Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:20294
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/009414-22 (ontneming) Datum uitspraak: 17 juni 2026 Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in [plaats] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk). Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan. De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen namens de veroordeelde door zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh op de terechtzitting naar voren is gebracht. 2 De inhoud van de vordering De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 130.293,81 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag. 3 De grondslag voor ontneming De veroordeelde is op 26 juni 2024 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 66.407,03. De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 22 april 2023. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 130.293,81 bedraagt. Dit bedrag bestaat uit een netto opbrengst van de verkoop van 22 blokken cocaïne van € 11.000,00 en een voordeel van € 119.283,81 uit de handel in softdrugs. Bij de berekening van dit laatste bedrag is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel van € 238.587,62 tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] . In het rapport is voor de handel in softdrugs een pleegperiode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022 als uitgangspunt genomen. De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan het rapport omdat zij bij de berekening uitgaat van een andere pleegperiode voor de handel in softdrugs, namelijk van 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022. Daarnaast is de officier van justitie niet langer uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021, omdat medeverdachte [medeveroordeelde] is vrijgesproken voor medeplegen in die periode. Tot slot is de officier van justitie met betrekking tot de handel in cocaïne uitgegaan van de verkoopopbrengst van 11 blokken cocaïne. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 66.407,03. 4.2. Standpunt van de verdediging Handel in cocaïne Aantal blokken De rechtbank ziet overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aanleiding om uit te gaan van de verkoop van 11 blokken cocaïne. Winst Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport uitgegaan van de verkoop van 22 blokken cocaïne van 1 kilo met een winst van € 500,00 per verkocht blok cocaïne. Dit bedrag volgt uit de bewijsmiddelen met een verwijzing naar het rapport “De narcostand van Nederland” Fenomeenbeeld drugs 2021 in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verweer van de verdediging dat de veroordeelde in het geheel geen geld heeft ontvangen voor het verkopen van de blokken cocaïne, wordt verworpen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in harddrugs lucratief is en dergelijke feiten voornamelijk gepleegd worden met het oog op financieel gewin. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dat hier anders zou zijn en evenmin concreet onderbouwd waarom er door de afnemers niet betaald zou zijn. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat het veroordeelde voordeel heeft behaald uit de verkoop van de blokken cocaïne. Ook het standpunt van de verdediging dat de winst € 250,00 per blok zou bedragen, wordt verworpen. Hierbij geldt dat de rechtbank aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan vaststellen welke (inkoop)kosten en opbrengsten gemoeid zijn geweest met de handel in cocaïne. De enkele verwijzing naar berichten waarin gesproken wordt over 5ct of 25ct als vermeende beloning is daarvoor onvoldoende. Nu de veroordeelde geen inzage heeft gegeven in de kosten en opbrengsten, neemt de rechtbank tot uitgangspunt het bedrag per blok zoals genoemd rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank berekent het totale wederrechtelijk verkregen voordeel door de winst per blok (€ 500,00) te vermenigvuldigen met het aantal blokken (11). Dat brengt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in cocaïne op € 5.500,00. Handel in softdrugs Periode Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022. De rechtbank ziet overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aanleiding om de ontneming te beperken tot de periode tussen 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022. Dat is de periode waarin het in het vonnis bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. Het standpunt van de verdediging dat de periode vanwege verblijf van de veroordeelde in het buitenland bovendien verminderd moet worden met één maand, verwerpt de rechtbank. De verdediging heeft geen concrete feitelijke aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat er geen handel heeft plaatsgevonden op de dagen dat de veroordeelde in het buitenland verbleef. Dat is ook in het onderzoek niet gebleken. Integendeel, het strafdossier bevat juist aanwijzingen dat de handel is voortgezet door anderen. Uit het vonnis in de strafzaak volgt daarnaast dat de veroordeelde is veroordeeld als medepleger over de gehele periode, zodat als uitgangspunt geldt dat de veroordeelde meedeelde in de gerealiseerde omzet over de gehele periode. Afwijking van dit uitgangspunt is uitsluitend aan de orde wanneer de rechtbank de taakverdeling of verdeling van de winst tussen medeplegers concreet kan vaststellen. In de regel kan dit alleen wanneer de veroordeelde hierin inzage verschaft of hier gedetailleerd over verklaard. Nu de veroordeelde dit heeft nagelaten, zal de rechtbank niet afwijken van het uitgangspunt. Opbrengsten Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport uitgegaan van 349 afspraken per week en een minimale afname van 1 gram tegen een verkoopprijs van € 10,00 per afspraak. De bruto opbrengst is in het rapport berekend op € 402.340,00 over de gehele periode 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022. Dit komt neer op een De rechtbank is van oordeel dat het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een andere toerekening dan een volledige toerekening van het voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 aan de veroordeelde en een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel over de periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022. De periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 bedraagt 111 dagen. Na afronding hebben in die periode 5.534 afspraken plaatsgevonden, goed voor een totale opbrengst van € 55.340,00. Tijdens deze afspraken is 5,534 kilo verkocht. Dit komt overeen met een totale inkoopprijs van € 22.523,38. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel in deze periode bedraagt daarom € 32.816,62 (€ 55.341,42 minus € 22.523,38) en het totale voordeel in de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 bedraagt € 44.641,04 (€ 77.457,66 minus € 32.816,62). De rechtbank zal daarom het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 van € 44.641,04 volledig en het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 van € 32.816,62 pondspondsgewijs aan de veroordeelde toerekenen. Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in softdrugs op een bedrag van € 61.049,35 (€ 44.641,04 plus € 16.408,31). 4.5. Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 66.549,35 (€ 5.500,00 plus € 61.049,35). 5 De vaststelling van de betalingsverplichting 5.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk 5% lager, omdat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. 5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om van de oplegging van een betalingsverplichting af te zien, omdat de veroordeelde voor een ander feit veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 22 jaar en daarom geen draagkracht heeft of zal krijgen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de verdediging moet rekening worden gehouden met de waarde van de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd, omdat nog niet op alle beslagen is beslist en deze situatie gelijk zou zijn aan de situatie waarin goederen verbeurd zijn verklaard. 5.3. Oordeel van de rechtbank Draagkracht Uitgangspunt is dat de draagkracht van de veroordeelde pas in de executiefase aan de orde komt. Reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de veroordeelde zich in aanloop naar de executiefase zal ontwikkelen en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich beter laat beoordelen in de executiefase (ECLI:NL:HR:2021:376). In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (ECLI:NL:HR:2007:AZ7747). De raadsvrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt de veroordeelde over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan een betalingsverplichting te voldoen, zodat het verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat de veroordeelde in eerste aanleg is veroordeeld voor een lange gevangenisstraf, is daarvoor onvoldoende. Er is nog geen onherroepelijke veroordeling. Bovendien rust er conservatoir beslag op diverse goederen van de veroordeelde, waarop in de executiefase verhaal genomen kan worden. De rechtbank kan n