgewezen. Proceskosten 26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, voorzitter, en mr. B. Sahebali en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 42. Hoge Raad 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3592. Hoge Raad 6 augustus 2021, ECLI:NL:HR:2021:1188, r.o. 4.3.1. Zie ook Hoge Raad 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495. Zie ook Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7771. Kamerstukken II 2005/06, 30578, 3 (MvT), p. 40: “Omdat het een bestemmingsheffing is hoeft in de relatie met de belastingplichtige geen sprake te zijn van een rechtstreekse tegenprestatie in de vorm van een verleende dienst of een voorziening waarvan de belastingplichtige gebruik maakt.” Zie ook Hoge Raad 6 augustus 2021, ECLI:NL:HR:2021:1188. ECLI:NL:HR:2024:853. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.