Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:20352
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6050 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigden: mr. C.A.B. Geertman en J. van der Velden), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. A. Bakker). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een gebouw aan de [adres 1] als woning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning op onjuiste gronden heeft geweigerd. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan worden in stand gelaten. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 17 december 2025 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd om het gebouw aan de [adres 1] te mogen gebruiken als woning. 2.1. Met het besluit van 24 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser afgewezen. 2.2. Met het besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit in stand gelaten. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Eiser heeft nadere stukken overgelegd. 2.5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van het bouwwerk gold het bestemmingsplan ‘Zeeheldenkwartier.’ Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag. 4. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Feitelijke situatie 5. Eiser is de eigenaar van het perceel aan de [adres 1] . Op dit perceel staat een vrijstaand gebouw. Oorspronkelijk is het gebouw gerealiseerd als opslagruimte behorende bij de naastgelegen percelen aan de [adres 2] en [adres 3] . In de huidige situatie staan de woningen aan de [adres 2] en [adres 3] en het vrijstaande gebouw aan de [adres 1] op afzonderlijke kadastrale percelen. Het gebouw is nu in gebruik als woning. 5.1. Eiser heeft in 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van het gebouw tot woonruimte en voor het wijzigen van de functie van het gebouw naar ‘wonen’. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het verbouwen van het gebouw tot woonruimte volgens het college tot gevolg heeft dat een hoofdgebouw ontstaat terwijl dat op deze locatie niet is toegestaan. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Met de uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. Uit die uitspraak volgt onder meer dat het college het gebouw terecht als bijgebouw heeft aangemerkt. Standpunten van partijen 6. Eiser betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunning op onjuiste gronden heeft geweigerd. Daartoe voert hij primair aan dat het gebruik van het gebouw als woonruimte op grond van het omgevingsplan is toegestaan. Er is volgens eiser dus geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig om dit ge De begripsbepalingen zijn, gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak, geen onderdeel van het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van de door eiser ingediende aanvraag. Deze begripsbepalingen bevatten geen regels waaraan een aanvraag zelfstandig kan worden getoetst. Evenmin kan betekenis worden toegekend aan het door het college ingeroepen artikel 5.2.1, onder a, van het omgevingsplan, omdat deze bepaling een bouwregel bevat terwijl eiser in dit geval geen bouwactiviteit heeft aangevraagd. De ingediende aanvraag betreft uitsluitend het gebruik van het gebouw. Of het gebouw voldoet aan de bouwregels die het omgevingsplan stelt, zal het college los van de hier voorliggende aanvraag dienen te beoordelen. 8.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van het gebouw voor woondoeleinden niet in strijd is met de doeleindenomschrijving en de gebruiksregels van de bestemming “Gemengd-2”. Dit betekent dat voor dit enkele gebruik geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan nodig is. Het college heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen, maar heeft die afwijzing gebaseerd op onjuiste gronden. Het college had de aanvraag van eiser moeten afwijzen omdat de aangevraagde activiteit niet in strijd is met de doeleindenomschrijving en gebruiksregels van de bestemming “Gemengd-2”, zodat in zoverre geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit was vereist (een zogenoemde positieve weigering). Het betoog van eiser slaagt. 8.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet in wat is overwogen onder 8.2 echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. 9.1. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door zijn gemachtigden krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de gemachtigden van eiser een beroepschrift hebben ingediend en hebben deelgenomen aan de zitting, bedraagt de vergoeding in totaal € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 13 augustus 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verb